33. Het reorganisatie-ontwerp van Kerkopbouw toegelicht1
Een der meest kenmerkende eigenaardigheden van de organisatie van 1816 is haar vermogen om te duren. Bij de pogingen om haar te breken zijn geslachten versleten, zonder dat er merkbare ruimte tussen haar voegen kwam. Het martelaarschap van de afgescheidenen, het geweld van Kuyper, het geduld der confessionelen, de apostolische ernst van Gunning - niets is in staat geweest hier verandering in te brengen. Er is bijna iets geheimzinnigs, iets mystieks in de onneembaarheid van dit kerkelijk bolwerk en telkens zijn er dan ook rustpozen ingetreden, waarin men het opgaf. Het lijkt wel vermetelheid en verspilling van kracht en tijd om weer met een voorstel tot wijziging van de kerkelijke wet aan te komen.
Dat Kerkopbouw dit toch gedaan heeft, is dan ook alleen verklaarbaar als men let op de hogere noodzaak die hier drijft. De vereniging is geboren uit een herleefde bezinning op het wezen der kerk en de vorm harer inrichting, die overal valt waar te nemen. Zij mocht daarbij het oude vraagstuk, dat sedert 1816 nooit tot rust kwam, niet uit de weg gaan. Men kan zelfs zeggen dat ze uit de reorganisatiebeweging geboren is. Ze is tweeling met Kerkherstel. Identiek zijn de tweelingen niet. Maar wel is waar dat ze zonder elkaar moeilijk te denken zijn. Het onderscheid tussen beide hangt samen met een verschillende kijk op het reorganisatievraagstuk. Nu het Ontwerp-Haitjema c.s. in januari 1930 werd verworpen, rustte op de groep die daartoe meewerkte een ereschuld om te zeggen, hoe men het dan wel wenste. Daarom moest het hier besproken rapport worden uitgebracht.
Dit Ontwerp is een succes ook voor Kerkherstel. Reeds het feit dat twee zulke omvangrijke verenigingen een bepaald kerkelijk cachet dragen, geeft te denken. Maar meer nog is dat het geval als men overweegt wat het zeggen wil dat hier nu, nog geen vier jaar na de verwerping van het Ontwerp-Kerkherstel, een ander voorstel wordt gedaan van geheel andere zij de.
De opstellers zijn daarbij uitgegaan van de overtuiging, dat gezocht moest worden naar een inrichting, waarbij het karakter der kerk als kerk van Christus geëerbiedigd werd. Daarin ligt veel opgesloten, maar voor deze aardse werkelijkheid betekent dit toch allereerst dat haar is opgedragen het Woord Gods te verkondigen. Een kerkorde heeft er in de eerste plaats voor te zorgen dat aan deze roeping voldaan kan worden.
Daarom is in dit Ontwerp gebroken met de bestaande bestuursinrichting, zoals wij die allen kennen uit onze synodale reglementen. Zonder over het hoofd te willen zien al de zegen, die God ons ook nog in die weg heeft geschonken, menen wij toch dat ze - om met De la Saussaye sr. te spreken - 'een Nederlandse uitvinding van de negentiende eeuw' is en een anomalie onder de christelijke kerkvormen.2⌫ Zij maakt van de verkondiging van Gods Woord een zuiver pastorale aangelegenheid, zonder dat de mogelijkheid geschapen wordt haar tot een kerkelijke belijdenis te doen aanzwellen. Onder 'handhaving van de leer' (art. 11)3 wordt oorspronkelijk niet verstaan een openbare hernieuwde vaststelling daarvan en nog minder een optreden tegenover particuliere afwijkingen. Volgens de woorden waarmee Willem 1 de synode in 1816 liet openen, moesten de waarborgen voor de zuiverheid der leer gezocht worden in "het vaststellen van inrichtingen, geschikt om de ware christelijke geest in Leraars te versterken door het vermeerderen van godsdienstige kennis."a Het Hoger Onderwijs moest de kerkelijke tucht overbodig maken, zoals men later van het Lager Onderwijs de afschaffing der gevangenissen verwachtte.4 In afwachting daarvan hebben de kerkelijke vergaderingen, voor zover ze meer dan een adviserende stem bezitten, bovenal voor rust en orde te zorgen. Ze moeten de kerk in en toestand van evenwicht houden, die haar belet een werkelijke historie te doorleven. Het kenmerk onzer kerk als kerk, na 1816, is dan ook inderdaad dat ze zuiver geschiedenisloos bleef. Ze duurt alleen maar. Elke beslissing naar binnen bleef van haar geweken. Al wat daarop aandrong, moest van haar uitgaan. Door het bestuurlijk element werd de regering door Woord en Geest op de achtergrond gedrongen.
Met deze vooronderstellingen en instellingen heeft ons voorstel gebroken. Wij geloven niet dat men de verkondiging van Gods Woord mag versmallen tot een individueel getuigenis. Wij geloven in een pastorale dogmatiek met een gemeenschappelijk karakter, waaraan ieder kerklid aandeel heeft en waaruit de prediking haar kracht put. Wij vinden, door de historie geleerd, in de instellingen voor hoger onderwijs geen voldoende waarborg voor de zuiverheid der leer. Wij wraken deze verheerlijking der wetenschap en zoeken onze steun meer in het instinctieve leven des geloofs, waaraan ook het eenvoudigste gemeentelid deel heeft. Wij zijn overtuigd dat een kerk, die slechts een aantal persoonlijke meningen heeft te bieden, niet in staat zal zijn, met name in onze apocalyptische tijd, om de schapen te weiden en de schare5 tot zich te trekken. En dat een bestuurlijke voorzichtigheid, die elke beslissing schuwt, tot een catastrofe moet leiden, die reeds bezig is zich aan te kondigen. Wil onze kerk blijven, ook in de twintigste eeuw, dan zal dat een andere duur moeten zijn dan de bestuurlijke.
Daarom grijpt het Ontwerp terug op de presbyteriale kerkorde, omdat die voor ons land het historische type is en omdat wij haar het meest bijbels achten. Met dat laatste bedoelen wij niet dat zij met zoveel woorden in het N.T. zou zijn voorgeschreven. Wij verstaan het in afgeleide zin, zodat wij ons niet aan de bepalingen van een vroeger kerkrecht gebonden voelen. Maar het is een eenvoudige, broederlijke vorm van kerkregering, die in haar soberheid een geestelijk samenleven van allen in de Geest zoekt te benaderen. Gunning heeft in enkele mooie zinnen reeds voor 1886 deze organisatie verheerlijkt: "In concentrische kringen en geledingen ordent zich de vaste bouw der kerk. In elk der ordeningen die deze kringen tezamen houden, komen de grondkrachten die dit gemeentelijke leven beheersen, tot werking. Met diepe blik en praktische schranderheid is het zó geordend, dat telkens de uitnemendste krachten uit de lagere kringen eroepen worden om de hogere te schragen, gelijk wederkerig die hogere in de schone concentratie van het geheel het lager verband omvatten en steunen."b ⚑Zulk een kerk zou in moeilijke tijden een ware moeder voor de enkele prediker en de afzonderlijke gelovige kunnen zijn, zoals zij dat ook in het verleden geweest is.
In 't algemeen kan men zeggen dat de betekenis der kerkvormen weer toeneemt. Het is een der lichtpunten in onze tijd, dat de nationale indeling der volkeren, die zich op zo droeve wijze verscherpt, doorkruist wordt door een andere, naar de typen van kerkelijk samenleven, en dat deze groepering steeds duidelijker uitkomt. Een dezer bonden is een groep van veertig miljoen presbyteriaanse christenen,6 die men gerust een kerkelijke natie kan noemen, een katholiek blok in de contemporaine geschiedenis. Ook uit dit oogpunt zou het jammer zijn als wij met onze bestuurlijke anomalie apart bleven staan.
Met dit alles staat ons Ontwerp volkomen in de lijn van de pogingen tot reorganisatie, die de namen van Hoedemaker en Gunning in herinnering brengen en die laatstelijk geleid hebben tot indiening van het Ontwerp-Haitjema c.s.
Ik kom nu tot de amendementen die wij ons op het laatste veroorloofd hebben. Zo zou men ze kunnen noemen, ofschoon ik het beter acht ons voorstel als een zelfstandige poging tot oplossing van het kerkelijk vraagstuk te bezien.
Degenen, die in 1886 geweigerd hebben met Kuyper tot een presbyteriale kerkorde over te gaan, hebben dat niet gedaan omdat ze bezwaar hadden tegen een gedeeltelijke uitleiding uit het synodaal verband. De argumenten die toen gebruikt werden kunnen wel tot die mening aanleiding geven. Ik heb er eldersc op gewezen, dat wij het toenmalig debat nu pas goed kunnen verstaan. Het ging niet om kwantitatieve maar om kwalitatieve verschillen. Als men kans ziet een paar stammen in het beloofde land te brengen, dan vormt het geen bezwaar dat de anderen wat later komen. Maar Hoedemaker en Gunning hebben zich een andere oplossing gedacht en degenen die met hen bleven hebben er een halve eeuw wachten en een evenlange richtingstrijd voor over gehad, om de mogelijkheid te aanschouwen waarop het anders kon.
Wanneer wij nu, na zoveel jaren, niet meer doen dan herhalen wat in 1886 gedaan is; als wij door een kerkelijk procédé van mechanische aard, door hoofdelijke stemming, of onszelf uit de kerk werken of andere talrijke groepen - met of zonder overgangstermijn van een mensenleeftijd7 - uit de kerk dringen, dan hebben we vijftig jaren kostelijke kerkelijke tijd verloren. Dat hadden we eerder kunnen en dan ook moeten doen. De gelegenheid om in presbyteriaal verband te leven bestond en men stelt zich dan bloot aan het verwijt, dat de 'zilveren koorde'8 de koude mystiek is van de duur der Hervormde Kerk.
Wie weet heeft van de kerkelijke strijd van 1886 af, komt daartegen in verzet. Wij hebben in het Ontwerp iets zoeken vast te leggen van dat andere, dat vooral Gunning voorzweefde, dat zich thans wel duidelijker aftekent dan voor een halve of een kwarteeuw en dat nauw verband houdt met de veranderde geestelijke toestanden.
Vooral omstreeks 1900 dacht Gunning zich de kerk reeds veel minder burgerlijk dan Kuyper in 1886. En dezelfde gereformeerde kerkinrichting moet er althans nu anders uitzien dan men zich in de vorige eeuw nog voorstelde. Er is geen kerkorde die thans zo maar klaar ligt om ingevoerd te worden, zoals men dat bij de Doleantie nog kon menen. De orde die wij zoeken is geen vaste, onveranderlijke ordinantie, maar draagt heel sterk het karakter van een gebod. Wanneer men de Dordtse kerkorde nog bij Paulus meende te kunnen terugvinden, dan zijn wij thans voor de Hervormde Kerk meer aangewezen op het bevel, waarmee Jezus zijn discipelen uitzond onder de schare. Zo moet men het apostolische9 opvatten, dat Gunning lange tijd als een grillige obsessie sektarisch moest uitleven, maar dat op 't eind van zijn leven reeds in gemeentelijke banen kon worden geleid en dat zich thans onder de algemene ontbinding der burgerlijke samenleving als eis der naaste toekomst gaat vertonen.
Wanneer men het zo ziet, dan brengt dat ingrijpende wijzigingen mee voor het presbyteriaal systeem. Hoe kan het ook anders, als alle maatschappij-vormen zulke grote veranderingen ondergaan als thans het geval is? Men mag a priori aannemen dat de geijkte kerkelijke vormen daarbij niet meer geheel zullen passen. Wanneer in de zestiende eeuw de vroedschap van Amsterdam de hervormde religie invoerde, dan ontstond er een gemeente van Amsterdam en die kon als zodanig worden ingericht. De burgerschap der stad had dan twee kanten: een politieke en een kerkelijke. Het presbyterie deed dienst als vroedschap van Amsterdam, naar z'n kerkelijke bestaanswijze.10 Thans kan men nog spreken van een hervormde gemeente te Amsterdam. Maar wanneer dat niet de naam zal zijn van een sektarisch groepje, dan moet het apostolisch-presbyteriaal worden opgevat. De presbyteriale kern kan blijven bestaan en die kern kan met andere van dezelfde aard het gewone gemeenschapsleven voortzetten. Zo is het in ons Ontwerp geregeld. De cultusgemeente, de gemeente van de eredienst, wordt in haar geheel gelaten en aan geen harer rechten wordt geraakt. Maar wanneer zulk een gemeente te Amsterdam tevens gemeente van Amsterdam wil zijn, dan kan ze dat alleen door haar presbyteriaal karakter nader apostolisch te bepalen. In een tijd, waarin de hervormde kerken dikwijls meer in de vorm van schare dan in die van gemeente bestaan, moet de mogelijkheid worden geschapen om die schare met het oog op de kerk in te delen en te organiseren.11 Anders gaat het afbrokkelingsproces voort. Het is voor de gemeente beter met groepen te doen te hebben, waarin het Evangelie werkt en waarmede zij in algemeen kerkelijk verband verkeert, dan te staan tegenover een onafzienbare massa verstrooide eenlingen, die straks één voor één elk contact met de kerk verliezen.
Wanneer men deze kant niet op wil en integendeel voor de presbyteriale gemeente gaat aansturen op een zuivering, die niet tegelijk zending is12 en in de weg der verkondiging voltrokken wordt, dan loopt dat uit op een geestelijk schandaal dat het einde zal betekenen van onze kerk. Als de leertucht tot exponent der kerk wordt verheven in plaats van de prediking zelf en de kerk haar gemeentelijke vorm gaat stellen boven haar roeping tegenover de wereld, dan zal zij zelf daarbij ondergaan.
Hiermede heb ik iets gezegd van de overwegingen, die ons hebben geleid bij onze afwijkingen van de historische gereformeerde kerkvorm. Op deze wijze heeft het enige zin dat wij vijftig jaar hebben gewacht met wederinvoering van een presbyteriale inrichting. Ons eigenaardig hervormd besef, dat na 1816 gegroeid is en na 1886 meerzichzelf bewust is geworden, moest eerst tot klaarheid komen. De loop der dingen heeft daarbij sterk meegewerkt. Bij de lezing van het bovenstaande denkt de kenner van ons Ontwerp wellicht alleen of vooral aan de huis- of hulpgemeente. Maar dat is toch niet juist. Het is een bewijs hoe geneigd wij zijn, de dingen van de gemeentevorm en de tucht uit te bezien.
Uit een apostolisch oogpunt moet in de eerste plaats opvallen, dat de in- en uitwendige zending zijn ingeschakeld. Niet in de vorm van zgn. 'kerkelijke zending', die regelrecht door de gemeente gedreven wordt. Maar met erkenning van haar zelfstandigheid. Hier worden dan een paar takken van apostolische dienst, die in de negentiende eeuw naast de gemeente tot sterke ontwikkeling zijn gekomen, in het kerkelijk overleg betrokken. Ons voorstel behoefde hier eigenlijk niets nieuws te maken. Het gemeenschappelijk beraad van Kerk en Zending bestaat reeds lang op niet-officiële wijze. Maar wel moet er hier op gewezen worden dat daarmee tegelijk een correctief geschapen is tegen de schaduwzijden van exclusief gemeentelijk leven. In de zending, de in- en uitwendige beide, worden belijdenismoeilijkheden en tuchtkwesties veel sterker opgezogen in de doelstelling der verkondiging dan dit bij de cultusgemeente zelve het geval is. Natuurlijk bestaan ze daar ook. Maar ze leveren het bewijs hoe sterk de apostolische houding ons reeds brengt in de richting van een oplossing. Een kerk, die geregeld de stem dezer missies op haar vergadering verneemt, zal menige moeilijkheid op eigen terrein anders gaan bezien.
Ik vermoed niet dat er velen zullen zijn, die bezwaar hebben tegen deze vorm van verwijding der presbyteriale orde. De kerk is al lang gewend aan een geregelde samenwerking met deze zelfstandige organisaties, die zich hoe langer hoe meer in de gemeente inbouwen en daar tot eigen groepsvorming overgaan. Ze weet zelf wel dat ze - zoals Brunner het noemt - wat arm is aan ambten en dat niet aan ieder ambt een charisma verbonden is, noch voor ieder charisma een ambt gereed ligt.13 Daarom voelt ze het niet als een bezwaar maar als een zegen als er in haar midden iets van de rijkdom der apostolische eeuw openbaar wordt.
In verband met de inwendige zending kunnen daaruit echter reeds conflicten ontstaan. De radio-omroep dringt regelrecht door in de sfeer die door de gemeentelijke prediking bepaald wordt, zonder dat zij zelve aan kerkelijke controle onderworpen is. Zij vormt een vrije gemeente, zonder herder en zonder christelijke handreiking. Dat is de meest wilde groep die zich van geen enkele kerkvorm iets aantrekt. Zij bestaat midden in het presbyteriaal verband en wacht dringend op organisatie en aansluiting. Hier is een duidelijk voorbeeld, dat, als wij de vragen van gemeentevorm en tucht in hun verouderde vorm blijven behandelen, wij straks niet meer dan een slag in de lucht doen.
Er zijn andere werkzaamheden van inwendige zending, die wij niet zouden kunnen of willen missen en die zich toch heel moeilijk laten aanpassen bij het ouderwetse gemeentelijke leven. Ik denk hier aan een organisatie als de NCSV.,14 die toch in hervormde kringen volkomen burgerrecht heeft verkregen. Haar arbeid is gemeentelijk in algemene zin en zij leert bijbels denken. Maar tot de kerkelijke ambten staat zij slechts in een zeer indirecte betrekking. Haar 'onderlinge bijeenkomsten' staan niet onder leiding en toezicht van een kerkeraad. En van leertucht naar aanleiding van wat er gesproken wordt, hoorde men nimmer.
Iets dichter bij de gewone erediensten der cultusgemeente komen wij als wij de jeugddiensten noemen. Zij zullen in de regel geleid worden door de plaatselijke predikant, met medewerking van de kerkeraad en in het gebouw der gemeente. Maar anderzijds leveren zij een merkwaardig voorbeeld van de wijziging, die zich in de gemeentevorm voltrekt. Hier is een speciale groep van gemeenteleden, met wier bijzondere behoeften rekening wordt gehouden. Bij het toezicht op de leer in zulk een dienst zou op de eisen van aanpassing aan het gehoor gelet moeten worden. En daarvoor was dan weer een gave van onderscheiding nodig, die wel niet alledaags zal zijn. Deze diensten worden dan ook in de toelichting bij art. 39 van het Algemeen Reglement, waar sprake is van de huisgemeente,15 in ons Ontwerp genoemd.
Die huis- of hulpgemeente wil een tegemoetkoming zijn aan de behoef ten van heel andere groepen van gemeenteleden. En hier raken we nu geheel aan de noden van onze tijd. Het is een van de meest verbijsterende dingen dat onze kerk zich zo weinig heeft aangepast bij de diepere geestelijke verschuivingen die in de laatste tientallen jaren hebben plaatsgehad. Ze heeft in eigen schoot hele categorieën van mensen laten ontstaan, die gegeven hun levenstype - met geen mogelijkheid meer in te voegen waren in het verband der kerk. Vergeleken met wat hier vereist wordt, zijn het studentenconventikel of de jeugdkerk, die gemakkelijk afwisselen met een gemeentelijke eredienst, weelde-artikelen. Wanneer hier een waarachtige inschakeling plaats heeft, zal de presbyteriale kerkvorm, die in haar correcte netheid aan de zeventiende-eeuwse stadjes herinnert, uit haar voegen worden getrokken. Dat is de ware reden waarom wij anderen moeten zijn dan de Forsytes van 1886;16 de reden waarom wij Gunnings apostolische angsten kunnen begrijpen uit een tijd, toen hij ze zelf niet verstond. Daar~ om kon Kohlbrugge17 zo toornen tegen de door een ringetje gehaalde leer der Confessionelen en opkomen voor een confrontatie van Evangelie en alledaagse werkelijkheid. De hele ontwikkeling der naoorlogse theologie wijst in de richting van een kerkvorm, die dieper is ingebouwd in de realiteit van deze zondige wereld. Wij zijn, zoals ik het mr. Stufkens18 dezer dagen heel treffend hoorde zeggen, op bijbels niveau teruggezet.
De kerk heeft zich daarbij nog niet aangepast. Ik bedoel niet dat zij niets gedaan heeft. Maar haar eigen figuur is daarbij weinig uit de plooi gekomen. Wel is het waar wat dr. Bakhuizen van den Brink19 schreef in Algemeen Weekblad van 15 september 1933, dat haar bestand nog een aantal rustende onderstellingen bergt, die tot meerdere actualiteit kunnen gewekt. Doch men kan niet zeggen dat zij, ook al gebeurde dat, de eigen gezeten houding voor een apostolische gestrektheid zou hebben verruild. Zij heeft eigen gestalte niet uitgerekt om de schare te bereiken. Haar presbyteriale correctheid is daarbij niet in verwarring gebracht. De kerkorde zelf toont te weinig wanorde.20 Ik beroep mij hier op wat dr. De Vrijer21 schrijft:d "Handhaving van 'havens en haveninstallaties' ... terwijl de 'vaargeul' zich verlegd heeft ... is niet een geestelijk realisme, maar een hoezeer ook uit mooie traditie verklaarbaar - conservatisme. De consequentie trekken is niet een ruw stukbreken, maar het is een aanvaarden van de werkelijkheid en een zich met volle spanning op de bres stellen dáár waar de Geest ons op de aanwezige mensen betrekt."
Het voorstel der huis- of hulpgemeente bedoelt de figuur der kerk in de richting van de mensen te verlengen. Dat ze er niet fraaier van wordt, willen wij toegeven. Maar men moet ze niet uit esthetisch doch uit ethisch oogpunt bezien.
Voor wie is nu de instelling bedoeld? Wie zich blind staart op de kerkelijke problemen, zoals we die geërfd hebben uit de confessionele strijd van de vorige eeuw, zal zich van mijn voorstelling, zoals ik die boven gaf, niets aantrekken. Hij zal zeggen dat de huisgemeente niets anders is dan een verkapt pacificatie-voorstel, een modus vivendi in de oude trant.22 Ik voorzie dat het debat hier heel moeilijk zal zijn omdat men uit twee verschillende werelden kan spreken. Formeel heeft de hulpgemeente natuurlijk overeenkomst met vroegere voorstellen van die aard, die een vreedzaam samenleven van richtingen in de kerk naast elkaar bedoelden. Dat was een interne kwestie voor de cultusgemeente, om ontspanning te brengen in de strijd om de preekstoel. Bij deze oplossing wilde men de kettervraag ontwijken, wat in de christelijke kerk niet geoorloofd is. Zij voerde tot oplossing van de plaatselijke gemeente. In ons Ontwerp wordt aan de richtingstrijd geen einde gemaakt dan alleen voorzover het herstel der classicale vergaderingen en der provinciale en algemene synoden en een nieuwe regeling van opzicht en tucht haar in een geheel nieuw stadium brengen, waarin evenwicht soms voor historie plaats zal maken.
De huisgemeente bedoelt iets anders. Met dit instituut buigt de kerk zich over naar groepen, die zich meestal, praktisch gesproken, buiten de kring der cultusgemeente zullen bevinden, omdat ze het contact met de daar fungerende ambten hebben verloren. Altaar tegen altaar wordt daar dus niet opgericht. Doop en Avondmaal worden er niet bediend. Die maken het onderscheid - zo schreef Gunning reeds in 1860e - tussen een cultus- en een huisgemeente.23 De dienst des Woords in ambtelijke zin heeft er niet plaats. De kerk komt hier alleen tegemoet aan de bijzondere behoeften van bepaalde categorieën van mensen, ten wier opzichte zij voor de keus staat om ze los te laten of ze naast de cultusgemeente te organiseren.
Het karakter van die groepen zal heel verschillend kunnen zijn. Ik wil tegemoet komen aan degenen die moeilijk los kunnen komen van het oud-confessionele gezichtspunt en met hen veronderstellen, dat de huisgemeente in den beginne een toevluchtsoord zal zijn voor dissenters, voor zgn. minderheden. Reeds dan zou er veel mee bereikt zijn. Deze minderheden moeten volgens art. 40a instemmen met art. 1 en 2 van het Algemeen Reglement.24 Zij blijven onder het opzicht van de kerkeraad en staan bovendien als leden van de huisgemeente onder toezicht van de classicale vergadering; zij delen in de zorgen van de kerkvisitator; zij hebben op de classicale vergadering contact met kerken en huisgemeenten van het hele ressort; zij zijn in de tuchtregeling ingeschakeld. - Welk een vergaderende kracht moet er zo reeds van deze instelling uitgaan en hoeveel meer is het een christelijke kerk waardig, haar leden zo te behandelen dan hen als verbeten enkelingen rondom de ambten te laten zwerven. ⚑Naast de confessionele staan de psychologische verschillen. Deze zijde van de huisgemeente herinnert het meest aan de jeugddienst en we hebben daarmee tevens de meest precaire zijde van het instituut aangewezen. Daar zijn tere kanten aan en gevaarlijke. Maar ze bestaan eenmaal en onze geestelijke cultuur bezit vooralsnog te weinig stijl om ze te kunnen negeren. Er zijn op tal van plaatsen groepen van mensen in onze kerk, die geen voldoende aansluiting hebben aan de leiding der plaatselijke gemeente. Ze worden onkerkelijk zonder het te willen. Hier kan de hulpgemeente helpen. In vele gevallen zou het contact, dat zulke kringen daardoor met het geheel der kerk krijgen, blijken de eerste schrede te zijn naar hun hereniging met de gemeente.
De eigenlijke perspectieven opent het instituut mij echter in een derde richting. Art. 44 van ons Algemeen Reglement bevat de bepaling: 'De kerkeraad ener plaatselijke gemeente kan het initiatief nemen tot vorming ener huisgemeente.' En in de toelichting bij art. 39 wordt gezegd dat het een schuld der kerk zoekt te delgen en moet beschouwd worden in verband met de ontredderde kerkelijke werkelijkheid. Dit is het wat ik de uitbouw der gemeente onder de schare noem. Reeds nu kan een predikant voor bijzondere werkzaamheden worden beroepen (art. 20 al. 2 en 3 van het Syn. Alg. Regl.).25 Maar van een kerkelijke organisatie van de kring waarin hij werken moet weet de kerk tot dusverre niet. Hierin voorzien nu de artikelen op de huisgemeenten.
In dit geval staat de instelling niet min of meer tegenover de cultusgemeente, maar werkt als een nieuw orgaan der plaatselijke kerk. Er zijn kringen waarvan met vrij grote zekerheid kan worden gezegd, dat ze binnen afzienbare tijd niet te winnen zullen zijn voor deelneming aan het gewone gemeenteleven. Ze staan met vermeende of werkelijke grieven ter zijde. Hun bezwaren zullen in onze tijd vaak meer met politieke en sociale gevoelens samenhangen dan met traditioneel-godsdienstige. Bij de toenemende behoefte aan geestelijke concentratie is het niet uitgesloten dat ze kringvorming, in meerzijdelings verband me tde kerk, onder bepaalde voor hen aannemelijke leiding, niet van de hand zullen wijzen. Het verleggen van de vaargeul staat hier niet in verband met het ontstaan van nieuwe bevolkingscentra, zoals in het aangehaalde betoog van dr. De Vrijer, maar met wijzigingen in het geestelijk stroombed. Wanneer de kerk het zal moeten hebben van 'herstel' zonder meer, dan ziet de toekomst er donker uit. Maar wel toont ons de jongste geschiedenis dat de ontvlambaarheid voor een groot ideaal, de bereidwilligheid om te gehoorzamen en de behoefte aan grote, samenbindende eenheid in allerlei vormen nog aanwezig zijn. Heiligheid, gezag en catholiciteit, de attributen der kerk, zien wij in allerlei grillige, soms tot karikatuur omslaande vormen in de tijd afgespiegeld. Wanneer de Geest hier in de raderen vaart26 en het kruis geplant wordt als teken voor degenen die nieuw heilig land zoeken, dan zal de burgerlijk-presbyteriale kerkvorm het niet houden. De hulpgemeente schept gelegenheid om buitenwerks nieuw christelijk leven tot ontwikkeling te laten komen.
Hiermee heb ik gewezen op de betekenis van gemeentevorming naast die van de gemeente-vorm. Dit brengt ons vanzelf tot de vragen van belijdenis en tucht. Wanneer er van kerkopbouw sprake zal zijn, moet naast gemeentevorming ook dogmenvorming plaats hebben. De ene is zonder de andere ook niet te denken. - De moeilijkheden, waarin wij ons in verband met belijdenis en tucht bevinden, en waarin met name de presbyteriale kerken van 1886 zo hopeloos vastzitten, staan in verband met een academische opvatting van de dogmatiek. Kuyper heeft die in zijn Encyclopaedie heel sterk vastgelegd.27 Die opvatting wortelt in dezelfde vooronderstellingen die, zoals we boven zagen, ten grondslag liggen aan de tuchtregeling in de organisatie van 1816. De oplossing der moeilijkheden werd daar van het Hoger Onderwijs verwacht.28 In dat opzicht leven de kerken van 1886 en die van 1816 uit dezelfde grondgedachte. Die van 1816 zijn daarbij in het voordeel, omdat zij consequent zijn en, met het oog op het feit dat de wetenschap nooit gereed is, haar oordeel suspenderen, wat de anderen niet kunnen.
Deze gelijkstelling c.q. achterstelling lijkt buitengewoon onbillijk en toch is ze juist. We kunnen er bijvoegen, dat het modernisme de hoogste exponent van deze gezindheid te zien heeft gegeven. Hier zijn we helemaal in de christologische sfeer, waar de wetenschap het best bij kan, veel beter dan bij die van Vader en Geest, die als vanzelfsprekende onderstellingen worden aangenomen. Het academisch onderzoek gaat dan over de wonderen, de oudheden, de echtheden, die achter de leer van Christus liggen en die dan op filosofisch en historisch gebied worden getrokken, waar ze wetenschappelijk bereikbaar schijnen. Ook het jongste modernisme is daaraan nog niet ontkomen.f
In datzelfde moeras worstelt de leertucht der Gereformeerde Kerken en heeft zich daarmee zelfs tot de risee van de kerkelijke en burgerlijke wereld gemaakt. H,-t presbyteriale systeem is op dit punt in de burgerlijkheid vastgelopen en wij herhalen het, dat wij geen vijftig jaar gewacht hebben om nu achteraf toch nog in deze dwaling van 1816 en 1886 te blijven steken. Kerkherstel ziet dit ook wel in, maar men laat het daar bij enige verwijten aan het adres van Assen, zonder dat men op het stuk van kerkorde de bakens heeft trachten te verzetten. Op zo lichte wijze laat zich deze modernistische breuk in het presbyteriale systeem echter niet genezen.
Het is niet aan te nemen dat de belijdenisvraag en de regeling der tucht ooit tot een goede oplossing zullen komen, zolang men zijn aandacht uitsluitend richt op de bestaande gemeentevorm en het bestaande dogma. De grote beslissingen zijn altijd gevallen in dagen, waarin beide bezig waren zich in onderlinge betrekking te ontwikkelen. Ook Dordrecht is er nog een voorbeeld van, ofschoon geen hoogtepunt van de eerste rang. Dat de gemeentevorming in 1886 niet gepaard ging met dogmenvorming is een bewijs dat het geen reformatie maar een afscheiding was. Wanneer wij nu binnen de sterk gereduceerde kring onzer hervormde gemeenten de belijdenisvraag nog eens tot een academisch debat maken, dan zou dat alleen op sektevorming en niet op kerkhervorming kunnen uitlopen.
Met dit gevaar voor ogen hebben wij onze artikelen op de huisgemeenten en ons Reglement voor opzicht en tucht ontworpen. Beide houden verband met elkaar. De aanleiding tot het vormen van een hulpgemeente zal, wanneer het Woord Gods zich in de kerk laat horen, niet liggen in vragen, die bij de opkomst van het modernisme zo sterk op de voorgrond stonden: kwesties van natuurwetenschappelijke en historische aard. Geen: schepping of evolutie, Babel of bijbel,29 natuur of wonder. Het is juist een frappant bewijs hoezeer de presbyteriale kerk in de fuik gelopen is, dat ze zich - op haar synode te Assen -30 met zo'n kwestie ging afgeven. - Het zal niet moeten gaan over een der drie zaligmakende dieren,31 zoals men slang, ezel en walvis raillerend heeft genoemd, maar over de Zaligmaker die de Zone Gods is. Hij is één met de Vader en de Geest en over deze drie zal het moeten gaan, als het tot nieuwe dogmenvorming zal komen.32
Christus zal ook het enig fundament van de hulpgemeente moeten zijn, zoals in art. 40 Alg. Regl. is aangegeven. Maar in haar zal misschien juist dat verband van de Christusbelijdenis met die van de Vader op nieuwe wijze naar voren komen. Het kunnen groepen zijn, die met de meest elementaire noden des levens meer van nabij in aanraking komen dan het burgerlijk kerklid en die in gevaar staan hun geloof in de hemelse Vader te verliezen en nodig hebben het kerkelijk dogma juist op dat punt in nieuwe vorm en met nieuwe kracht tot uiting te brengen, zodat nood en twijfel er dieper in meeklinken. Wanneer Christus' gemeente zich weer openbaart, dan zal de spanning tussen kerk en staat, natuur en schriftuur, bloed en geest, Wet en Evangelie sterker gaan meespreken en zo zal de belijdenis van de Vader juist in tegenstelling komen te staan met die van het modernisme. Voor mij betekent de hulpgemeente niet een haven voor het modernisme, maar een geboorteplaats van nieuwe orthodoxie. De belijdenis van het eerste artikel, zo leert het onze tijd, is geen vanzelfsprekendheid, waarnaast dan de christologie een moeilijk wetenschappelijk probleem zou zijn, waaraan de universiteit de handen vol heeft, - maar ze is de grote ergernis, waarover het geloof moet triomferen. En het zijn weer de eenvoudigen, de kinderkens, die bij deze dogmenvorming de leiding zullen hebben. De motieven daarvoor worden uit het leven wakker overal om ons heen.
Zo is het ook met de leer des Heiligen Geestes. De huisgemeente in de grote stad zal, evenals in Paulus' dagen, daar gevestigd kunnen worden, waar, in de brandpunten der passies van de tijd, de behoefte aan heiliging ontstaat. Daarmee staan wij weer precies tegenover het oude modernisme, voor't welk het testimonium des Heiligen Geestes een getuigenis van een goed geweten was. Ook van die kant gezien ziet alles er heel anders uit dan wanneer wij de belijdenisvraag tot een wetenschappelijk christologisch debat binnen de cultusgemeente maken. De stormen van onze tijd en de roering die ze brengen in de zielen van fatsoenlijke en onfatsoenlijke christenen, die zullen de belijdenis van de Heilige Geest weer op gang moeten brengen. Is dat een illusie? Dr. De Vrijer heeft er in het bovenaangehaalde artikel nog pas op gewezen, dat we juist daarop ons hebben in te richten. En prof. Slotemaker de Bruïne wees er op, op het congres,33 dat er contacten liggen tussen politieke en kerkelijke stromingen en dat niet de statistiek maar de prediking onze toekomstkijk moet bepalen.
In Duitsland is het front reeds opgesteld op de wijze, die ik boven aangaf. De strijd gaat daar over het eerste en derde artikel van het symbool, schepping en kerk, Vader en Heilige Geest. In die vorm gaat het debat over Christus als fundament en het academische van de strijd is geheel op de achtergrond gekomen. Diepere argumenten, van de levensnood en de roering der geesten uit, zullen de doorslag geven. En daarbij zal niet alleen de universiteit maar het hele kerkvolk betrokken zijn.
Van hieruit valt ook een ander licht op de leertuchtvraag. Het maakt groot verschil of de kerk Christus moet belijden aan de hand van een aantal natuurkundige en geschiedkundige vragen, op welk terrein het modernisme haar gelokt heeft, dan wel of ze dat zal doen in verband met de natuur en de schepping zelf. In het laatste geval zoekt ze in Christus de Vader te leren kennen. - En ook is er groot verschil tussen een psychologische overweging van het leven met Christus, waarin de nieuwe theologie vastgeraakt is, en een vraag naar het geloof, die ons van Christus leidt naar de Heilige Geest. Als de leerstellige vraag op de laatste manier gesteld wordt, doen man, vrouw en kind mee en wij begrijpen het, dat in de grote perioden van de dogmenvorming het volk op de straat en de monnik in zijn cel in de beweging ingreep. Kamergeleerden hebben daarvan een grief tegen het dogma gemaakt, maar wij zien het heden ten dage weer gebeuren. We komen in een periode, waarin de kerk haar uitspraken midden in het leven zal moeten doen. Belijdenis is geen kleinigheid en leertucht een geweldige taak. Een kerk die de moed niet heeft om, als't moet, haar dienaren aan de dijk te zetten, is misschien een Maatschappij tot Nut van 't Algemeen,34 maar geen kerk. Maar het is geen werk dat binnenskamers door een in het modernisme vastgelopen presbyteriale kerk kan worden verricht. De vragen omtrent de Zoon in verband met Vader en Geest hebben betrekking op de Stad Gods,35 die deze hele wereld onder het gericht stelt. De kerk is daarmee niet gereed en wanneer ze daarvan een hanengevecht maakt door binnen de engere kring der cultusgemeente de partijen op elkaar los te laten, dan wordt het een spektakel, waarin die gemeente zelf haar oplossing zou vinden. Alleen de kerk in folio, de kerk met gemeentevorming en dogmenvorming, kan die weg bewandelen.
Ik ben mij bewust, hiermee tonen aangeslagen te hebben die én bij de vrijzinnigen én bij Kerkherstel weerklank zullen vinden. Toch deden wij geen bemiddelingsvoorstel. Ons Ontwerp is resultaat van principiële overwegingen. De uitbouw van het presbyteriale systeem, zoals wij die bedoelen bij de artikelen over de huis- en hulpgemeente, bij de nieuwe regeling van opzicht en tucht, bij de inschakeling van lekenorganisatiesg in het kerkelijk raderwerk, deze uitbouw wil aan die kerkorde een apostolische verruiming geven. Wat zo ontstond is een sprongvariatie, waarbij oudere of andere vormen in de presbyteriale orde zichtbaar worden. Met name zijn er sporen van anglicanisme in te ontdekken. Door deze veranderingen worden de grenzen van wat ik de presbyteriaanse natie noemde lichtelijk verflauwd ten bate van de heilige algemene christelijke kerk en wordt het kerkelijk ras ten dele opgeheven in de oecumenische geest.
Dit zou voor rechts en links beide een verlossing betekenen. Kerkherstel wil het volk en Christus vasthouden, beide. Maar zijn presbyteriale ordelijkheid is daarvoor niet geëigend. Het kan bij het volk niet komen. Het burgerlijke water is veel te diep. De vrijzinnigen willen Christus en het volk vasthouden, beide. Maar zij kunnen bij Christus niet komen. Hier is het wetenschappelijke water te diep. Beide zitten vast in een wetenschappelijke burgerlijkheid of burgerlijke wetenschappelijkheid, die het kenmerk is van het modernisme, dat ons verwijderd houdt van de gemeenschap des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes, de hemelse stad Gods, waarnaar de volkeren in onze tijd zuchtend opzien. De kerk moet dieper dalen om hier te kunnen helpen.
Kerkopbouw lijdt aan beide euvelen. De vrijzinnigen in haar worstelen om het wetenschappelijke te boven te komen, de orthodoxen doen dat met het burgerlijke. Misschien daarom voelt men hier het sterkst een verlangen naar een meer apostolische kerk.
Wij vinden in 1886 te veel van de schade van 1816 terug en in het voorstel van 1929 te veel van 1886. Daarom bieden wi hier ons ingrijpend amendement op het laatste aan, of, beter gezegd, een nieuw Ontwerp.