37. Kerk en schare1
In een volkskerk is de schare een even wezenlijk bestanddeel als de gemeente. Met gemeente bedoel ik nu dat deel der volkskerk, dat in een bewuste en actuele verhouding tot de ambten staat. Het zijn de mensen in wier leven een predikant, een ouderling of diaken een factor is, die meer of minder meetelt. Deze kring is nu in heel veel gevallen klein in vergelijking met wat ik hier de schare noem. Dat is die massa of menigte, die in haar geheel wel bij de kerk behoort, maar waarvan de individuen niet tot gemeentelijk leven zijn ontwaakt. Opzettelijk spreek ik hier van schare en niet van massa.2 Massa is een term uit de moderne sociologie. De massa heeft haar eigen psychologie, haar eigen suggestie, haar eigen actie. Ze is positief geladen. Men heeft moeite om die lading in verband met de kerk te denken. Bij de schare is dat anders. Noemt men haar, dan denkt men aan Jezus. Ze kent de wet niet (Joh. 7:49), maar zij kan het Evangelie leren. In haar ligt een groot stuk mogelijkheid der kerk en in haar midden heeft de prediking haar loop begonnen. Ze was er eer dan de gemeente! Bij de kerkhervorming heeft Luther daarom nooit recht tot gemeente-vorming durven overgaan. Hij zag de kerk tot op zekere hoogte als een samenvoeging van Woord en schare.3
Dat er een schare achter de gemeente staat, heeft de kerk meestal als een voordeel, althans als een roeping opgevat. Het spant haar werkkracht, het scherpt haar verantwoordelijkheidsbesef, het geeft haar kansen. Het heeft haar vaak een gevoel van tekortkoming bezorgd, soms tot wanhoop gestemd, maar ze heeft het bestaan der schare toch steeds positief gewaardeerd. De pastor was blij dat er achter de gezinnen waar hij kwam, anderen waren waar hij kon komen. In de uiterlijke band met de kerk was een aanknopingspunt gegeven en daarin lag het resultaat van de arbeid veler eeuwen in latente vorm nog gebonden. Dit los te laten scheen gelijk te staan met het bouwen van een huis in een moeras, als men de gelegenheid had de eerste steen op een flink fundament te leggen.
De kerk heeft ook nooit anders gedacht of ze zou de schare steeds achter de gemeente behouden. De mogelijkheid van evangelisatie zou altijd blijven. Ze kon veronachtzaamd, uitgesteld, afgesteld, maar nooit geheel verdwijnen. Er zou altijd een schare in de kerk blijven. Dat de schare massa kon worden, positief geladen, positief in actie, tegen de gemeente, tegen het Evangelie, ja, daarvan had de kerk tot heden misschien wel enige partiële ervaring. Het was mogelijk gebleken in de gemeente het licht van de kandelaar te nemen.4 Maar in heel veel, de meeste gevallen ging de massa toch weer in schare over en de kerk kon haar weer opnemen in de omtrek, het voorhof rondom de gemeente.
Dat zij er niet op rekenen mag dat dit altijd zo blijft, dat hebben de laatste maanden ons geleerd. Niet de gebeurtenissen in Rusland hebben het bewezen. Die herinneren aan de eerste eeuwen der kerkgeschiedenis. Maar het is nu mogelijk gebleken, door de gebeurtenissen in Duitsland, dat de schare de gemeente overweldigt.
Er is in dit blad (Christendom en cultuur, nr. 37)5 op gewezen dat deze mobilisatie van 'fatsoenschristenen' ons doet zien, hoe onverantwoordelijk de Duitse kerk handelde toen ze maar ieder als lid aannam die een bepaalde leeftijd had bereikt.
Nu moge de leeftijdsgrens bij de aanneming hier van invloed zijn, principieel verschil wordt er niet door geschapen. En ook al zit er in de calvinistische kerken meer gemeentevormende kracht dan in de lutherse, ze kennen toch dezelfde moeilijkheden en staan aan dergelijke gevaren bloot. Het is in iedere volkskerk denkbaar dat de schare de wet der gemeente verzet.6 En daarmee moet van dit ogenblik af ernstig rekening worden gehouden. De kerk is een stad die door haar eigen inwoners kan worden ingenomen.
Zal ze zich nu van haar 'fatsoens'-leden moeten trachten te ontdoen? Zal ze een concentratie moeten volbrengen waarbij de schare wordt buitengesloten? Geen lezer van het Nieuwe Testament zou die vraag bevestigend durven beantwoorden. Een kerk die de apostolische zending verloochent heeft opgehouden een christelijke te zijn. Luther en Calvijn hebben dat beiden zo opgevat. Waar geen schare is, is ook geen Evangelie.
En toch roept de wanverhouding, die er is tussen centrum en periferie, tot bezinning. De kerk heeft wel eerder voor dergelijke vragen gestaan. In de eerste eeuwen schiep ze het boetesacrament, om zich de menigte te assimileren. Toen gold het de instromende schare. Voor ons scheen het tot voor korte tijd een kwestie van uittocht. Wij weten nu dat beide in elkaar kunnen overgaan. Dringender dan ooit is het probleem van kerk en schare gesteld.
Het kan van allerlei kanten bezien worden. Maar heel sterk dringt zich ook deze vraag naar voren: Mag de kerk bij haar organisatie alleen denken aan de gemeente en moet ze ook niet met de schare rekenen? Mag ze doen alsof er alleen mensen bestonden die tot de ambten in een regelmatige betrekking staan en alsof er geen anderen waren bij wie dat niet het geval is? Mag ze dat doen, vooral in een tijd waarin haar toekomst veel meer met de laatsten dan met de eersten schijnt samen te hangen? Mag de kerk ooit vergeten dat ze een apostolische was, voordat ze een episcopale en een presbyteriale was?
De apostolische organisatie der kerk was van Jezus zelf en daarbij valt al het gewicht op de schare. We lezen ervan in Mattheüs 10 en elders. Indien ooit, dan is het nu wel de tijd om zich af te vragen of er naast onze presbyteriale kerkvorm, die de bewuste gemeente dient, geen plaats is voor instellingen daaromheen die kunnen helpen om die grote groepen voorlopig in te delen, die los met de kerk samenhangen. De mening dat het wel geoorloofd is de gemeente te organiseren, maar de schare niet, lijkt mij niet schriftuurlijk. Jezus heeft ze ingedeeld naar het getal van zijn jongeren.
Dat Luther kerk en schare, kerk en staat, als twee elementen onbemiddeld tegenover elkaar liet bestaan, wreekt zich thans.
Calvijns kerken konden Veel meer orde onder de menigte scheppen; een stuk eigen, christelijke levensvorm. Maar deze grijpt thans niet ver genoeg meer in. De kerk heeft een completering van haar bewerktuiging nodig. De eis dat de menigte vormloos moet blijven tot ze geheel rijp is voor gemeenteleven, behoeft niet gesteld te worden. Het ligt in de lijn van het Evangelie haar voorlopig apostolisch in te delen, in de naam van Jezus. Het verschil tussen schare en massa bestaat juist daarin dat de laatste niet niet het christelijk vormbeginsel in aanraking komt, de eerste wel. Dat het vermogen van Calvijns kerkidee zou zijn uitgeput, weiger ik te geloven. Maar dan moeten wij ons op de gemeentevorm niet blind staren. Want dan gaan wij dezelfde weg als de Duitse kerk ging. Tegenover de huidige situatie valt het verschil in macht tussen het calvinistische gemeente-principe en dat van Luther wel niet geheel weg, maar geeft toch geen voldoend perspectief. Nodig is een uitbouw7 van de gemeentelijke inrichting, waarin de schare meer betrokken is dan tot dusverre.