O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← 33. Het reorganisatie-ontwerp van Kerkopbouw toegelichtInhoud35. Twee lezingen over Kerkopbouw – 1. Het reorganisatie-ontwerp van Kerkopbouw →

Verzamelde Werken, deel 5 · p. 226–229

34. Het reorganisatie-ontwerp van Kerkopbouw1

Dezer dagen verscheen dit ontwerp.2 Mij is gevraagd het in dit blad met enkele beschouwingen bij het publiek in te leiden. Gaarne voldoe ik daaraan, omdat ik het ontstaan van het voorstel van nabij heb gadegeslagen en met dit artikel de belangstelling hoop te wekken.

De voorgeschiedenis laat ik rusten. Als bekend mag ik vooronderstellen dat de inrichting der Nederlandse Hervormde Kerk, zoals die in 1816 door koning Willem 1 volgens een vermeend prerogatief aan de gemeenten werd opgelegd, steeds tegenspraak heeft gevonden. De Nederlandse rechter3 heeft deze 'rechtsband bij verrassing'4 erkend, al bleef de juistheid daarvan niet onbetwist.

De juridische zijde van het vraagstuk staat echter thans niet op de voorgrond. Het is de geestelijke nood die dringt. De ontstellende ontwrichting van het geestelijk en kerkelijk leven, waaraan nog pas een congres is gewijd, heeft nu ook velen die vragen van kerkorde als een onverschillige zaak beschouwden wakker geschud.

De organisatie van 1816 past niet bij een gereformeerde kerk. Ze is met de oostenwind der restauratie, na de napoleontische oorlogen, hierheen gekomen en draagt de sporen van lutherse herkomst. Zij stelt regel op het bestuur maar geeft geen leiding aan de belijdenis. Er wordt goede orde rondom de pastorale prediking geschapen, maar voor de confessie der gemeente in woord en daad is weinig gelegenheid. De zorg voor de zuiverheid en de samenstemming der Evangelieverkondiging is aan de academie overgelaten,5 met het bekende gevolg. Dit wordt steeds meer als een misstand gevoeld. De nood der tijden maakt het straks ondragelijk.

Tot nog toe hebben alle pogingen om daarin verandering te brengen gefaald. Het wezen onzer kerkinrichting is evenwicht en naarmate zij minder steun vindt aan de bodem der werkelijkheid, wordt de verstoring daarvan een groter waagstuk.6 De gemeentelijke kernen zijn steeds meer ingekrompen en door het geïsoleerd-raken der predikanten7 is de belijdenisvraag tot op zekere hoogte een academische kwestie geworden. Zo is er een kerkelijke burgerij ontstaan, waar binnen de zaak dan zou moeten worden uitgevochten. De opstellers van het ontwerp menen dat dit het einde der Hervormde Kerk zou betekenen. Misschien was daarvoor vóór 1886 de basis nog breedgenoeg geweest. Maar daarna heeft God ons steeds duidelijker laten zien dat de roeping onzer kerk op andere wijze moet worden vervuld.

De Gereformeerde Kerken die op eigen gelegenheid het beloofde land zochten binnen te trekken kunnen ons daarbij ten voorbeeld dienen. Wij hebben grote eerbied voor dit kloeke kerkvolk. Maar bij hun prestaties op het stuk van belijdenis en tucht laat dit gevoel ons in de steek. In een tijd, waarin het als in oud-Israël weer gaat om Jehova of Baäl, of om kerk of staat, zoals in de eerste christelijke eeuwen, maken de beslissingen hunner synoden8 een povere indruk. Wij hebben tegen Kerkherstel dit, dat die groep nu achteraf, nadat wij een halve eeuw lang op een andere oplossing hebben gewacht, hetzelfde spoor9 wil volgen.

De opstellers van dit ontwerp hebben daarom getracht zulke regelingen voor te stellen die geschikt zouden zijn aan de belijdenis der gemeente weer een dieper klankbodem te geven. De eerste schrede daartoe is - en dat blijve voorop staan - dat wij terugkeren tot een kerkvorm die bij ons gereformeerde leven past. Wij moeten verlost worden van een bestuursinrichting die ons onder de kerken van Calvijn isoleert. Wij willen weer als broeders van hetzelfde huis op onze synoden met God en ons geweten te rade gaan over wat wij te belijden en te beleven hebben.

Maar uit onze ballingschap teruggekeerd, zouden wij daar liefst niet tevergeefs geleefd hebben. Wij hebben daar onze kerk-ziener Ezechiël-Gunning10 gehad en met zijn profetisch woord wensen wij te rekenen. Daarom kunnen wij niet adviseren de presbyteriale kerkorde nu, in de twintigste eeuw, op een der kritiekste ogenblikken van de wereldhistorie, ongewijzigd weer in te voeren. Haar verburgerlijking zoeken wij tegen te gaan door een uitbouw van de gemeentevorm en een verbreding van haar synodaal beraad, waardoor het apostolisch karakter der kerk beter tot uiting kan komen. En het gevaar dat belijdenis en tucht een doctrinair karakter krijgen trachten wij te verminderen door een regeling die bedoelt de oud-kerkelijke bisschoppelijke gezindheid11 aan te kweken. Wij dopen dus als 't ware de kerkorde weer in de katholieke geest.

Daartoe doet het ontwerp in hoofdzaak drie voorstellen. 1. Het adviseert om de in- en uitwendige zending, in de breedste zin genomen, in het synodale overleg12 te betrekken, zonder dat de zelfstandigheid van die arbeid daarbij behoeft te worden prijsgegeven. De onderlinge doordringing van kerk en zending is feitelijk reeds aanwezig. Hier wordt nu, met behoud van wederzijdse organisatie, een regeling voorgesteld, waarbij die ook rechtens zou bestaan. Naast de gewone classicale vergadering zou dan een bredere komen te staan en evenzo bij de Algemene Synode, eens in de drie jaar, een nog algemenere. Dit zou intensiever kerstening van velerlei sociale arbeid ten goede komen en in de kerk zouden reeds daardoor de vragen van belijdenis en tucht, die in de zending toch ook aanwezig zijn, veel breder uitstoelen.

2. Wij stellen voor om, op bepaalde voorwaarden, waaronder ook de instemming met de doelstelling der kerk, de vorming van huis- of hulpgemeenten13 mogelijk te maken. Zij kunnen, als daartoe 'ernstige gronden' aanwezig zijn, uit leden van een plaatselijke gemeente worden gevormd. Doop en Avondmaal mogen daar niet bediend worden. Ook hier is er aansluiting aan en ordening van bestaande toestanden. Het zijn evangelisaties die kerkelijk worden geijkt en via de classicale vergadering in het kerkelijk leven worden ingeschakeld. Het is een huiskerk, waarvan de plaatselijke gemeente door de sacramenten soortelijk onderscheiden is. Historisch houdt deze huisgemeente verband met het bestaan der zgn. 'minderheden'. Wij menen dat daarvoor thans binnen het kader der plaatselijke gemeente geen oplossing bestaat. Wij zoeken die in een toeleiding naar de algemene kerk, waarbij belijdenis en tucht geleerd moeten worden. Maar met deze uitbouw van de gemeentevorm hopen wij bovenal nieuw land te bezeilen. Ook de plaatselijke gemeente mag het initiatief nemen tot vorming van een hulpgemeente. Op die wijze zal het mogelijk zijn om zoekende zielen in de kerk, die buiten enig contact met de ambten vagabonderen, te organiseren onder voor hen aannemelijke leiding en hen langs die omweg aan het overleg en belijden der kerk te laten deelnemen. Ik denk daarbij vooral aan de vorming van nieuwe centra van christelijk leven in de grote steden, als Gods Geest de behoefte aan heiliging onder de schare wekt.

3. Daarmee zouden de vragen van belijdenis en tucht ook reeds anders zijn gesteld dan wanneer ze in de overgeleverde richtingstrijd moeten worden opgelost. De kwesties van het modernisme, deze natuurwetenschappelijke beduimeling van het Evangelie,14 zijn niet meer aan de orde. Ze thans nog onder de kerkelijke burgerij te willen uitvechten ware een anachronisme. De belijdenis van Christus die de kerk in onze tijd moet doen uitgaan houdt geen verband met wetenschappelijke oudheden of echtheden, maar met de oudheid van de Vader en de echtheid van de Heilige Geest, waarover de wetenschap nog nooit een woord gezegd heeft. Deze confessie kan alleen uit de mond van armen en kinderen geboren worden; uit de nood en het verlangen der wereld.

In verband daarmee bevat ons voorstel ook een nieuwe regeling voor opzicht en tucht. Daarbij is weer gebruik gemaakt van een bestaand instituut, dat der kerkvisitatie. Hierdoor hebben wij getracht een middel te scheppen om de voortvarendheid en de animositeit van het presbyteriale leertuchtproces te temperen door episcopale geest. Iedere leertuchtkwestie moet een lange weg van persoonlijke deelname doorlopen voor ze in het stadium van een synodale beslissing komt.

Moge de kerk deze voorstellen in ernstige overweging nemen.

Eindnoten

  1. 1

    A WCC. 9 (27.10.1933) nr. 11.↩

  2. 2

    Op 23 november 1931 benoemde het moderamen KO. een cie. met de opdracht een nieuw reorganisatie-voorstel te ontwerpen. De cie. bestond uit: prof. dr. A. M. Brouwer, ds. D. Eilerts de Haan (later ds. K. A. Beversluis), ds. C. J. van Paassen, W. H. van de Pol, prof. mr. P. Scholten, prof. dr. C. G. Wagenaar, ds. G. H. Wagenaar, waaraan toegevoegd voor het contact met KHe. prof. dr. Ph. A. Kohnstamm en ds. O. Noordmans. Zij begon op 5 januari 1932 onder leiding van prof. Schotten en hield twaalf zittingen. Op 20 en 21 juni 1933 werd het ontwerp voorgelegd aan het moderamen KO. Na enkele besprekingen met KHe. vond publikatie plaats in oktober 1933: Ontwerp van een nieuw Algemeen Reglement en enige organieke reglementen voor de Nederlandse Hervormde Kerk, opgesteld namens de Vereniging Kerkopbouw, Baarn 1933. Vgl. H. Bartels, a.w., p.76vv. Zie ook n. 31.1; 31.13;32.1;33.1, met betrekking tot uitstel van publikatie in verband met reactie KHe. Zie ook bijlage 2c.↩

  3. 3

    Arrest Hoge Raad 15 juni 1888; vgl. Th. L. Haitjema, De nieuwere geschiedenis van Neerlands Kerk der Hervorming, 's-Gravenhage 1964, p. 271-275.↩

  4. 4

    Titel van een geschrift uit Noordmans' bibliotheek; schrijver: mr. R. E. Hattink; ondertitel]: Kerkrechtelijke aantekeningen naar aanleiding van een tegen mij gevoerde procedure over kerkelijk hoofdgeld te Almelo, Zwolle 1882.↩

  5. 5

    Koning Willem 1, die zichzelf als absoluut vorst en landsvader zag van het hem na de bevrijding uit de Franse heerschappij toegevallen Nederland, wenste, vooral met het oog op zijn grote plannen op economisch gebied, een efficiënt bestuur. De kerk zou daarin niet een factor van onzekerheid mogen vormen maar geheel moeten passen. Daartoe maakte hij gebruik van de ervaring en het inzicht van de ambtenaar J. D. Janssen (vgl. A.J.Rasker, a.w., p. 22), die geheel aan zijn bedoelingen beantwoordden. Als representatieve figuur benoemde hij O. Repelaer van Driel tot commissaris-generaal van het departement van hervormde en andere erediensten (behoudens de rooms-katholieke). Deze bezorgde (op 1.4.1816) de invoering. - Ocker Repelaer van Driel (1759-1832), Prinsgezind staatsman tijdens de Republiek, werd door de Koning op belangrijke posten gezet: hij was voordien dir.-gen. van Waterstaat, werd later minister van Eredienst. Artikel 9 (later art. 11, zie bijlage 2a) van het door Janssen vervaardigde reglement omschreef de taak van de kerk. Tegen de zin van de opsteller kwam daarin - als zwerfsteen - de uitdrukking voor 'handhaving harer leer'. De tijd, aan de kerk gegund voor bezwaren, was kort. Toch reageerden verschillende classes, vgl. J. C. A. van Loon, Het Algemeen Reglement van 1816, diss. Amsterdam V.U., Wageningen 1942. Het krachtigst protesteerde de classis Amsterdam, vgl. P. J. Kromsigt, Een honderdjarig protest, Amsterdam 1916. In zijn bekende antwoord (d.d. 28.3.1816) verklaarde R. van D. namens de Koning o.m.: "Het synode wordt thans niet opgeroepen om leerstellige geschillen te beslissen, maar om de kerk te besturen." Even verder: "Wat de leer zelve betreft zijn de verplichtingen van deszelfs (synode)leden en die van alle andere kerkbesturen begrepen in het negende artikel van het algemeen reglement hetwelk met ronde woorden van hen vordert de handhaving van de leer der hervormde kerk". Deze zinsnede liet de vraag onbeantwoord wat dan met 'handhaving' bedoeld was. Vandaar zeker, dat de comm.-gen. in zijn toespraak ter gelegenheid van de opening der synode (gehouden 3-30.7.1816) tot de volgende uitspraak kwam: "Door de ondervinding voorgelicht zult gij de zuiverheid van de leer door de enige goede waarborg verzekeren, namelijk door het vaststelt en van inrichtingen, geschikt om de ware christelijke geest in leraars te versterken door de vermeerdering van godsdienstige kennis."

    Noordmans (en anderen?) heeft uit deze zinsnede opgemaakt, dat deze outsider de kerk wel eens zou komen vertellen, dat de oplossing van het tuchtvraagstuk alleen door de wetenschappelijke theologie, dus op academisch niveau, kan worden geleverd. Men zou er ook uit kunnen lezen: met de kerk zal het goed gaan, als de predikanten maar zedelijk onberispelijke lieden zijn; en de beste weg daartoe is hun studiezin aan te wakkeren (zie voorts n. 46.1 2).

    Vgl. A. J. Rasker,a.w., p. 26-3 l; G. J. Vos, Geschiedenis der vaderlandse kerk2, Dordrecht 1888 (o.a. p. 405); C. Hooijer, Kerkelijke wetten voor de hervormden in het Koninkrijk der Nederlanden, Zaltbommel 1846 (m.n. p. 26 v.); J. Th. de Visser, Kerk en Staat 111, Leiden 1927, Bijlage VII, p. 783 vv. Aanspraak van de commissaris-generaal belast met de zaken der Hervormde Kerk enz. bij de opening van de Herv. Synode vergadering te 's-Gravenhage de 3de juli 1816.↩

  6. 6

    Dit is bedoeld in de zin van a. getal (uitslagvolkstelling),b. contact te weten met belangrijke groepen en gebieden aan en over de rand van de kerk. Vgl. n. 33.33.↩

  7. 7

    De ongeestelijkheid van de geldende bestuursregeling verhinderde het bijeenkomen der ambten in vergadering en dus hun geestelijk functioneren. Het schaadde in N.' oog de predikanten tot in hun materiële positie. Zie nr. 3.↩

  8. 8

    Vgl. de kwestie-Geelkerken 1926, n. 22.18.↩

  9. 9

    Een Ingezonden in AWCC. 10 (1 0. 1 1. 1933) nr. 2 reageerde scherp tegen deze zinsnede. Het was namens het hoofdbestuur van het Ned. Herv. Verbond tot Kerkherstel, ondertekend door Th. L. Haitjema en R. B. Evenhuis. Zij vonden het "zacht gezegd ietwat pijnlijk in deze zinsnede te moeten horen dat wij het zelfde spoor ter oplossing van ons kerkelijk vraagstuk willen volgen als het 'kloeke kerkvolk der Doleantie', terwijl wij van de oprichting van het Verbond tot nu toe principieel en welbewust een andere weg hebben betreden. Hetwelk toch wel hieruit blijkt, dat van de zijde der Kuypergeesten van allerlei gading, zowel in als buiten onze kerk, vrijwel niet andersdan heftige bestrijdingonsten deel is gevallen." Zij vonden, waar zij zich voorgenomen hadden het Ontwerp op ridderlijke wijze te bespreken en zo nodig te bestrijden, de sfeer bij voorbaat reeds vertroebeld door een der gezaghebbende figuren van KO., die "min of meer terloops" . . . "een karikatuurtekening van de KHe.-beweging doorgaf".

    INNKL. 3 (febr. 1933) nr. 9 had Th. C. Vriezen reeds betoogd waarom dit telkens gehoorde verwijt z.i. niet juist is:a. KHe.wil katholiek, gereformeerde kerken willen alleen orthodox zijn, maw. het volk wordt losgelaten; b. het samengaan van Hoedemaker en Gunning in confessionele richting waarborgt katholiciteit bij de tuchtoefening zoals deze door KHe. gezien wordt. N. reageerde op het ingezonden als volgt: "Door de redactie daartoe in staat gesteld, wil ik gaarne een enkele kanttekening bij dit ingezonden plaatsen. Wat de stellers hier wraken uit mijn artikel van 27 oktober heb ik nog wat duidelijker gezegd in AWCC. van 3.1.1930 (zie nr. 14 - red.), een week voor de verwerping van het ontwerp-Haitjema C.s. Ik schreef toen o.a.: 'Als de reorganisatie een herhaling zou worden van 1886,even presbyteriaal in beide richtingen-van kerk en zending én van belijdenis en tucht-slechts met het voornemen (ik cursiveer nu) om de fouten te vermijden die de mannen van 1886 hebben gemaakt, dan is ons blijven onder de synode verloren tijd geweest ... Alleen een dubbele organisatie of een kerkregeling van een voor ons land nieuw type zou hier redding kunnen brengen' ... Op de Utrechtse predikantenvergadering enkele maanden later noemde prof. H. dit een sympathiek artikel en vroeg in aansluiting daaraan aan de aanwezigen, na een referaat van dr. Kromsigt, of men het nog eens wil de wagen met een presbyteriale kerkorde of niet. Daarop kwam toen geen antwoord (zien.31.1.-red.). Er ligt nu een gedocumenteerd antwoord op de kerkelijke tafel. Wij willen een kerkregeling van een voor ons land nieuw type; niet in beide genoemde opzichten even presbyteriaal. Wij achten een voornemen om de fouten van 1886 te vermijden zonder meer onvoldoende. Wij vinden het nodig dat die goede bedoeling in de kerkorde wordt vastgelegd. Men zal inzien dat wat in de gewraakte zinsnede gezegd wordt niet 'min of meer terloops' is geplaatst, maar een vaste schakel is in een betoog en een zenuw in onze kerkelijke actie. De stellers van het Ingezonden mogen zich daarvan niet met een gebaar afmaken."↩

  10. 10

    Zie n. 33.26. Bedoeld is uiteraard het visionair-eschatologische in G.; vgl. o.a. zijn blikken in de Openbaring, 4 dln., Rotterdam 1866-1869, dl. 1, p. 155 vv.↩

  11. 11

    Het ontwerp-Reglement voor opzicht en tucht-KO. kent een aantal bepalingen mbt. de visitatie, provinciaal en synodaal, waardoor persoonlijk initiatief en bemiddeling aan de visitatoren-provinciaal en -synodaal, waaronder de moderator, toegekend worden, een en ander in het bijzonder wanneer het belijden in het geding is (vgl. art. 1 en 2, zie bijlage 2c). Zie art. 7, AR. en art. 34-39 Reglement voor opzicht en tucht, ontwerp-KO.↩

  12. 12

    In elke oktober-vergadering (brede classicale vergadering) zijn behalve vertegenwoordigers van andere werkgroepen en leefgemeenschappen ook vertegenwoordigers van inwendige en uitwendige zending in het beraad opgenomen (art. 52). Hetzelfde geldt voor de brede synodale vergadering, die eens in de drie jaar samenkomt (art. 68).↩

  13. 13

    Zie bijlage 2c.; vgl. ook H. Bartels, a. w., p. 80 vv.↩

  14. 14

    Zie N.' art. Deur en hengsel (nr. 36), waarin hij een verontwaardigde reactie van H. van Lunzen op deze kwalificatie beantwoordt.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 33. Het reorganisatie-ontwerp van Kerkopbouw toegelichtInhoud35. Twee lezingen over Kerkopbouw – 1. Het reorganisatie-ontwerp van Kerkopbouw →