31. Beginselen van het rapport1
Wanneer ik iets over het Rapport ga zeggen, dan mag dat geen brede verhandeling worden. Wij zullen de tijd nodig hebben voor de bespreking. Maar het is toch goed dat er voor de discussieiets gezegd wordt over de algemene beginselen, waardoor we ons hebben laten leiden. Dat kan veel misverstand voorkomen.
Wanneer ik het woord beginselen noem, dan moet ik al dadelijk vragen ons goed te willen verstaan. Wij hebben het woord beginselen overal in het Rapport vermeden, ook als we het in het Synodaal Algemeen Reglement of in het ontwerp-Haitjema2 aantroffen. Waar het bij ons binnendrong hebben wij het vervangen. Dat is een kwestie van terminologie, maar er zit ook een theologie achter. Kuyper heeft veel gesproken van gereformeerde en anti-revolutionaire beginselen. Die moeten dan dienen om in een zekere onbepaaldheid aan te duiden wat er na Schrift en Belijdenis in het moderne bewustzijn aanwezig is. Zij moeten zo de toepassing vergemakkelijken. Dr. Hylkema heeft indertijd in zijn Nieuw Calvinisme van deze term het doopceel gelicht.3 ⚑Beginselen mogen in de wetenschap of de politiek op hun plaats zijn, in de dogmatiek en het kerkrecht zijn ze dat minder. Ze zijn dan te veel een invalspoort voor wijsgerige en juridische inkruipsels, getuige de principiënleer in de dogmatiek. Voor het kerkrecht valt dat minder in het oog. Ik schreef zelf een brochure over beginselen van kerkorde,4 een titel die ik overigens niet zelf gekozen had. Maar toch geloof ik dat dit woord niet het meest juist aanwijst wat we hier zoeken. Evenals in de dogmatiek bedoelen we iets meer directs, in verband met de drijving van de Geest, in aansluiting aan Woord en belijdenis. Kerkorde mogen we niet in elkaar zetten aan de hand van enig handboek der ethiek, maar ook niet van een dogmatiek, ook al is het de Institutie van Calvijn. We mogen dat zelfs niet met de bijbel doen. We mogen niet, zoals Kuyper dat voor de hele theologie als wetenschap doet, boven het soteriologische uitgaan.5 Wij mogen niet, bij logische consequentie, alsof onze rede niet was aangetast door de zonde, de kerkorde regelrecht uit de bijbel afleiden. We moeten blijven in de weg van het kruis en met God de diepe wegen gaan, de donkere wegen ook, waar het zwaaien met beginselen ophoudt en waar we leren bidden, ook kerkrechtelijk: "Heer, ai maak mij uwe wegen door uw Woord en Geest bekend. Leer mij hoe die zijn gelegen en waarheen G'uw treden wendt." Waar dit gebed ophoudt, daar is - ook al heet iemand dan Gregorius de Grote, Calvijn, Voetius of Rutgers6 - geen kerkrecht maar iets anders.
Er zit in wat ik daar zei - laat ik het mogen opmerken - geen polemiek. Wij zijn niet tegen exegese, traditie, rekening houden met de historie, een ordelijke redenering. Maar gehoorzaamheid aan het Woord en belijden van de Waarheid, ook inzake kerkrecht, is meer dan dat alles. Als God het ons zegt, moeten we de weg van een beginsel dwars over durven steken. Met het kerkrecht zijn we vlak in de buurt van Gods Woord en de christelijke belijdenis en daar wordt van ons gevraagd, meer dan op menig ander, op de omtrek van ons geloofsleven gelegen terrein, dat we bereid zijn ons te onttrekken aan logische, juridische of ethische eigengereidheid en het oor te lenen aan de directe bevelen Gods. Het kerkrecht heeft een mystische achtergrond en als die niet tot inwerking mag komen kan er niets goeds geboren worden.
Achter deze bijeenkomst speur ik zo iets mystieks. We komen van twee kanten en als we met beginselen gaan zwaaien, zal er wel niets van terechtkomen. Maar we zitten hier onder zo'n donkere kerkelijke hemel, dat niemand daartoe wel de moed zal hebben.
Als Ypeij en Dermout hun Geschiedenis van de Nederlandse Hervormde Kerk7 besluiten, dan staat daar op de laatste bladzijde het volgende: "De grenzen van ons historisch geschrift liggen in het jaar 1816, toen er met de eerste vergadering der synode van de Nederlandse Hervormde Kerk, de derde van hooimaand, een geheel nieuwe orde van zaken geboren werd." ⚑Zij vergelijken dat met een berg. "Wij beklommen die hoogten; de nevel trok op en wij zagen met dankbare verwondering in de steilten neder, waaruit wij naar boven waren gekomen." De schrijvers hadden, na de napoleontische tijd, een zeker recht het zo te zien. Maar wij kunnen nu niet nalaten te glimlachen.
Het belangrijke in de ure die ons hier nu samenbrengt bestaat ook hierin dat de mogelijkheid bestaat dat dit lange tijdperk van 1816-1933, als wij tot overeenstemming konden komen, wordt afgesloten en we tot de presbyteriale kerkorde terugkeren. De mogelijkheden van dit kerktype zijn nog niet uitgeput. Men ziet in Duitsland hoe verschillend de lutherse en de gereformeerde kerk reageren op de wereldgebeurtenissen. Deze gereformeerde familie van presbyteriale kerkvorm, zoals Adolf Keller8⌫ ze berekent in de Christliche Welt,9 telt veertig miljoen gedoopte christenen, allen aanhangers van het presbyteriale systeem. De bond dier kerken heeft het laatst in Ulster vergaderd.10 Keller wijst er zeer terecht op dat tengevolge van de oecumenische beweging de nationale indeling der volkeren doorkruist wordt door een andere, naar de kerkorde-typen. De presbyterianen hebben hun bond; er is een luthers wereldconvent; dan de Lambeth-conferentie; de methodisten-baptisten wereld-conferentie; het wereldverband der congregationalisten.11 Deze groeperingen hebben, gezien als wereldberaad, ontzaggelijke betekenis. Ze leveren het bewijs dat de eis van een kerkelijk denken, zoals die thans opnieuw ook door prof. Haitjema wordt gesteld, niet academisch of utopisch is, maar wortelt in de volle werkelijkheid. Een groep van veertig miljoen presbyteriaanse christenen is een kerkelijke natie, een katholiek blok in de contemporaine geschiedenis. Wanneer dit kerkelijk leven nog meer tot ontwaking komt, dan behoeven we niet defaitist te zijn tegenover de jongste ontwikkeling van de politieke geschiedenis.
Maar wel hebben we te weten dat we er anders voorstaan dan in 1618 en 1816.
Wanneer in 1618 in een provincie als Noord-Holland de Dordtse kerkorde is ingevoerd - gesteld dat dit gebeurd was - dan betekende dat, als de overheid meewerkte, een organisatie van het hele volk.
Wanneer het heden ten dage gebeurde zou men het nauwelijks merken. Slechts in verband met een breed verband van kerken en als er dan iets van het vuur der oude calvinisten wakker wordt, om de wereld te christianiseren, kan het dezelfde betekenis hebben. De betekenis van de nationale en territoriale grenzen moet veel lager worden aangeslagen. En de katholieke idee moet veel sterker op de voorgrond komen.
In verband daarmee meent onze commissie dat de weer-invoering van de presbyteriale kerkorde niet maar moet zijn een toepassing van aanwezige, klaarliggende regels of beginselen. Tegenover de Ordnungen moet het Gebot naar voren komen. Daarover kan eenstemmigheid onder ons bestaan. Ik denk hier natuurlijk ook aan de ethiek van Brunner.12 In wat hij schrijft over de kerk staan mooie en behartigenswaardige dingen. Maar toch helpt ze ons niet voldoende. Er is te weinig van het directe, het gebod in. Onze tijd is verward genoeg om een beetje reformatorische kracht en moed nodig te hebben. Met een handboek komen we niet geheel waar we wezen moeten.
Het komt er op aan, dat gebod Gods te verstaan. En dat is geen kleinigheid. Maar als we 't zo zien is er toch een kans voor deze conferentie.
Wij zien de situatie zo dat als we meer kerkelijk en katholiek leren denken, we daarmee tegelijk losser worden van de bodem. De kerk zit niet zo aan de grond vast als de staat. Ook een volkskerk als de onze moet beweeglijker worden. Ze heeft meer internationaal contact nodig dan bij enkele plechtige gelegenheden. En haar inwendige vrijheid moet groter worden door het scheppen van organen naast de cultusgemeente. De cultusgemeente en daarmee de plaatselijke gemeente - zoals ook Brunner wil - blijft de grondslag der kerk. Maar naar calvinistische trant hebben wij de kerk daarnaast ook te mobiliseren als een heilsleger. Daarbij zullen de leken, zoals ze nu reeds doen buiten de kerk, zich hoofdzakelijk roeren. Brunner wijst er ook op dat onze kerken arm zijn aan ambten, vergeleken bij de oude kerk. En dat daardoor de pastores, de leiders in de cultusgemeente, overladen worden met allerlei werk waarvoor ze niet de geschiktsten zijn. Al deze arbeid brengen in handen van de kerkeraden der cultusgemeente zou noodlottig zijn voor het werk zelf en het karakter van de gemeente vervalsen. Maar de arbeid kan georganiseerd in verband met en rondom de plaatselijke gemeenten.
Vandaar dat het Ontwerp eigenlijk een dubbele organisatie bevat. Een enger en een breder kerkverband,13 dat tot uiting komt op de classicale vergadering en de synode.
Daardoor wordt echter de gemeente wel minder plaatselijk. Ofschoon de cultusgemeente erkend blijft, wordt, door haar meerdere contact en de grotere beweeglijkheid die ze krijgt, haar lokaal karakter van geringere graad. Dat is iets nieuws in dit Rapport en dat is het wat we als 'Gebot der Stunde'14 zien. We leiden het niet regelrecht af uit een vroegere kerkorde of uit de bijbel. Althans niet logisch; wel pneumatisch geestelijk. En de wereldsituatie doet het ons als een bevel van God zien dat we met de protestantse katholiciteit ernst hebben te maken. Dit wordt dan ook van invloed op de cultusgemeente zelf. Haar plaatselijk karakter wordt niet aangetast. Maar door haar grotere beweeglijkheid en de vermeerdering van haar geestelijk contact wordt haar lokaal karakter in zijn geheel lichtelijk gesublimeerd. ⚑Deze eis van het gebod is trouwens in overeenstemming met de feiten. Men zal, als men deze dingen niet accepteert, er door overrompeld worden. Wanneer wij nu spreken van de hervormde gemeente van Amsterdam, dan bedoelen wij eigenlijk de gemeente te Amsterdam. Wanneer we willen blijven zeggen 'van Amsterdam', dan bedoelen we een relatie; het is niet meer territoriaal. De gemeente maakt aanspraak op Amsterdam.
Dit laatste mag de cultusgemeente niet opgeven. Haar plaatselijkheid krijgt daarmee echter een andere betekenis. Zoals het nu is, dat een cultusgemeente voor 90% kan bestaan uit 'fatsoens'-leden, dat is een toestand die toch wel op een fout in de organisatie wijst, zo ernstig dat het einde van ons Polen15 daarmee in het zicht komt. Hier moet op de een of andere wijze met de bestaande toestanden rekening worden gehouden. Hier moeten we, ziende in het gebod, de weg van een of ander beginsel dwars over durven steken.
Wanneer we de plaatselijke kerk niet willen splitsen, dan moet hier ruimte voor meer differentiatie worden geschapen. Er moet meer structuur komen in het lichaam dat we de lokale kerk noemen. En daarbij moet rekening gehouden worden met het feit dat we naast de gemeente in dezelfde kerk ook de schare trekken.
De cultusgemeente krijgt overlast en kan haar katholieke karakter niet uitleven als ze aan de schare niet toestaat, binnen de kerk een voorlopige positie in te nemen. En de schare krijgt haar gemak niet als de gemeente, ook in de hedendaagse ontwikkeling, geen meerdere differentiatie in haar inrichting aanbrengt. Met onze eis van alles of niets doen we de ogen dicht voor de verschrikkelijkste werkelijkheden, tot we als Brand16 in de lawine zelf bedolven worden.
In dat licht moet men de huisgemeente zien. Ze betekent een poging tot uitbouw van de gemeente onder de schare, in kerkelijk verband. Ze maakt het bepaalde groepen mogelijk hun verlangen om bij de kerk te blijven bevredigd te zien, zonder dat daardoor de eenheid der plaatselijke gemeente wordt opgelost. Dergelijke concessies doet men thans reeds aan de jeugd. Over de Stichtingsgemeente spreek ik nu niet. Dat zijn uitzonderingen. Maar voor de hele kerk zijn organisaties als de NCSV.17 en andere ook zulke verschijnselen. Ze zijn niet per se onkerkelijk. Ze doen kerkelijk werk. Ze denken helemaal kerkelijk. Ze arbeiden onder de schare. Maar niet precies in het verband der cultusgemeente.
Zulk een uitbouw moet men ook binnen de plaatselijke territoriale kerk mogelijk maken. Het territoriale knelt dan minder. Ook op eenzelfde grondgebied kan de kerk zich in verschillende vormen openbaren. En toch is de aanspraak op het geheel niet losgelaten. De cultusgemeente is de vervulling. Daarbuiten is men in de staat der aspiratie. Er zijn heel wat NCSV.-leden die een periode van onkerkelijkheid doormaken en die later steunpilaren van de cultusgemeente worden. Er zijn vele gezinnen in stad en land, waarvan de leden in lang geen voet in de kerk hebben gezet of zullen zetten. En die toch trouwe hoorders zijn van de radiopreek. Zo gaat het ook met de jeugdkerk.
Moet de kerk hier nu zeggen: alles of niets? Moet ze zich blind staren op haar gemeentevorm? Of moet ze haar organisatie onder de schare uitbouwen? Wij menen de Schrift te gehoorzamen als we tot het laatste adviseren.
Men zal mij opmerken dat ik nog niet over de richtingkwestie heb gesproken. 't Is waar ook. Ik was het - nu in 1933, onder de indruk van de gebeurtenissen in Rusland en Duitsland - bijna vergeten dat we immers voort moeten breien aan de kous van de negentiende eeuw. Maar dat kunnen we niet van ganser harte. Het is waar dat de huisgemeente uit ons rapport uit de richtingkwestie stamt. Een kwestie, die in een territoriale volkskerk onoplosbaar is. Wij hebben er alle jammer van beleefd in Doleantie en lokale richtingstrijd en we zijn niets opgeschoten. Onze kostelijke gereformeerde broeders van 1834 en 1886 zijn nu al een eeuw en een halve eeuw van ons af en ze maken geen aanstalten om terug te komen. Ik heb de scheur van 1886 zien gaan door de gemeente en het gezin, waarin ik ben opgegroeid18 en heb sedert het gevoel dat er iets kapot gegaan is. Ik zou ze terug willen zien.
Pas als we ten dele verlost worden van onze territorialiteit, als we in partieel-katholieke verbanden weer kerkelijk leren denken en onze geestelijke beweeglijkheid terugkrijgen zal er een kans zijn dat we ook hier een stap verder komen. Ik geloof wel dat er een antithese is tussen geloof en ongeloof.19 Wij beamen ook dat de kerk de tucht weer een plaats moet geven in haar handelen. Maar de antithese is een grensbegrip waar we heel voorzichtig mee moeten omgaan. We beginnen met, zoals Gunning, een terrein voor aspiratie af te bakenen.20
We zeggen niet dadelijk: alles of niets. We doen dat onder kerkelijke leiding. De cultusgemeente blijft het terrein der vervulling. Hier zal de strijd, voor zover die niet te vermijden is, voortgaan. Maar door de uitbouw in de huisgemeente wordt die strijd afgeleid en kan er een milder klimaat in de kerk ontstaan. Hele groepen verbitteren en verzuren thans. Wanneer ze onder kerkelijke leiding zich geestelijk mogen oefenen, zullen er beslissingen worden voorbereid die thans onmogelijk zijn. Of die thans moeten uitlopen op een totale versplintering der kerk.
Zo gaan we met de richtingstrijd een andere kant uit. Ze zal toch veranderen in onze tijd. De nood der kerk zal dat doen. Maar nu reeds ziet men in verscheidene kampen de richtingvraag meer in verband met de schare. Het is de vraag of er een terrein van aspiratie zal gelaten worden waar de massa kan worden vastgehouden voor de kerk, worden opgevoed en geoefend. Het is er vele van de kerkleer afwijkende personen thans niet in de eerste plaats om te doen om de hele kerk van hun mening te doordringen, als wel om de gelegenheid te behouden grote groepen mensen vast te houden, die anders voor de kerk verloren zouden gaan. Van vrijzinnige zij de begint men zelf om tucht te roepen, ten einde een positieve verhouding tot de belijdenis der kerk te kunnen behouden. Men moet de verklaring van afwijkende meningen vaak veel meer zoeken in cultuurinvloeden dan in een principiële antithese. Er is vaak een hartstochtelijke begeerte, de mensen bij de kerk te houden, hen kerkelijk te leren denken en deze gemoedsgesteldheid heeft verre de overhand gekregen over negatieve verlichtingswaan of dito waanzin. De tijden zijn er niet naar om een evangelie te prediken van eigen vinding. Ieder die wat heeft, houdt vast, al is het een strohalm.
In die fase is het richtingvraagstuk bezig over te gaan. En daarom, al lijkt de huisgemeente een nieuw pacificatievoorstel21 in de oude trant, het is dat niet. Wie wil kan in verband met het geheel van deze voorstellen zich overtuigen dat we hiermee op een nieuw spoor overgaan en dat we bedoelen een uitbouw van de gemeentevorm ter organiscring van de schare. Alleen op die wijze kan in een volkskerk de richtingstrijd een uitweg vinden en een beslissing tegemoetgaan. Richtingen zijn dan niet meer in twee of meer stukken gesneden territoriale gemeenten. Maar geestelijke bewegingen op verschillend niveau, die in het geheel der kerk in contact met elkaar onder kerkelijke leiding en onder de geregelde oefening van kerkelijk opzicht en tucht niet op elkaar, maar op die 90% van de mensen zijn ingesteld, die de geregelde aanraking met de ambten verloren hebben. Dat er in die weg dan ook uitspraken vallen en beslissingen door de kerken genomen zullen worden, dat wensen wij, dat verwachten wij.
De richtingkwestie moet naar een beslissing worden heengeleid. Maar dat mag alleen met het oog op de schare, met het oog op de kerk in folio.22 Ik acht dit punt van zo groot belang dat ik ongeveer de gehele tijd, die ik voor deze toelichting van het rapport redelijkerwijze kon vragen, eraan verbruikt heb.
De andere punten hebben trouwens veel minder toelichting nodig. De regeling der tucht, zoals die in het Rapport voorkomt, spreekt voor zichzelf en is in overleg en brochure, geloof ik, wel voldoende bekeken en rijp voor bespreking. Ik wil er alleen nog op wijzen hoe nauw ze samenhangt met de uitbouw van de gemeentevorm. In overeenstemming met het delicate karakter van deze functie in het presbyteriale systeem en de grote moeilijkheden, waarvan de Kuyper-kerken het bewijs zijn, is voor opzicht en tucht eigenlijk een tweede organisatie geschapen, waarin men, als men wil, een geringe inslag van anglicanisme23 kan opmerken. Maar alles is in de toon van het presbyterianisme gehouden. Wat art. 1 1-9 betreft, bij ons art. 1,24 we hebben - en in de eerste bijeenkomst van Contact25 was daarover goede overeenstemming - gemeend dat een belijdenis niet in een reglement thuishoort. Het reglement verwijst naar de belijdenis. En deze belijdenis zien we in de historische stukken, zoals onze kerk die bezit, maar dan nu weer opgenomen in het actuele belijden der kerk. Natuurlijk hangt bij dat belijden veel, zo men wil alles, van de personen af. Maar ik zie niet hoe we dit in deze wereld ooit anders zullen krijgen. We zien het in Duitsland. De massa kan alles wegvagen. En 2/3 van de stemmen der synode in het Rapport kunnen elke wijziging aanbrengen.26 Als we hier niet alles van de leiding Gods verwachten zijn we toch verloren. In een reglement kan men niet meer dan heenwijzen naar Christus en de belijdenis der gemeente. De spitsvondigheden over het quia en quatenus en de onderscheiding 'geest en hoofdzaak'27 uit de negentiende eeuw verlangen we niet terug. De kerk moet nu maar eens weer als geheel zich uitspreken tot in bijzonderheden toe en dan daarnaast in een wijdhartige echt episcopale oefening van opzicht en tucht voor ieder individueel geval zelf beslissen hoeveel persoonlijke ruimte zij haar ambtsdragers wil geven. Ook dat zal van de persoon afhangen. Maar voor beide: belijdenis tot in bijzonderheden toe en ruimhartige tucht, heeft ze de bevoegdheid als dit ontwerp wordt aangenomen.