41. Kerk en orde1
De lezer mag de beide woorden, die ik boven dit artikel schreef, niet met elkaar verbinden en er 'kerkorde' van maken. De bedoeling is, dat ze tegenover elkaar zullen blijven staan. 'Orde' betekent hier een organisatie, die geen kerk wil zijn, maar iets minder. Het is een verkleinwoord van kerk. Het is een bescheiden titel, waarmee een groep mensen zich siert, die geen boze bedoelingen tegen de kerk heeft, maar die de middelen, welke het gewone lidmaatschap der kerk haar biedt, onvoldoende vindt om tot uitdrukking te brengen wat haar bezielt. Daarom schept de orde zichzelf die middelen en gaat binnen de grenzen der kerk een eigen leven leiden. Terwijl zij toch de kerk blijft eren als de moederbodem, waarop haar bestaan slechts mogelijk is.
Hoe een orde functioneert, weten wij uit de geschiedenis van het katholicisme. Dat gebeurt op tweeërlei wijze. In de eerste plaats regelt zij daar het leven dergenen die een hogere zedelijkheid willen betrachten dan die, welke in het gewone kerkelijke verband is voorgeschreven. De orde bedoelt dan een exponent te zijn, een hogere trap van christelijk gedrag en voegt aan de Tien geboden de zgn. raadgevingen uit het Evangelie toe: absolute armoede, kuisheid en gehoorzaamheid. Dan is orde eigenlijk geen verkleinwoord van kerk, maar een comparatief.
De orde heeft echter nog een andere, haar eigenlijke functie. De hogere zedelijkheid kan ook wel zonder regel beoefend worden en dat gebeurde aanvankelijk ook. Anders wordt het echter, wanneer een groep mensen een bepaaldstuk van het kerkelijk Credo of van de kerkelijke zedelijkheid voor haar exercitiën2 heeft uitgekozen. Dan krijgt de orde pas haar ware betekenis, die ze in de westerse kerk heeft gehad. Alle nadruk valt dan op de regel, die haar afgrenst van de totale christenheid in de kerk.
De Franciscanen kozen de absolute armoede. De Dominicanen de zending. Anderen: zielszorg of werken van barmhartigheid.
Men kan daarom zeggen, dat een orde een geestelijke beweging is, die zich volgens een bepaalde regel richt op een gedeelte van wat de kerk in totaal beoefent; en dat zij zo'n stuk verabsoluteert. De kenmerken van de orde zijn: het organisatorische, het partiële en het volstrekte.
Kent het protestantisme de orde helemaal niet meer? Het schijnt. Maar misschien lijkt dat maar zo. Ik denk aan de Herrnhutters. De Broedergemeente is naar haar wezen een orde en geen kerk. Zinzendorf3⌫ bedoelde iets anders dan de Piëtisten, die het geheel van de christelijke gezindheid wilden verdiepen en daarom geen organisatie in grote stijl nodig hadden. ⚑Hij had een kerkvorm nodig, zonder dat hij behoefte voelde aan een nieuwe kerk. Niet in een belijdenis maar in de praktische beoefening der onderlinge liefde kwam het zwaartepunt te liggen. Een deel van de christelijke doelstelling werd verabsoluteerd. Zo'n kerkvorm is een orde. Zinzendorf voerde dan ook terecht de titel van ordinarius. Wanneer de lutherse kerk meer katholieke ruimte had geboden, zou de Broedergemeente daarin haar natuurlijke plaats hebben kunnen innemen. Thans moest zij de allures van een kerk aannemen.
Een ander voorbeeld is het Heilsleger.4 De christelijke kerk wordt daar niet ontkend. Men heeft er geen behoefte aan, een nieuwe belijdenis op te stellen. Maar de actie is hier zo partieel op de prediking gericht, dat de sacramenten worden verwaarloosd. En de prediking is weer zo eenzijdig methodistisch, dat het dogma z'n betekenis verliest. Dit levert een kerkvorm op, die in zo sterke mate in beweging opgaat, dat hij inderdaad beter met de naam van Leger wordt aangeduid. Het is niet berekend op staan, maar op gaan.
Het is duidelijk dat een christenheid, waarbij het organisatorische zo op de voorgrond staat; waar de doelstelling zo partieel is en waar dit doel zo verabsoluteerd wordt als hier het geval is, waarin alles zo opgaat in beweging, de naam van orde verdient.
Wij zouden hiernaast nog de zending kunnen noemen, zoals zij zich in de negentiende eeuw heeft ingericht. Of de jeugdorganisaties bijv. van christen-studenten over de hele wereld. Het beeld van een orde is hier echter minder duidelijk en de differentiatie in de christelijke doelstelling valt minder op. Ik wil daarop hier niet ingaan.
Een niet te miskennen reïncarnatie van de orde lijkt mij echter te zijn, wat wij heden ten dage de Groep of vollediger de groepsbeweging noemen. Een waardering van het verschijnsel wil ik daarmee niet geven. Het is er mij enkel om te doen, haar verhouding tot de kerk te verduidelijken. De Groep5 staat niet vijandig tegenover de kerk. Brunner heeft in een recente brochure6 nog pas geschreven, dat de Groep niet iets anders wil zijn dan kerk, maar dan kerk-in-beweging. Hij waarschuwt, dat alleen een straf-afwijzende houding van de zijde der kerk haar zou kunnen noodzaken zelf in kerkvorm op te treden. Hij vraagt aan de kerk de bewegingsvrijheid van de Groep te eerbiedigen.
M.i. is de verhouding daarbij te simplistisch voorgesteld. De kerk als geheel heeft geen keerzijde, die zo sterk het karakter van een beweging kan dragen. Haar totaliteit is daarvoor een beletsel. Doop en Avondmaal geven haar stabilit . En haar beweging is gekenmerkt door een zeker evenwicht tussen geloof, gebod en gebed. Zij kan geen broedergemeente, geen leger, geen groep zijn. om de verhouding te kunnen bepalen, moeten wij het partiële te hulp roepen, dat ook in de naam van de Groep ligt opgesloten. Zij is een orde met al de kenmerken van dien. Zij kiest een deel uit het geheel der kerkelijke doelstelling en verabsoluteert dat, ook blijkens haar eigen spraakgebruik. Zij spreekt van absolute oprechtheid, absolute reinheid enz. De kerk, met haar erfzonde-dogma, kan daarvan niet anders zeggen dan: excusez du peu.
Daarbij geeft de Groep zichzelf een regel en kent bepaalde exercitiën, op de wijze van een orde; anders dan de kerk.
In verband met dit alles is het organisatorische wezenlijk voor de Groep. Meer eenzijdig dan de kerk dat ooit behoeft te doen, moet zij het daarin zoeken. Zij moet zich tegenover de kerk of in de kerk afgrenzen; door het gedeeltelijke van haar christenheid af te bepalen. Wanneer Brunner wil, dat de Groep zich niet als kerk zal consolideren, dan kan zij dat het best voorkomen door zich zo streng mogelijk als orde in te richten.
En nu de moraal van de fabel.7 Want het was mij er ten slotte niet om te doen, een karakteristiek of beoordeling van de Groep te geven. Ik zou liever de vraag stellen, welke houding de kerk tegenover een orde heeft aan te nemen. Verstaat zij het nog, deze in zich op te nemen en dienstbaar te doen zijn aan de totaliteit van haar bestemming in hemel en op aarde? De gedachte is a priori niet af te wijzen, dat de kerk in onze tijd een broederschap, een leger of een groepsbeweging zou kunnen gebruiken. Is de tijd misschien ook gekomen, dat zij de orde weer binnen haar muren moet toelaten? Of is de figuur van een protestantse kerk daartoe te eng? Dan zou het misschien goed zijn, als zij zich herinnerde, dat de kerk oorspronkelijk en uiteindelijk bestemd is een rijk te zijn. En zij zou bij haar inrichting daarmee kunnen rekenen.