O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← 37. Kerk en schareInhoud39. De kerk in 1935 →

Verzamelde Werken, deel 5 · p. 249–255

38. Terug tot de kerk1

op verzoek van de redactie ga ik hier iets zeggen over wat men de achtergrond zou kunnen noemen van de voorstellen, die de Vereniging Kerkopbouw bij de synode heeft ingediend en waarover prof. Brouwer in het nummer van 4 nov. jl. een beschouwing gaf.2 Ik wil trachten iets aan te wijzen van de hogere noodzaak die bepaalde groepen in onze kerk achter deze plannen heeft samengebracht. Wanneer het niet gelukt daarop een beroep te doen, dan zullen wij ze niet kunnen verdedigen.

Uit een oogpunt van kerkelijke politiek gezien, staan de kansen van het ontwerp niet gunstig. De verschillende partijen in de gemeente hebben tientallen van jaren een eigen leven geleid. Zij hebben eigen verenigingen, eigen bladen, eigen bedoelingen. Het is geen wonder dat ze elkaars bewegingen nauwkeurig gadeslaan en iedere verandering in het kerkelijk veld met een zeker wantrouwen opmerken. Ze zijn in hun strijdwijze en organisatie voor een goed doel verpolitiekt en men ziet niet in hoe ze het ooit eens zullen worden over een wijziging in de kerkorde. Men is bang overvleugeld te worden en wat men als meerderheid aandurft, zou men als minderheid misschien verwerpen.

De opstellers van de bedoelde voorstellen hebben dan ook geen ogenblik gedacht dat zij de partijen zo netjes aaneen zouden kunnen krammen of lijmen, dat de figuur van een ware kerk ontstond. Ze hebben zich iets anders voorgesteld. - En nu leg ik mijn beide handen plat op de tafel waaraan ik zit te schrijven. Ik probeer ze zo op elkaar te leggen dat ze elkaar precies bedekken, maar het lukt mij niet zolang ik ze in het vlak van de tafel houd. Maar nu draai ik ze in de ruimte, de ene naar rechts, de andere naar links en zie, nu kan ik ze tegen elkaar leggen. Ineens zie ik waarom de handen zo geschapen zijn: anders zouden wij niet kunnen bidden.3

Iets van die hogere noodzaak zit er ook achter ons partijwezen. Het is een verdrietig ding dat het zo slecht boteren wil in de kerk. Maar het zou nog erger zijn als het mogelijk bleek onze overtuigingen in het platte vlak dezer wereld op elkaar af te passen. Dan zouden wij nooit weten wat het woord kerk betekent. Kerk is geloofsruimte en pas als onze meningen zich daarin gaan bewegen, ontstaat de mogelijkheid van samenstemming, belijdenis. Belijdenis is de hoogste functie der kerk.

Door heel uw kerk wordt steeds, daar boven hier beneden in strijd en zegepraal uw grote naam beleden.4

Degenen die herstel of opbouw der kerk zoeken beseffen dan ook wel dat het er op aan komt, deze ademhaling der gemeente weer op te wekken. Maar dan weten ze meteen dat ze daartoe zelf niet in staat zijn.

Waar men het oor dan ook te luisteren legt, hetzij dr. De Vrijer schrijfta in Amsterdam of Emil Brunner spreektb in Zürich,5 overal hoort men een 'veni creator Spiritus': Kom o Geest en Schepper! En waar men de mensen bezig ziet in Kerkherstel of Kerkopbouw, altijd ziet men enige richtingen zich verenigen, om, met voorlopige terzijdestelling van de confessionele verschillen, te trachten met elkaar in zuiverden kerkformatie te komen.

Men voelt de behoefte aan beweging des geestes in de geloofsruimte, waar men het belijden weer kan leren.

Dat is van grote betekenis. In het partijvlak is dat onmogelijk en in de vak-theologie ook. De één probeert het geloof van de natuurwetenschap uit op te bouwen, een ander zoekt een evangelie uit de psychologie op te delven, een derde filosofeert het bijeen, weer een ander maakt er een verzetje van. En nu komt er de laatste tijd ook nog een evangelie bij, dat van staatswege wordt voorgeschreven.6 Het is geen wonder dat het verlangen naar een echte kerk weer hier en daar ontwaakt, waar men een geloofsbelijdenis maakt onder het spreken van de Twaalf artikelen, het bidden van het Onze Vader of het zingen van gezang 3.

Dat wil daarom niet zeggen dat de partij-mentaliteit al zou zijn afgelegd en dat men partij-overwegingen geheel op stal gezet zou hebben. Men behoeft maar een vinger in de as te steken, zoals ik dezer dagen merkte, of de vonken vliegen u om de oren.7 Maar dat schaadt niet. Maakwerk mag het toch niet zijn. In Kerkopbouw zijn wij er van 't begin af aan van uitgegaan dat dat niet mocht wezen.

De gedragslijn, om de confessionele verschillen voorlopig uit te schakelen en eerst de mogelijkheid van een kerkelijk oordeel te scheppen, is al ongeveer vijftig jaar bekend. De tijd van de grote confessionele conflicten ligt voor 1886. Daarna komt de kerkinrichting zelf aan de orde. Het verlangen naar een apostolische verdieping van de kerkidee ontwaakt. Het is wonder hoe mijn leermeester Gunning, de vroegere Amsterdamse hoogleraar, met zijn fijn bewerktuigde kerkelijke ziel, omstreeks 18908 reeds heeft doorleefd wat de tijdsomstandigheden ons, de zoveel aardser geesten, hardhandig aan den lijve tot bewustzijn brengen. Nu beginnen meerderen het te merken dat de kerk wel eens de ark zou kunnen worden, die ons drijvende moet houden op de komende vloed. Men onderzoekt haar gebinten en inspecteert de naden, zoals vader Noach dat deed. Dat is geen grote verdienste als men het zo laat merkt. Maar het is toch beter laat dan nooit.

Het naaste voorbeeld in deze zin heeft Kerkherstel ons gegeven. Men sprak daar af de onderlinge dogmatische verschillen in het Verbond niet op te rakelen, maar van de kerk uit te gaan en alle kracht en aandacht op dat éne punt te richten. Het uitgangspunt van Kerkopbouw is niet zo exclusief geweest. Men stelde daar vijftien punten,9 waarvan de reorganisatie der kerk er slechts één was. Maar de wijze waarop dat laatste naar voren komt, spreekt boekdelen.

Dat dit punt slechts één is onder veertien andere heeft overigens zijn goed recht Het toont dat voor ons de kerkorde-vraag gecompliceerder is dan voor Kerkherstel. Wij zien de confessionele verschillen niet over het hoofd, zoals men ons verwijt. Onze poging tot oplossing is daardoor veel minder simplistisch dan die van Haitjema c.s. in 1929. Wij menen dat de geestelijke nood sterker moet meespreken bij de beschouwing der kerkorde dan daar het geval was. Daarom hebben wij getracht, voor zover dat bij reglement mogelijk is, ruimte te scheppen voor de ware functie der kerk, de confessie. Wij zijn verder uit het partijvlak gekomen, waarin de beslissing uitloopt op een mechanische handeling, de hoofdelijke stemming. Wij hebben enige breed-katholieke vooronderstellingen laten meespreken, zonder welke de geest geen gelegenheid heeft zich liturgisch te bewegen in de belijdenis, zoals mijn handen de ruimte nodig hebben om zich te vouwen tot gebed.

1110

De kerk is een geloofsruimte. Wanneer er terugkeer tot de kerk zal zijn, dan zal het er vooral op aankomen dat wezen van de kerk goed te zien. Wanneer de mensen haar zo niet leren kennen, zal men ze met geen stok naar de kerk terug kunnen drijven. Ook niet als men die met driedubbel fluweel bekleedt. Het is nog net als in de dagen van Noach. De mensen bedanken er voor om het vrije veld van hun natuurlijk leven te ruilen voor een bedompte ark, waar men de ruimte moet delen met ossen en ezels. Alleen degenen die de dreiging der wereld zien en in de profetie geloven, zullen blij zijn er een plaatsje te krijgen. Wij hebben geen kerk voor rasverbetering, met een Ariër-paragraaf.11 De kerk wil ook geen departement voor hogere cultuurwaarden zijn, een 'mooie kamer' in ons staatkundig woonhuis. Ze is er om onze ziel te behouden van het verderf. Het is een plaats om te geloven en niets anders. Wie kans ziet een ondergaande stad te verlaten, zal graag genoegen nemen met een staanplaatsje in een goederenwagen.

Het grote wonder is dat zonder deze engten des geloofs alle ruimten der wereld er niet zouden zijn. Zonder dat zonderlinge samenraapsel van mensen en dieren, dat in de geloofsruimte van Noach bijeenkwam, zou de wereld nu een eenzame woestenij zijn, waar geen rassenvraagstuk bestond en waar voor een onkerkelijk mens op de zondag in het bos geen vogel zou fluiten. Hoe onwaarschijnlijk dat ook klinkt, het is een waarheid die wij evengoed bij Galsworthy12 kunnen aantreffen, als hij de toekomstverwachting van de moderne mens ontleedt, als we haar vinden in het oude boek dat wij bijbel noemen.

Met dat noodkarakter van de kerk moet bij haar organisatie rekening worden gehouden. De kerk heeft zulke onwaarschijnlijke leden, dat, zoals Augustinus zegt, er altijd schapen buiten- en wolven binnengesloten13 worden bij iedere menselijke poging om de goede Herder te helpen de deur van de schaapskooi te bedienen. Dat mag er ons niet van afhouden een zekere kerkvorm in te stellen. Maar de eigen aard van de zaak waarmee we ons dan bezighouden mogen wij niet uit het oog verliezen. De deur van een kathedraal ziet er nu eenmaal anders uit dan die van een hondehok. Een geloofsruimte kan men niet op dezelfde manier op slot doen als een bergplaats van brandstoffen. De kerkvraag eist een eigen behandeling. En het kerkrecht brengt een aantal kwesties met zich mee die men uit het corpus juris, waarin de advocaten studeren, niet kan toelichten. Ze zijn canoniek. Dwz. ze eisen kerkelijke bezinning en moeten aansluiten bij onze geloofsbelijdenis. Ze horen bij het dogma: de Drieëenheid en de praedestinatie.

Luther dorst er daarom nauwelijks aan te beginnen. Hij vond dat het eigenlijk te veel van een mens gevraagd was om hier regels op te stellen. Dat moest God maar doen; hij voor zich wou het bij preken laten. En als er dan toch wat gebeuren moest, dan moest de politieke overheid er maar orde op stellen. Dan wist men tenminste dat het maar gebrekkige noodmaatregelen waren. Wij, gereformeerden, volgen, al is het met vreze en beven, een andere gedragslijn. Wij gaan niet zover als de roomsen, die de kerkelijke regels ongeveer gelijkstellen met de geloofsleer. Maar wij hebben toch wel oog voor de verwantschap tussen beide. En het is deze typisch-gereformeerde trek, die thans in de nood der tijden zich laat gelden. Het is een tijdvraag van de eerste rang, welke regels er moeten gelden ten opzichte van kerkorganisatie. Die kwestie is niet alleen aan de orde in strikt kerkelijke kringen. Men kan ze evenzeer besproken vinden in periodieken die voor algemeen-christelijke kringen als orgaan dienen. Ik denk aan een mooi artikel in Eltheto van oktober 1933, van de voorzitter der Wereldfederatie van Christelijke Studenten Verenigingen, Francis P. Miller. Als taak van deze generatie noemt hij 'het lichaam van Christus in menselijkevorm op te bouwen'.14

Met al deze dingen hebben de voorstellen van Kerkopbouw rekening willen houden. Dat het boven onze macht ging om een ideaal-kerkorde op te stellen, weten wij heel goed. Wij hebben alleen maar getracht een aantal wijzigingen van het bestaande uit te werken, die ons voorkwamen rekening te houden zowel met de gegeven werkelijkheid als met het karakter van wat ik de geloofsruimte noemde, de plaats waar Gods Woord gepredikt wordt aan mensen die het inwendig of uitwendig niet breed genoeg hebben om er niet naar te willen luisteren.

Een kerkorganisatie is een noodinstelling, of ze is geen kerkinrichting. Een kerk, die te rustig en te zeker zich inricht, kan Christus' lichaam niet zijn. De breed-katholieke vooronderstellingen, waarover ik sprak in mijn vorig artikel en waarvan wij wilden uitgaan, willen niet ontleend zijn aan de toestand van de wereld, ook niet van de 'gelovige' wereld, maar ze willen op de zondige mensheid toepasselijk zijn. De kerk mag niet zo voorzichtig zijn dat zij het gevaar van ketterijen en misstanden ontloopt. Zonder ketterijen krijgt ze geen dogma en zonder misstanden geen heiligheid. Hoedemaker was gewend te zeggen: "God beware ons voor een orthodoxe synode." In de twintigste eeuw moeten wij dat zo vertalen: "God beware ons voor een orthodoxe kerk."15

De kerk mag echter ook niet transigeren met de waarheid. In alle dingen is ze vrijgevig, maar bier niet. Voor haar moet de leer met het sacrament overeenstemmen. Haar waarheid is een licht voor de eenvoudigen.

"Wat reden valt hieruit te delven?" Uit deze tegenstelling? Een gemakkelijke reden is het niet. Ze is zó moeilijk dat Luther, met het roomse gevaar voor ogen, het opgaf. De wereldnood drijft ons echter de gereformeerde kant op. De taak van deze generatie schijnt te zijn: "het lichaam van Christus in menselijke vorm op te bouwen." Maar zulk een menselijke vorm zal aan alle kanten de tekenen van haar voorlopigheid aan zich dragen. Zij moet boven zichzelf uitwijzen. Ze is een nood-getimmerte.

In ons ontwerp komt op allerlei wijze uit dat wij daarmee rekening hebben gehouden. Wij menen dat het niet mogelijk fs een gereedliggende kerkorde weer 'in te voeren'. Wij hebben aan het dynamisch karakter van de katholiciteit en van de orthodoxie uitdrukking gegeven door het rustige, territoriale karakter der plaatselijke gemeente en van de algemene kerk beide halverwege op te heffen in haar zendingskarakter. Dat er van die nette, geografisch met de burgerlijke gemeente samenvallende kleine staatjes zijn, die men plaatselijke kerken noemt, weten wij wel. Dat daar partijen bestaan precies zoals op politiek gebied, weten wij ook wel. Maar wij zien niet in, hoe uit een klein oorlogje in dit platte vlak een kerkelijke belijdenis geboren kan worden. Daarvoor hebben wij de noodruimte, de geloofsruimte nodig, waarin twee ongelijke handen elkaar vinden in het gebed.16

Daarom hebben wij zowel voor de plaatselijke kerk als voor de algemene kerk, in huisgemeente en brede synode, ons een instelling gedacht, waarin dit nood- en geloofskarakter der kerk tot uitdrukking komt. Ze maken de kerk losser van de grond; ze maken haar minder plaatselijk. De huisgemeente is een arkje of barkje, dat vrij los in de kerkelijke wateren drijft en waarin wij de mensen willen nodigen binnen te gaan. Het is, zo men wil, een bootje waarmee men kan rondvaren om drenkelingen op te pikken.

De brede classicale vergadering en de brede synode heft het plaatselijke, politieke aanzien der kerk eveneens ten dele op. Deze instellingen organiseren de zendingskant van de kerk. Niet de plaatselijke gemeente, maar de zendingsgemeente. Ze dienen voor de belijdenis met het oog op de wereldnood en verenigen in haar vergaderingen actieve leken in de kerk, zonder te letten op stad of dorp waar ze wonen. Ook dit instituut drijft op geestelijke wateren.

Dat dit alles een regeling van de kerkelijke tucht nodig maakt, spreekt wel vanzelf. Wanneer de kerk een bijwagen is op het politieke spoor, als ze geheel plaatselijk zich openbaart, dan kan er storing zijn zonder dat het geheel in de war raakt. Maar als ze een zelfstandige, geestelijke verschijning zal zijn, als symbool van de wereldnood, drijvende in de geloofsruimte, dan moet haar reddingswerk wel goed geregeld zijn. Maar tegelijk zal dan ook de tucht een karakter moeten dragen dat daarbij past. Ze zal niet zonder meer ontleend kunnen worden aan een kerkorde die aan de plaatselijke gemeente is aangemeten.

Dat dit het karakter der kerk is, hebben wij nog pas herdacht. Christus is geboren in een stal, waarin hij de noodruimte heeft gedeeld met os en ezel, evenals Noach op de vloed.

Voetnoten

  1. a

    WNHK. 17 (5.10.1933) nr. 38: M. J. A. de Vrijer, Het probleem der onkerkelijkheid.↩

  2. b

    Die Christliche Welt, 47 (21.10.1933) nr. 20: E. Brunner, Über den Staat als Problem der Kirche.↩

Eindnoten

  1. 1

    Hervormd Amsterdam, 1 (30.12.1933) nr. 19. Over dit blad en de Amsterdamse Vereniging van Hervormden, waarvan het het orgaan was, zie n. 24.2 en 37.1, 2.↩

  2. 2

    Titel artikel: Reorganisatie-voorstel van KO. 1 (4.11.1933) nr. 15. Beknopt typeert Brouwer daarin de huis- of hulpgemeente aldus: "Van de mens uit gezien staan deze kringen op het standpunt der aspiratie, terwijl zij door de kerk moeten worden gezien in het licht van Gods verbond." Voor 'aspiratie' zie n. 31.20.↩

  3. 3

    Zie n. 35.5; nr. 43, p. 288.↩

  4. 4

    Evangelische Gezangen, nr. 3; Liedboek der Kerken, nr. 399 : 2.↩

  5. 5

    B. bepleitte een kritische houding tegenover de staat. Tot slot: een nieuwe uitstorting van de Heilige Geest is nodig, want Jezus Christus is het laatste woord in de bezinning van de kerk op de staat.↩

  6. 6

    Zie n. 26.8 sub a-d.↩

  7. 7

    N. doelt hier op zijn AWCC.-artikel Het reorganisatieontwerp van KO. Zie n. 34.14. Hierin noemt N. het modernisme 'deze natuurwetenschappelijke beduimeling van het Evangelie'. In KO. komt hij hierop terug (naar aanleiding van protesten van vrijzinnige zijde) in zijn artikel Deur en hengsel, nr. 36. Ook op de ledenvergadering van KO. van 14.11.1933 te Utrecht werden (blijkbaar kritische) vragen gesteld. Een verslag hierover in KO. van december 1933, p. 51 v.↩

  8. 8

    In 1889 werd G. professor te Leiden. De kenmerken van de hem wezensvreemde sfeer aldaar ('individualisme', 'rationalisme') hebben wellicht eraan medegewerkt zijn kerkidee contrastmatig te verwijden en te verdiepen. Vgl. o.a. De wijsbegeerte van de godsdienst uit het beginsel van het geloof der gemeente, Utrecht 1889; De eenheid der kerk, Nijmegen 1896.↩

  9. 9

    Zie n. 15.2.↩

  10. 10

    Hervormd Amsterdam, 1 (24.2.1934) nr. 23. Vervolg van Kerk en Schare (Hervormd Amsterdam, 1 (4.11.1933) nr. 15, en van Terug tot de Kerk 1 (30.12.1933) nr. 19. Men zou dit opstel ook kunnen noemen 'De ark van Noach'. Ging het de eerste keer over'de geloofsruimte', in het vervolg handelt N. meer over het 'wezen der kerk'.↩

  11. 11

    Zie n. 26.8 sub b-e.↩

  12. 12

    Kennelijk in J Forsyte Saga, die hij ook elders citeert (vgl. n. 33.16).↩

  13. 13

    "Plurimae oves foris, plurimi lupi intus." Zie n. 55.64.↩

  14. 14

    Francis P. Miller, De christelijke gemeente en de volksstaat, Eltheto, 88 (okt. 1933) nr. 1.

    "Indien in de laatste jaren van de negentiende eeuw de roepstem tot ons kwam 'to evangelize the world in this generation', dan komt nu in het midden van de twintigste eeuw de roepstem, het Lichaam van Christus in menselijke vorm op te bouwen, in maatschappelijke bewegingen en instellingen, de eeuwige waarheden van de Algemene Kerk te belichamen. Wij hebben nu allereerst behoefte aan een kleine, hecht aaneengesloten, gedisciplineerde, over de hele wereld verspreide, interconfessionele lekenbeweging van toegewijde christenen."↩

  15. 15

    Het is niet geheel duidelijk, welke 'orthodoxen' H. bedoelde. Volgens G. Ph. Scheers (Philippus Jacobus Hoedemaker, Wageningen 1939,p. 192): de ethischen, in hun minder letten op de zuiverheid van de leer. Kennelijk echter ook confessionelen van het type-Vos (zien.47.12), vgl. H.s open brief aan hem Geen verbrokkeling, maar de bekende waarheid onder ogen gezien, Sneek 1893, p. 11. Vgl. ook Scheers, a. w., p. 274. Zie ook n. 69.2. Voor N.' eigen beduchtheid voor verlies aan apostolisch elan door 'achterwaartse' gerichtheid, zie nr. 33, 34, 351, 43.↩

  16. 16

    Zie noot 3.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 37. Kerk en schareInhoud39. De kerk in 1935 →