32. Kerkopbouw - Kerkherstel1
Mij is gevraagd hier iets te zeggen in verband met de kerkelijke vragen die aan de orde zijn bij Kerkopbouw en Kerkherstel. Er is enige moed voor nodig, want de tijden zijn zó dat iemand zich afvraagt of we niet te laat zijn. In Rusland worden de kerken gesloten en enige kilometers oostwaarts van deze oude koopstad speelt zich een grote tragedie af. De Joden zijn er allereerst in betrokken, niet alleen als hypermoderne mensen maar ook als nazaten van Oud-Israël. Men wenst het Oude Testament te vernietigen en het Nieuwe te zuiveren.2 De kerk moet er zich voor lenen deze godsdienstige operatie te verrichten op grond van een politieke bijbelkritiek zoals de wereld nog niet eerder gekend heeft. Het is of we nog een keer verplaatst zijn in de dagen van de volksverhuizing toen de Rijn de grens was en uit Rusland en Germanje de vloed kwam Opzetten die het Latijnse christendom overhoop wierp. De kerk was toen jong; ze heeft het doorstaan. Ze is nu oud en vertoont allerwegen tekenen van afbrokkeling. Zal ze 't nú doorstaan? Dat is een vraag waarop niet wij, maar God zal antwoorden. Voor grote woorden is het geen tijd. Wij hebben ons te bezinnen op wat God ons gebiedt. Het is een tijd voor handelen en lijden; een tijd om direct te zijn en vlak voor God te staan. Nelson wilde te Trafalgar handelen 'voor God en voor Engeland'. Wij willen dit doen 'voor God en zijn kerk'. Te laat is het dan nooit!
Wij leven snel en in het licht van de gebeurtenissen in Duitsland zie ik verenigingen als Kerkherstel en Kerkopbouw in ander licht dan een paar jaar geleden. 't Is niet te laat, maar we moeten ons haasten. Wat Colijn zegt in de Politieke orde: 'met behoud van onze instelling misschien nu nog3 dat geldt ook in het kerkelijke: 'nu nog is er tijd'. Maar dan mag het niet voortgaan als nu: Amsterdams hervormdental van 200.000-160.OOO! We hebben geen honderd jaar meer, zoals bij de jubileumviering 1816-1916.4 We wensen geen 'genootschap' meer, maar kerk. En daarmee komen allerlei dingen naar voren. In de eerste plaats de algemeenheid der kerk, haar karakter als Una Sancta, de heilige algemeen-christelijke kerk. De vereniging Kerkopbouw, waarvoor ik hier spreek, heeft mede aan dit verlangen haar geboorte te danken. Dat is haar positieve pool. Allerlei bewegingen hebben ons weer meer kerkelijk, in katholieke zin, doen voelen. We denken aan Stockholm, Lausanne, Lambeth.5 Tegenover zulke bewegingen grijpt men moed om zich als kerkelijk mens weer eens de ogen uit te wrijven. Heeft de kerk dan toch nog een toekomst? Maar deze dingen staan nu sterk in de schaduw van wat in Duitsland sinds enige weken gebeurt. In Stockholm werden nog de diepere religieuze gedachten door de Duitsers vertolkt tegenover de theologie van 'the Kingdom of God' van de Angelsaksers. De Duitser voelde zich daar de kruisdrager en was gereserveerd. Hij hield zich wat achteraf. Maar was deze houding niet geheel geestelijk? Men zou het bijna geloven. Hoe langer hoe meer kwam in de Duitse kerk het ras tegenover het Evangelie naar voren. Men beleeft daar nu een springvloed van het bloed tegenover de geest. Het oecumenische ligt naar die zijde lamgeslagen. Des te nodiger is het dat wij ons daarop bezinnen. Wij moeten weer kerkelijk leren denken. Misschien meent iemand dat dat een bekrompen denken is en hij denkt dan aan de gezangenkwestie enz. Maar dat is juist géén kerkelijk denken! Onder kerkelijk denken versta ik wat Joe Chamberlain bedoelde met 'you must learn to think imperially'6 maar dan in hogere zin, nl. van het koningschap Gods en van de regering van Christus uit.
De politieke gedachte loopt vast. Wij komen niet meer boven de gedachte van revolutie en tirannen uit, waarmee de Europese geschiedenis begonnen is.7 De principes van vrijheid en orde liggen verbroken en de landen verdelen zich in vijandige kampen. Er is geen volk meer als er geen kerkvolk is. En de rasvolken brengen ons naar de ondergang, als de kerk niet boven de rassen staat en ze assimileert.8 Kerkelijk denken gaat van Boven uit. De vraag is dan of de volken de banden en touwen, waarvan Psalm 2 spreekt, zullen verbreken. Wij geloven echter dat de lach van God boven de wereld zal blijven: de Christusregering!
De strijd tussen Gregorius VII en Hendrik IV moet nog eens ongedaan worden gemaakt en dan in geestelijke zin. Dan komt met het kerkelijk denken de algemene kerk weer naar voren die ons zal moeten redden.9 Dat is de grondgedachte van Kerkopbouw.
Maar het kerkelijk vraagstuk heeft ook een Nederlandse vorm, die niet door de tegenstelling Evangelie en ras tot uitdrukking gebracht wordt, maar door die van kerk en genootschap. De geschiedenis is welbekend. De gereformeerde kerk, zoals die van 1572 tot 1795 in ons land bestond, had een calvinistische inrichting, een gereformeerde kerkorde. De bedoeling was dat onder erkenning van de politieke orde (in onderscheiding van de wederdopers) een zodanige kerkelijke organisatie van ons volk zou plaats hebben dat de kerk er op ingericht was om diep in het volksleven in te grijpen. En ze heeft dat ook gedaan. De provinciale synoden bemoeiden zich letterlijk met alles. Ze hebben van ons volk een ander volk gemaakt en wat we zijn, zijn we door de gereformeerde kerk.10 In de handboeken van de vaderlandse kerkgeschiedenis leest men daarvan weinig. Daarin gaat het over geschillen en sekten.11 Maar men moet de synodale akten lezen! De kerk heeft haar werk niet vrij kunnen doen, want ze werd door de overheid gehandicapt. Daardoor kwam ze boven het provincialisme niet uit. Misschien hebben we hierin een wijs bestel van de goddelijke voorzienigheid te zien, daar de kans bestond dat de gereformeerde kerk te dopers in het leven zou hebben ingegrepen. In de achttiende eeuw betaalde de kerk haar tol aan de tijdgeest. Een humanitair liberalisme nam de overhand. En na financieel de ondergang nabij geweest te zijn, kreeg ze van Willem 1 in 1816 een nieuwe orde. Al langer dan honderd jaar heeft onze kerk dus onder die organisatie geleefd, dwz. onder een genootschappelijke vorm. De kerk was een vereniging met besturen en kwam niet samen in eigenlijke synoden, waarin het geestelijk leven zich kan openbaren. Deze organisatie moest een samenleven van individuen van verschillende geest mogelijk maken. De geboorte - niet de wedergeboorte - is hier het principe. Maar in de gereformeerde kerk, die deze organisatie draagt, is de wedergeboorte beginsel. Dit gaf wrijving en conflicten zonder einde. In de individualistische negentiende eeuw was dit nog dragelijk; maar nu de belijdenis van de Una Sancta en de eis van 'imperiaal' denken naar voren komen - nu niet meer. De organisatie van 1816 heeft de denkbeelden over de kerk sterk beïnvloed. Zij wasonverbeterlijk voorzoverzij beslissingen wilde voorkomen, die aan de kerk een werkelijke geschiedenis zouden kunnen geven. De partijen gewenden zich zo aan een leven in één verband. Voor 1816 hield de overheid vaak beslissingen tegen. Nú deed de kerk het zelf. Het politieke begrip 'gewetensvrijheid' werd naar de kerk overgebracht. De gedachte van regering en vertegenwoordiging burgerde in. De synode werd zoiets als een permanente Eerste Kamer, die zonder Tweede Kamer regeert. Zo'n kerkinrichting is conservatief in hart en nieren. In deze bestuursinrichting, waarin twee delen van de geest der oude regenten op de kerk gevallen zijn, zijn de synodale figuren in de negentiende eeuw geschoold. Vooral de vrijzinnigheid vat de fysieke aanwezigheid in de kerk als een recht op. Daarover zei J. H. Gunning jr.: alleen de inbreker werkt met fysieke tegenwoordigheid. Ieder behoorlijk mens legitimeert zich!12 De botsing tussen de twee beginselen van geboorte en wedergeboorte ging de hele negentiende eeuw door. Het was in 1834 en in 1886 buigen of barsten maar de organisatie hield het.
Tegenover deze organisatie is verschillende houding mogelijk:
1. Abraham Kuyper dacht - radicaler dan ooit - vanuit de wedergeboorte. Hij aanvaardde de antithese van de negentiende eeuw en stond de vrije kerk in de vrije staat voor. Een presbyteriale kerkvorm én het independentisme.13 Maar de taak werd dan een andere dan vroeger: niet meer een volkskerk, maar een (geestelijke) elitekerk. Dat is een vereenvoudiging van de moeilijkheden en loopt uit op een geestelijke cultuur op kleine schaal. Er is niet meer de volle spanning tussen Evangelie en volk. Het voordeel van de Hervormde Kerk is in ieder geval dat we het grote probleem hebben opengehouden - maar we bleven zitten met de tegenstelling geboorte-wedergeboorte, sc. kerk en partijen. En we zitten er nog (steeds) mee. Maar we mogen niet in een herhaling van 1886 vallen. Een elitekerk, een burgerkerk of een kerk van intellectuelen mogen we niet worden. Daarom hief Hoedemaker na 1886 de leuze aan: heel de kerk, heel het volk.14
2. Andererzijds is er het vasthouden aan het christelijk-historische karakter van de natie. Deze dingen kunnen echter gemakkelijk ficties en leuzen worden. De Hervormde Kerk een volkskerk - en wat betekent dan de terugval van het aantal leden in de gemeente van Amsterdam van 200.000 naar 160.000 zielen? Wat betekent het christelijk-historisch karakter der natie tegenover de onchristelijke massa en het onchristelijke intellect? Om van Rome niet te spreken! Deze problemen hebben bij Gunning de sterkste spanning gehad. Hij brak bijna met de kerk om een apostolisch christendom te omhelzen. Uit deze spanningen is een beweging voor reorganisatie geboren, maar de synode hield zich doof. Door het verweer tegen Kuyper had de synodale gezindheid een te grote versterking ondergaan. Vrijzinnigen waren tevreden met veiligheid en ethischen met de (geboden) gelegenheid tot prediking. Voor de kerk zelf als instelling naast de staat was weinig aandacht. Het probleem blijft echter en verscherpt zich. Met de staat alleen komen we niet uit. We hebben nodig een organisatie van de mensheid onder ander gezag, volgens andere regels en met een ander doel. Een organisatie, waarin tot uitdrukking komt dat Gods koninkrijk niet van deze wereld is.15
Maar de beweging heeft niet stilgestaan. Na de pogingen van Hoedemaker en Gunning16 komen Slotemaker de Bruïne en Blanson Henkemans met een concept Algemeen Reglement.17 Ongeveer 1910 is er de poging een grote synode samen te roepen.18 Maar ook dit voorstel wordt verworpen. Argumentatie: het gebouw is (voor dit grote gezelschap) te klein. Voorts zijn er pogingen, de zilveren koorde los te maken (art. 171 grondwet).19 De Gereformeerde Bond tot vrijmaking der kerk wordt opgericht.20 In het jaar 1930 wordt het voorstel van Haitjema c.s. verworpen. Toen werd Kerkherstel geboren. Het concept van 1930 herstelde de synodes en de classes en deed een voorstel inzake de leertucht. Maar strandde juist op deze kwestie van de leertucht. Hier ligt inderdaad het grote en eigenlijke verschilpunt met Kerkherstel. Wie 'kerk' zegt, zegt 'tucht'! Dit wordt steeds meer een communis opinio. Het oecumenisch-algemene karakter van de kerk wil niet zeggen: een kerk zonder grenzen, zonder orde. Deze beide - het algemene karakter en de tucht- moeten verenigd worden. De algemeenheid zonder tucht levert geen kerk op. En tucht zonder algemeenheid evenmin. Maar het gevaar bestaat dat we de kerk en de tucht verpolitieken. De kerk is een geestelijk lichaam. Hier liggen bedenkingen en overwegingen die ik hier niet verder zal uitwerken, maar die ik in een brochure21 heb neergelegd. Kerkopbouw nu is bezig in verschillende richting: dogmatisch, liturgisch en ook op het gebied der kerkorde. Dit laatste acht ik het meest urgent. De jongste gebeurtenissen in Duitsland doen ons zien dat er periculum in mora is. Uitstel is gevaarlijk. Wij hebben nodig een inrichting, instellingen met verkondiging en sacramenten, waarbij ons leven in hoger licht wordt gezet. De kerk is daarvoor thans niet bewèeglijk genoeg, terwijl juist de Hervormde Kerk die taak heeft. Het oude Duitse cuius regio, eius religio22 wordt weer wakker. De gereformeerde religie, althans het calvinisme, is thans contrabande in Duitsland. Wanneer daar de schaal doorslaat naar ras en natie, dan moet de schaal onder ons verder doorslaan naar Evangelie en kerk. Het is een wereldhistorisch moment dat we beleven.