34. Het reorganisatie-ontwerp van Kerkopbouw1
Dezer dagen verscheen dit ontwerp.2 Mij is gevraagd het in dit blad met enkele beschouwingen bij het publiek in te leiden. Gaarne voldoe ik daaraan, omdat ik het ontstaan van het voorstel van nabij heb gadegeslagen en met dit artikel de belangstelling hoop te wekken.
De voorgeschiedenis laat ik rusten. Als bekend mag ik vooronderstellen dat de inrichting der Nederlandse Hervormde Kerk, zoals die in 1816 door koning Willem 1 volgens een vermeend prerogatief aan de gemeenten werd opgelegd, steeds tegenspraak heeft gevonden. De Nederlandse rechter3 heeft deze 'rechtsband bij verrassing'4 erkend, al bleef de juistheid daarvan niet onbetwist.
De juridische zijde van het vraagstuk staat echter thans niet op de voorgrond. Het is de geestelijke nood die dringt. De ontstellende ontwrichting van het geestelijk en kerkelijk leven, waaraan nog pas een congres is gewijd, heeft nu ook velen die vragen van kerkorde als een onverschillige zaak beschouwden wakker geschud.
De organisatie van 1816 past niet bij een gereformeerde kerk. Ze is met de oostenwind der restauratie, na de napoleontische oorlogen, hierheen gekomen en draagt de sporen van lutherse herkomst. Zij stelt regel op het bestuur maar geeft geen leiding aan de belijdenis. Er wordt goede orde rondom de pastorale prediking geschapen, maar voor de confessie der gemeente in woord en daad is weinig gelegenheid. De zorg voor de zuiverheid en de samenstemming der Evangelieverkondiging is aan de academie overgelaten,5 met het bekende gevolg. Dit wordt steeds meer als een misstand gevoeld. De nood der tijden maakt het straks ondragelijk.
Tot nog toe hebben alle pogingen om daarin verandering te brengen gefaald. Het wezen onzer kerkinrichting is evenwicht en naarmate zij minder steun vindt aan de bodem der werkelijkheid, wordt de verstoring daarvan een groter waagstuk.6 De gemeentelijke kernen zijn steeds meer ingekrompen en door het geïsoleerd-raken der predikanten7 is de belijdenisvraag tot op zekere hoogte een academische kwestie geworden. Zo is er een kerkelijke burgerij ontstaan, waar binnen de zaak dan zou moeten worden uitgevochten. De opstellers van het ontwerp menen dat dit het einde der Hervormde Kerk zou betekenen. Misschien was daarvoor vóór 1886 de basis nog breedgenoeg geweest. Maar daarna heeft God ons steeds duidelijker laten zien dat de roeping onzer kerk op andere wijze moet worden vervuld.
De Gereformeerde Kerken die op eigen gelegenheid het beloofde land zochten binnen te trekken kunnen ons daarbij ten voorbeeld dienen. Wij hebben grote eerbied voor dit kloeke kerkvolk. Maar bij hun prestaties op het stuk van belijdenis en tucht laat dit gevoel ons in de steek. In een tijd, waarin het als in oud-Israël weer gaat om Jehova of Baäl, of om kerk of staat, zoals in de eerste christelijke eeuwen, maken de beslissingen hunner synoden8 een povere indruk. Wij hebben tegen Kerkherstel dit, dat die groep nu achteraf, nadat wij een halve eeuw lang op een andere oplossing hebben gewacht, hetzelfde spoor9 wil volgen.
De opstellers van dit ontwerp hebben daarom getracht zulke regelingen voor te stellen die geschikt zouden zijn aan de belijdenis der gemeente weer een dieper klankbodem te geven. De eerste schrede daartoe is - en dat blijve voorop staan - dat wij terugkeren tot een kerkvorm die bij ons gereformeerde leven past. Wij moeten verlost worden van een bestuursinrichting die ons onder de kerken van Calvijn isoleert. Wij willen weer als broeders van hetzelfde huis op onze synoden met God en ons geweten te rade gaan over wat wij te belijden en te beleven hebben.
Maar uit onze ballingschap teruggekeerd, zouden wij daar liefst niet tevergeefs geleefd hebben. Wij hebben daar onze kerk-ziener Ezechiël-Gunning10 gehad en met zijn profetisch woord wensen wij te rekenen. Daarom kunnen wij niet adviseren de presbyteriale kerkorde nu, in de twintigste eeuw, op een der kritiekste ogenblikken van de wereldhistorie, ongewijzigd weer in te voeren. Haar verburgerlijking zoeken wij tegen te gaan door een uitbouw van de gemeentevorm en een verbreding van haar synodaal beraad, waardoor het apostolisch karakter der kerk beter tot uiting kan komen. En het gevaar dat belijdenis en tucht een doctrinair karakter krijgen trachten wij te verminderen door een regeling die bedoelt de oud-kerkelijke bisschoppelijke gezindheid11 aan te kweken. Wij dopen dus als 't ware de kerkorde weer in de katholieke geest.
Daartoe doet het ontwerp in hoofdzaak drie voorstellen. 1. Het adviseert om de in- en uitwendige zending, in de breedste zin genomen, in het synodale overleg12 te betrekken, zonder dat de zelfstandigheid van die arbeid daarbij behoeft te worden prijsgegeven. De onderlinge doordringing van kerk en zending is feitelijk reeds aanwezig. Hier wordt nu, met behoud van wederzijdse organisatie, een regeling voorgesteld, waarbij die ook rechtens zou bestaan. Naast de gewone classicale vergadering zou dan een bredere komen te staan en evenzo bij de Algemene Synode, eens in de drie jaar, een nog algemenere. Dit zou intensiever kerstening van velerlei sociale arbeid ten goede komen en in de kerk zouden reeds daardoor de vragen van belijdenis en tucht, die in de zending toch ook aanwezig zijn, veel breder uitstoelen.
2. Wij stellen voor om, op bepaalde voorwaarden, waaronder ook de instemming met de doelstelling der kerk, de vorming van huis- of hulpgemeenten13 mogelijk te maken. Zij kunnen, als daartoe 'ernstige gronden' aanwezig zijn, uit leden van een plaatselijke gemeente worden gevormd. Doop en Avondmaal mogen daar niet bediend worden. Ook hier is er aansluiting aan en ordening van bestaande toestanden. Het zijn evangelisaties die kerkelijk worden geijkt en via de classicale vergadering in het kerkelijk leven worden ingeschakeld. Het is een huiskerk, waarvan de plaatselijke gemeente door de sacramenten soortelijk onderscheiden is. Historisch houdt deze huisgemeente verband met het bestaan der zgn. 'minderheden'. Wij menen dat daarvoor thans binnen het kader der plaatselijke gemeente geen oplossing bestaat. Wij zoeken die in een toeleiding naar de algemene kerk, waarbij belijdenis en tucht geleerd moeten worden. Maar met deze uitbouw van de gemeentevorm hopen wij bovenal nieuw land te bezeilen. Ook de plaatselijke gemeente mag het initiatief nemen tot vorming van een hulpgemeente. Op die wijze zal het mogelijk zijn om zoekende zielen in de kerk, die buiten enig contact met de ambten vagabonderen, te organiseren onder voor hen aannemelijke leiding en hen langs die omweg aan het overleg en belijden der kerk te laten deelnemen. Ik denk daarbij vooral aan de vorming van nieuwe centra van christelijk leven in de grote steden, als Gods Geest de behoefte aan heiliging onder de schare wekt.
3. Daarmee zouden de vragen van belijdenis en tucht ook reeds anders zijn gesteld dan wanneer ze in de overgeleverde richtingstrijd moeten worden opgelost. De kwesties van het modernisme, deze natuurwetenschappelijke beduimeling van het Evangelie,14 zijn niet meer aan de orde. Ze thans nog onder de kerkelijke burgerij te willen uitvechten ware een anachronisme. De belijdenis van Christus die de kerk in onze tijd moet doen uitgaan houdt geen verband met wetenschappelijke oudheden of echtheden, maar met de oudheid van de Vader en de echtheid van de Heilige Geest, waarover de wetenschap nog nooit een woord gezegd heeft. Deze confessie kan alleen uit de mond van armen en kinderen geboren worden; uit de nood en het verlangen der wereld.
In verband daarmee bevat ons voorstel ook een nieuwe regeling voor opzicht en tucht. Daarbij is weer gebruik gemaakt van een bestaand instituut, dat der kerkvisitatie. Hierdoor hebben wij getracht een middel te scheppen om de voortvarendheid en de animositeit van het presbyteriale leertuchtproces te temperen door episcopale geest. Iedere leertuchtkwestie moet een lange weg van persoonlijke deelname doorlopen voor ze in het stadium van een synodale beslissing komt.
Moge de kerk deze voorstellen in ernstige overweging nemen.