O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← 35. Twee lezingen over Kerkopbouw – 1. Het reorganisatie-ontwerp van KerkopbouwInhoud36. Deur en hengsel →

Verzamelde Werken, deel 5 · p. 237–240

35. Twee lezingen over Kerkopbouw – 2. Wat wil Kerkopbouw?

2. Wat wil Kerkopbouw?1

Of er wat met de kerk gebeuren moet, dat is een vraag. Dát er wat met de kerk gebeurt, is geen vraag maar een feit. Rusland, Duitsland plaatsen ons voor het vraagstuk van kerk en staat.

Bij ons is het kerkelijk vraagstuk lange tijd een richtingsvraagstuk geweest. Een confessionele strijd. En dat blijft het ook wel altijd, want het gaat om de weg naar de eeuwigheid. Zijn we katholiek of ketters, gelovig of ongelovig? Maar het gaat heden ten dage ook om het bestaan van de kerk zelf. Er is uitwendige dreiging en inwendige afbrokkeling. De afbrokkeling deed ons de laatste volkstelling zien en de dreiging is slechts enkele kilometers van ons verwijderd. Maar zulke dingen zijn niet geografisch te bepalen. De dreiging2 is ook midden onder ons. Rome - Mussert.3

De vraag wordt dan: Hoe zal de kerk verder bestaan? Het is te merken dat deze vraag zich gaat opdringen. 't Is alleen een wonder dat ze het niet sterker doet. Wij leven zo snel in deze omwentelingstijd. Hoe loopt het af als de synode maar doorgaat met haar stemverhoudingen van 9 tegen 10 en 10 tegen 9?4

Twee bekende verenigingen houden zich bijzonder met het kerkelijk vraagstuk bezig: Kerkherstel en Kerkopbouw. Kerkherstel heeft in 19295 voorstellen uitgewerkt die in januari 1930 zijn verworpen. Daarin werd Voorgesteld de oude presbyteriale kerkorde weer in te voeren. De gereformeerden hebben die ook. Deze werkt van onderen op: de kerkeraad, de classis, de provinciale synode, de algemene synode. En dat geldt gelijkelijk voor de (kerkelijke) arbeid en de tucht. Alleen zouden nu - in verband met de eenheid en ondeelbaarheid van ons land - de classes de synode kiezen en de provinciale synode zou alleen administratief moeten werken. Dit voorstel wil heel sterk herstel van de presbyteriale kerkorde en het werk van Willem 1, die onze kerk een bestuursinrichting gaf, wordt dan aan de kant gezet. In 1816 kwam ook de kerk onder de staat. Dit was restauratie en een terugslag op de Franse revolutie. Zo werd de kerk echter onmondig. De school, de academie6 nam de zorg voor de leer op zich. De kerk zorgde er voor dat er gepreekt werd, niet voor wat er gepreekt werd. Zo vatte de koning de handhaving der leer op.

Kerkherstel nu wil terecht de kerk weer mondig maken en verantwoordelijk voor wat er gepreekt wordt. Daarom moet de bestuursinrichting aan de kant. De kerk moet weer besluiten kunnen nemen die niet alleen administratief zijn maar ook geestelijk.

Daarmee is Kerkopbouw het eens. Zij heeft nu eveneens een voorstel ingediend, waarin de presbyteriale kerkorde weer wordt ingevoerd. Niet precies op dezelfde wijze als Kerkherstel, maar in de hoofdzaak gelijk: kerkeraden, classicale vergaderingen, provinciale synoden, nationale synode. Men kan vragen welk verschil er is tussen de bestaande bestuursinrichting en de presbyteriale kerkorde, aangezien de kerkelijke mensen nu toch ook afvaardigen naar de vergaderingen en deze vergaderingen nu toch ook besluiten nemen. Het lijkt alsof dit zo is, maar het is niet zo. De classicale vergaderingen zijn stem-machines. Ze kunnen niet besluiten, alleen adviseren. Vroeger werd door de classes het leven beïnvloed. Men kon samen het leven reformeren. Men leze daar de Acta voor op na.

En nu de synode. onze synode is eigenlijk een administratief lichaam. Ze kan geen uitspraken doen in verband met de prediking. De pols van het christelijk leven klopt er niet zoals het op een ware synode moet zijn. Ze is een evenaar7 van negen tegen tien of tien tegen negen. De synode vertegenwoordigt het evenwicht, partij-evenwicht en verder zorgt ze dat de school voor de leer kan zorgen. Een belijdenisuitspraak is haar schier onmogelijk. Daarom zijn velen bang voor de presbyteriale kerkorde. Ze willen geen beslissingen in de kerk die geschiedenis maken. Wel evenwicht.

Zoals gezegd - Kerkopbouw gaat in zoverre met Kerkherstel samen dat ook deze vereniging in beginsel wil terugkeren tot het presbyteriale leven. Hier melden zich twee vragen: ⚑a. Is dit presbyteriale leven zomaar te herstellen en weer in te voeren?

b. Is de historische presbyteriale kerkorde in de praktijk in alle delen bruikbaar gebleven?

Met deze vragen komen wij tot de kritiek der kerkorde. Wat a. betreft: er is in onze dagen een kritische theologie. Daarnaast komt nu een kritische kerkorde te staan. Die is (trouwens) al lang aan de orde, al vijftig jaar.8 Na 1886 is dit de hervormde positie dat de kerkorde een vraag geworden is. Er is geloof voor nodig. Kerkorde is een eschatologisch begrip9 want zij hangt samen met de wederkomst van Christus. En daarom kunnen wij niet zomaar gaan herstellen. De tijden hebben tekenen, daarop moet men letten. ⚑Wat b. betreft: de presbyteriale kerkorde is niet volmaakt gebleken. Wat de tuchtoefening betreft heeft ze geen bevredigende geschiedenis. En na 1886 zucht men in de hervormde kerk naar een andere regeling: men wil niet naar Assen.10

Deze beide dingen - de kritische kerkorde en de eigen regeling van de tucht - onderscheiden Kerkopbouw. Kerkherstel wil ook wel anders dan de kerken in 1886, maar zij legt dat niet vast in de kerkorde. Het hangt daar alles af van de geest. Maar dan kunnen wij de oude organisatie ook wel houden.

Nu kom ik over de speciale punten te spreken en begin bij het hoofdthema: de regeling der tucht. Reeds in januari 1930 heb ik in het Weekblad voor christendom en cultuur als hoofdbezwaar tegen het voorstel-Haitjema c.s. ingebracht dat het tuchtprocédé niet is gewijzigd. Daar zit de zaak op vast. Daar is in 1886 het wachten op. En anders kan men zijn gading vinden bij de gereformeerde kerken, die dan wel goed werken. Wij zijn in Kerkopbouw dan ook begonnen met opzicht, tucht en kerkvisitatie. De kerkvisitatie is een oud instituut. Reeds Luther heeft er sterk mee gewerkt. Deze functie berust op persoonlijke invloed en wij meenden haar in de tuchtregeling te moeten inschuiven. Tot nu toe ontbreekt het persoonlijke element in de kerkelijke rechtspraak. Het blijft bij aanklacht en proces. Men zie het tuchtproces dat 'broeder Marinus'11 in beweging zet tegen dr. Geelkerken. Wij nu willen een kerkvisitator en moderator voor zes jaren zien benoemd. Meestal zal dat verlengd worden. Deze maatregel brengt een persoonlijk element in de tucht. En als het werk van deze kerkvisitator niet lukt, dan moet er tenslotte een proces komen.

Men heeft bezwaar tegen de duur van deze functie. Maar anders (bij een kortere benoeming) gaat het persoonlijke weer verloren en het wordt te politiek. De gereformeerde kerkorde (de kerkorde van de gereformeerde kerken) staat in gevaar te verpolitieken. Politiek en belijden lopen nergens zo ineen als bij de gereformeerden. Zelfs hun theologie dreigt te verpolitieken. In Kerkherstel wil men wel een tussen-instantie, maar niet als ambt.12 Ook wij willen een dienst, maar ambt en dienst waren vroeger één ding. Laten wij het behulpsels noemen.

Een tweede belangrijke zaak is de huisgemeente. Het richtingsvraagstuk is geen kleinigheid. Hier hebben wij weer de kwestie van politiek en kerk. Tucht en richting hangen nauw samen. Als men mensen in Kerkherstel vraagt: wilt ge alle vrijzinnigen de kerk uit hebben? dan zeggen ze: neen!, maar zij willen wel orde op de prediking stellen. Wij willen dat ook. De kerk moet beslissen wat er gepreekt wordt en niet alleen dat er gepreekt wordt. Maar de kerk is met dit probleem niet in het reine als zij er alleen maar voor zorgt dat er (op een bepaalde wijze) niet gepreekt wordt. En daar kan het licht op neerkomen. Daar zorgt bisschop Müller13 ook voor. Dat kunnen zes hitlerjongens met stokken ook doen!14

Nu wil ook ik wel zeggen: dat er niet gepreekt wordt, daar moet soms voor gezorgd worden. Wij zijn hier op deze aarde en wij zijn ook stoffelijke wezens. Wij gebruiken daarom ook uitwendige middelen,15 al zijn het geen stokken. Maar wij moeten er toch wel terdege aan denken dat wij in de kerk zo weinig mogelijk met de stok werken. Kerkherstel roept: de zuivere Evangelieprediking moet veilig gesteld. Maar het is niet zo gemakkelijk te zorgen dat er werkelijk gepredikt wordt als om te zorgen dat er niet gepreekt wordt. Deurwachter zijn in de kerk is geen geringe zaak. De deur in een kathedraal ziet er anders uit dan die van een hondehok. Men doet ze ook niet op dezelfde wijze open en dicht als de deur van een bewaarplaats van brandstof. Het zijn allemaal geen Petrussen die met sleutels zwaaien. Buitensleutels gaan makkelijker dan binnensleutels en daaraan dacht Kerkopbouw bij de huisgemeente. Ze tracht de kerkdeur zo te laten draaien dat de mensen binnenkomen en niet buiten. De huisgemeente gaat uit van de richtingen (het richtingsprobleem) der negentiende eeuw. Maar ze blijft daarbij niet staan. De eeuwen kruien. We denken aan een huisgemeente bij minstens éénderde van de lidmaten der gemeente of bij minstens tweehonderd lidmaten. We moeten erkennen dat de richtingstrijd ook ontstaat door psychologische verschillen. En dat er ook een 'zendingsgemeente' in de plaatselijke gemeente kan zijn.16 Dit alles met het oog op de nood des tijds.17 Hiertegen heeft Kerkherstel het meeste bezwaar. Kerkherstel vreest dat het richtingswezen in de kerk dan gereglementeerd wordt. Maar in de huisgemeente die ons voor ogen staat worden doop en avondmaal niet bediend. Wilde evangelisaties moeten komen onder toezicht van het classicaal bestuur. De plaatselijke gemeente wordt niet gesplitst. De belijdenis der huisgemeente moet overeenstemmen met art. 1 en 2 van het Algemeen Reglement,18 zodat er opzicht en kerkelijke leiding mogelijk is. Ons voorstel is op insluiting aangelegd, waar uitsluiting niet gewenst of onmogelijk is. Het is vissen met het net.

Tenslotte pleiten wij voor de brede classicale vergadering en de brede synode (art. 54 en art. 68). De kerk wordt zo weer een belijdende kerk. Ook een in allerlei commissies werkende kerk.19 Men late dit voorstel niet stranden op een zekere vasthoudendheid.20 't Is een kans die niet gemakkelijk terugkeert.

Eindnoten

  1. 1

    Het manuscript bevat geen aanwijzingen waar en wanneer de lezing gehouden is. In elk geval moet dit zijn geweest na oktober 1933, want het KO.-ontwerp is reeds ingediend bij de synode en vóór juli 1934, want een behandeling door de synode, zij het ook in eerste aanleg, wordt niet vermeld. Misschien was het te Groningen, waar N. ong. november 1933 over het KO.-voorstel sprak blijkens KO. 2 (dec. 1933) nr. 8, p. 55. Uit de discussie blijkt dat de oppositie vooral van KHe.-zijde kwam, zie noot 20. Het niet geheel in volzinnen uitgeschreven manuscript is aangevuld door de redactie. Vanwege de overeenkomst in tijd is deze lezing onder één nummer met de voorafgaande afgedrukt.↩

  2. 2

    Zie voor Rome als potentiële politieke dreiging: nr. 85.↩

  3. 3

    A. A. Mussert (1894-1946) richtte eind 1931 de NSB. op, die toen nog algemeen fascistisch was en nog niet geassimileerd aan Hitlers beweging met zijn van meet af uitgesproken rassenleer en antisemitisme. Toen Musserts beweging nog minuscuul was. doorzag N. er reeds kennelijk het gevaar van.↩

  4. 4

    Zie n. 1. 13.↩

  5. 5

    Zie n. 14. l; 14.17.↩

  6. 6

    Zie n. 34.5.↩

  7. 7

    Zie voor dit beeld nr. 1 4.↩

  8. 8

    In de nrs. 14 en 22 duidt N. Hoedemaker aan (naast Gunning) als een kritisch-eschatologisch theoloog in vergelijking met Kuyper. Ook daar is 1886 een scheiding van wegen. Van toen af gold niet alleen de confessionele kwestie: welke dwalingen zijn er en hoe moeten ze bestreden?, maar de voluit kerkelijke kwestie: hoe krijgt de kerk een structuur om adequaat op dwalingen te reageren?↩

  9. 9

    Vgl. ook hier nr. 14.↩

  10. 10

    De uitspraak van de generale synode van Assen van de Geref. Kerken d.d. 17 maart 1926 waarbij dr. J. G. Geelkerken c.s. uit hun ambt ontzet werden op grond van 'scheurmaking' en 'verzet tegen kerkelijke vergaderingen'. G. had een verklaring niet willen ondertekenen, waarin de eigenlijke, letterlijke zin van de in het paradijsverhaal genoemde bijzonderheden (bomen, sprekende slang, etc.) gehandhaafd werd als van zintuiglijk waarneembare werkelijkheden in de zin van art. 3-5 van de NGB.↩

  11. 11

    Zie n. 22.18.↩

  12. 12

    Vgl. Het reorganisatie-ontwerp van 'Kerkopbouw' beoordeeld, uitg. Hoofdbestuur van het Ned. Herv. Verbond tot Kerkherstel, Wageningen 1934, p. 25-29.↩

  13. 13

    Zie n. 26.8 sub d, g.↩

  14. 14

    Zie n. 46.9.↩

  15. 15

    Zie n. 30.61.↩

  16. 16

    In deze twee zinnen vat N. de drie motieven voor de huisgemeente samen: l. de richtingen, 2. de psychologisch-sociologische ordoïde groepen, 3. de zending. Voor huisgemeente, zie bijlage 2c.↩

  17. 17

    Titel van een veelgelezen boek van W. J. Aalders, dat toen juist verschenen was (Leiden 1934).↩

  18. 18

    Zie bijlage 2c.↩

  19. 19

    Immers door de inschakeling van o.a. de zending en de huisgemeenten. Voor art,52/54/68 vgl. bijlage 2c.↩

  20. 20

    Uit N.' summiere aantekeningen op p. 19 van zijn manuscript blijkt, dat in de nabespreking de discussie vooral gevoerd is over de classicale verantwoordelijkheid voor de huisgemeente; ook over de vraag op welke wijze de huisgemeente een onderdeel kon zijn in het leven van een belijdende volkskerk. Ook moest N. ingaan op de vraag of art-1 ontwerp-KO. toch niet een belijdenis moest genoemd worden. Er zaten kennelijk KHe.ers in de zaal.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 35. Twee lezingen over Kerkopbouw – 1. Het reorganisatie-ontwerp van KerkopbouwInhoud36. Deur en hengsel →