30. Beginselen van kerkorde1
Met een hernieuwde belangstelling voor de kerk moet bezinning op haar orde gepaard gaan. Het kan lijken of daarmee een oud academisch debat herleeft, een dispuut bijv. over de Dordtse kerkorde.2 Nu is Dordrecht een naam, die nog steeds met ere afgedrukt staat op het titelblad van bijna iedere huisbijbel. De stad heeft voor ons iets van de betekenis, die de Wartburg heeft voor de Duitsers. En ook de regel die men daar op het kerkelijk samenleven heeft gesteld, is, al werd hij niet overal aangenomen, van grote waarde geweest. Maar de betekenis daarvan ligt niet uitsluitend in de toevallige bepalingen, maar vooral ook hierin dat er de scheppende macht van het calvinisme uit spreekt. Het gereformeerde kerkrecht had een chaos te ordenen. Calvijn en Voetius3 hadden te rekenen met de Wederdopers4 en de Independenten.5
Wanneer wij de grote Nederlandse tradities willen bewaren, dan hebben wij daarmee te rekenen. Wij zien een andere wanorde voor ons en met herstel komen we niet uit. Zelfs de debatten die in 18866 gevoerd zijn kunnen we niet meer zo herhalen. De wereld van nu ziet er zo heel anders uit dan die van toen. En achter hetgeen toen voor of tegen het blijven in de Hervormde Kerk werd aangevoerd lagen ook reeds inzichten en uitzichten, die we nu beter ontdekken dan het toen mogelijk was. Een debat als tussen Kuyper en Gunning7 moest binnen een te eng kader van begrippen worden uitgevochten. Sommige van hun redeneringen doen ons nu aan als sofismen. Wij verstaan nu beter waarom ze verschillende wegen moesten gaan. Wij kunnen gebruik maken van de toelichting, die vijftig jaren historie hebben gegeven. Wij moeten de hele discussie weer overdoen en de gereformeerden zijn daar evengoed in betrokken als de hervormden. Op de titel van een vrijzinnige kerk tegenover die der orthodoxie stellen we geen prijs.
Daarbij moet het echter niet gaan over de orde, maar over de wanorde.8 De mensen zijn er niet om de kerkorde, maar de kerkorde is er om de mensen. Een stel bepalingen uit Voetius'Politica Ecclesiasticaa kan ons niet helpen.9 Onze tijd vraagt om de ordenende geest van een CALVIJN, Bogerman,10 Kuyper. Een voorname trek van het gereformeerd kerkrecht komt ons daarbij te hulp, nl. het streven om zo weinig mogelijk te reglementeren. De presbyteriale kerkorde11 wordt door Calvijn wel uit de Schrift afgeleid, maar in zijn wezen is het een poging om het menselijk apparaat rondom het werk des Heiligen Geestes tot een minimum te herleiden. Het is een benadering van de limiet12 bij de vereenvoudiging der kerkinrichting. Rome bouwt rondom het Evangelie een hiërarchisch systeem. Luther trekt zich op Woord en Sacramenten terug en laat de bescherming van de geestelijke dienst aan de overheid over. Calvijn wil een orde, waarbij de kerk op zeer bescheiden wijze zelf enige regelingen treft. Hij handhaaft tegenover de Wederdopers de noodzakelijkheid van een kerk als middending tussen wereld en godsrijk. Maar hij is bang voor te grote verheffing van het ambt. De pastor noemt hij een 'mannetje uit't stof verrezen'13 en de doctor heet uit 't stof der aarde genomen.14 De diensten in de kerk zijn goed om eenstemmigheid te bevorderen en gehoorzaamheid te leren. Maar deze gehoorzaamheid is nauw verbonden met het aannemen van de prediking, de gehoorzaamheid des geloofs. Het eigenlijke doel van de ambten is: onze zwakheid te hulp te komen. Wij moeten't woord Gods uit mensenmond horen.
Deze kerkorde is benadering van een grens. Ze wordt niet met dezelfde geestelijke macht uit de Schrift afgeleid als het sola fide.15 Wij hebben hier met een zelfstandige poging te doen om de regering door Woord en Geest in enkele eenvoudige instellingen nabij te komen. Deze kerkorde levert een goed voorbeeld van pneumatische exegese, een geestelijke vertaling uit het ene tijdperk in een ander. Want een Franse of Hollandse kerkeraad uit de zestiende eeuw was toch zeker niet een zuivere herhaling van het opzienerschap uit de dagen der parousieverwachting.16 Eerder zal men moeten aannemen dat duizend jaren episcopaat nodig zijn geweest om de kloof tussen de engelenb der gemeenten van Klein-Azië en een Petrus Datheen17 of Jan Arentz18 te overbruggen.
Wanneer de dingen zo staan is de kans groot dat een nieuwe benadering in onze tijd verschillen zal vertonen. Ook wanneer we ons houden aan de overgeleverde ambten van predikant, ouderling en diaken - de doctor is reeds weggevallen - dan kunnen we die waardigheden thans slechts vele sporten lager terugvinden. De bisschop is in de eeuwen na de kerkhervorming in de pastor verder afgestorven en de ouderling maakt geen aanspraak meer op dubbele eer,19 maar is met de burgerlijke dubbel tevreden. Een portret van een enkele overleefde Veluwse ambtsdrager van de oude stempel naast dat van de predikant der toekomst zou dat 't best kunnen illustreren. Het baat ons niet als we een oude kerkorde willen nabouwen, als de pijlers waarop die rust inmiddels verschoven zijn. Calvijn werkte zijn kerkorde uit tussen roomsen en wederdopers. Zijn ambtsdrager houdt het midden tussen een kerkvorst en een geestdrijver. Hij is een leek, vergeleken bij Bossuet,20 maar een prelaat tegenover de vrije oefenaar. Voetius schrijft tegen politieken en Independenten. Zijn geest is reeds veel minder regimentaal21 dan die van Calvijn. Zijn kerk heeft iets van een conventikel, waarin de kerkorde moet dienen als tegenwicht tegen de vele pausen die de kerk voor de éne in de plaats gekregen heeft.
In deze sferen ontstaan vele kwesties die ons geen belang meer inboezemen. De kerken van Kuyper lijden er onder dat ze daarmee zo weinig gerekend hebben. Kerkherstel mag wel oppassen niet in dit kielzog te worden meegetrokken.
Maar ook uit de kerkelijke strijd der negentiende eeuw kunnen we niet ieder debat voortzetten zonder in anachronismen te vervallen. Voor ons is bijv. de tegenstelling van juridisch en medisch,22 uit de dagen van Groen van Prinsterer, niet meer actueel. Dat de belijdenisgeschriften niet wettelijk zijn afgeschaft, zegt ons weinig. Het argument kan in de rechtszaal op zijn plaats zijn, maar niet in de synode. Perioden als daarbij ter sprake komen stonden misschien de mammoet ten dienste maar niet de tijdgenoten van het vijfjarenplan.23 En dat de kerk heelkundige behandeling nodig heeft, ja, dat is nu allengs wel een waarheid als een ... mammoet. Ook de kwestie van leer óf leven zie ik als zulk een verouderde vraag. Ze raakt niet direct de kerkorde, maar hangt er mee samen. De leer is daarbij iets officieels, dat door de doctor - uit de wolk - onderwezen wordt.
Het hele niveau der kerk is intussen verder gedaald, zoals past voor een gemeenschap die de Vleeswording belijdt. Het is niet toevallig dat van de vier ambten bij Calvijn, doctor, pastor, presbyter en diaken, het eerste wegviel en het laatste naar voren komt. Een nieuwe kerkorde zal met zulke verschuivingen moeten rekenen.
Dat er zulk een orde moet komen, wordt snel communis opinio. Kuyper was een der eersten die het zag. Hij overzag de hele calvinistische erve, maar zijn werk bleef een fragment. Hij kon niet wachten en was veroordeeld tot een burgerkerk, voor welke de Dordtse kerkorde nog scheen te passen. Gunning kon het wel. Hij overzag de hele christenheid en profeteerde het duidelijkst van de komende nood. Hij was veel minder humanist dan Kuyper. Deze vond het calvinisme prachtig en dat is het ook. Gunning wist het ook wel maar hij zweeg stil. Hij was minder esthetisch en meer ethisch.24 Hij zag dat ook de gereformeerde wereld in het boze ligt25 en dat men zich door aaneensluiting het kwelwater der goddelozen niet uit de schoenen kan houden. Bij hem zijn ook calvinistische tonen, maar ze komen de profundis, uit de diepte. Hij blaast ze niet van de toren. Op het laatst van zijn leven is hij in dat opzicht het grootst. En het pleit niet voor de ethischen die hem daarom in verwijtende zin confessioneel noemden. Gunning was de modernste van allen. Hij zag de komende nood en riep om zijn moeder de Kerk.26 ⚑Precies dertig jaar na de verschijning van zijn uitvoerigste pleidooi voor een nieuwe kerkorde27 staan we midden in allerlei nieuwe voorstellen. De volkeren nemen ze zelf ter hand en laten hun synodes praten. Daar is de Russische kerkorde met haar gesloten kerkdeuren en buiten de wet gestelde popes. Daar is de beweging der Duitse christenen,c de kerkelijke keerzijde van de Hitlerbeweging.28 In Frankrijk de lekenbeweging29 van La Cause.d En in Engeland30 de Lambeth-Conferentie.e En naast dit alles de roomse kerk die nergens aan meedoet en toch aan alles meedoet.
Te midden van dit alles verliest de bezinning op kerkorde de laatste schijn van juridische spitsvondigheid. En elk pogen der kerken om elkaar een vlieg af te vangen wordt grenzeloze kinderachtigheid. Men wordt gevergd op enkele kapitale vragen: geen kerk of een fascistische31 of een lekenkerk of een bisschoppelijke of weer de roomse? De beide uiterste alternatieven laat ik hier rusten. Ofschoon ze in de wereldhistorie zeker mee in het geding zijn. Voor la Cause en Lambeth verwees ik reeds naar Algemeen Weekblad en nr. 1 van reek C dezer brochures. Ik wil hier iets meedelen over de Duitse christenen,32 omdat dat nog minder bekend is.
Deze christenen willen niet dat de strijd om levenslot en toekomst buiten de kerk zal omgaan. Ze willen'Luthergeest'en noemen dat'heldenvroomheid'. Dat is het ook. Maar in Luther eren ze even sterk de germaan als de christen. Hij is voor hen tegelijk Herman de Cherusker33 uit de Varusslag. Door hem willen ze een kerk-volk zijn,
"nach aussen eins und geistgewaltig urn Christus und sein Wort geschart."
Positief, historisch christendom moet het zijn. Geen voorzichtig verdrag tussen kerk en marxisme.34 De 'reine' leer, de luthersen van ouds zo lief, moet dat blijven. Daarom moet men bereid zijn tot kamp, kruis en offer. Kruis en offer, dat klinkt goed christelijk, maar er mengt zich een nationale toon in. Het kerkvolk is tegelijk ras-volk. En evenals de leer moet ook het ras zuiver blijven. Het is een stuk van de scheppingsorde en de kerkorde moet daarmee rekenen. In verband daarmee krijgt ook de zending een bepaalde kleur. Inwendige zending moet mannelijk christendom zijn, niet enkel medelijden. De stem van Nietzsche35 mengt zich in het zendingsbevel. Jodenmissie levert gevaar op voor 't ras. Kosmopolitisme, pacifisme, internationalisme worden afgewezen.
Deze vermenging van kerk en ras doet zelfs in de theologie haar invloed gelden. In hetzelfde nummer van Die christliche Welt,36 waaraan ik deze bijzonderheden ontleende, staat een opstel over een oud Saksisch heiligdom, dat in 772 door Karel de Grote werd verwoest. Men vierde er de herrijzenis van de winterzon en de schrijver wil dat de Duitse christenen in hun geloofsleven dit nedergedaald en opgegaan zullen verbinden met het nedergedaald en opgestaan uit de Twaalf artikelen.
Dit nationale christendom ziet er wat onwaarschijnlijk uit, zoals meer Duitse dingen. Maar het is een werkelijkheid even goed als het atheïstisch christendom in Rusland. Bovendien bestaat het vlak naast onze deur. Naast de door Luther zo heerlijk verkondigde genadeorde komt hier de scheppingsorde zeer brutaal naar voren om de kerkorde mede te bepalen. En de ethiek van het Duitse volk toont reeds de duidelijke sporen van deze nieuwe kerk-idee.
Ik heb over deze dingen wat uitvoeriger gesproken omdat ook voor ons land de gevaren van zulk een nationale kerkelijkheid niet denkbeeldig zijn, zij het op heel andere wijze. Sommige krachtige kuyperianen in ons land denken aan een vereniging van alle gereformeerden in exclusieve zin. Zij koesteren een diepe verering voor de kerk onzer martelaren en de heldengeest, die daarin gewoond heeft. Ze wensen die zuiver te houden. Sterke gevoelens van volk en historie verbinden zich daarmee. De naam geus is de hoogste ridderorde en van chocolade-gebruik37 vreest men verslechtering van het calvinistisch ras. Sommige van de meest schitterende bladzijden van Kuypers redevoeringen waren in die toon van: Wij calvinisten gezet. En er leeft een Kuyper-gemeente in deze zin in ons land, al is haar omvang veel kleiner dan die der gereformeerden buiten en binnen de hervormde kerk.
Er is groot verschil tussen deze Nederlandse calvinisten en de 'Duitse christenen'. Niet van het ras gaat hier de bezieling uit maar van de geschiedenis. En daarin werken nationale motieven heel anders; omdat niet het heidendom maar het christendom er de hoofdfactor is. We behoeven niet bang te zijn dat het spel van de oude grond hier zal gaan spreken. Niets maakt zo los van de bodem en zijn paganistische38 folklore als juist het calvinisme. En tevens vormt de algemene trek daarvan een machtige correctie. Calvijn werkte in Genève, die internationale stad bij uitnemendheid. Ik wil ook bekennen dat ik altijd de bekoring van dit religieus-romantische Nederlanderdom sterk heb gevoeld. Kuypers grote redevoeringen zijn hoogtepunten in onze literatuur. En wanneer Hindenburg39 zolang de geur der Duitse eiken, waarvoor hij ruimte wilde schaffen, heeft ingedronken dat hij zelf een nationaal symbool werd, mogen wij dan tenminste met onze historie niet zo doen?
We raken hier aan de betekenis van de scheppingsordinantiën waarvoor Kuyper levenslang het pleit heeft gevoerd en waarop thans de 'Duitse christenen' ook zo grote nadruk leggen. Het is wel nodig even na te denken of men wenst dat de geestelijke orde en de kerkorde der toekomst daarop gegrondvest wordt. Een hersenschim is het niet helemaal. Een nationaal-gereformeerde vluchtheuvel om zich het communistisch kwelwater van de tenen te houden, is een politiek-kerkelijke mogelijkheid, al sla ik haar kansen niet hoog aan. Oranje en de kerk, prins Willem en Calvijn, dat ziet er in ieder geval veel beter uit dan Herman en Luther. Van zulk een fascistisch calvinisme zat er iets in Kuyper. Er woonde ook 'Mussolini'40 in hem. Dat zou een kerkorde meebrengen, die niet eerst aan de synode ter beoordeling zou worden voorgelegd.
Zulk een nationaal - desnoods internationaal - maar dan toch nationaal calvinisme staat niet diep genoeg geworteld om de stormen der toekomst het hoofd te kunnen bieden. Er zit te veel humanistische 'bravoure' in, te veel scheppings-romantiek. Het is te bedwelmend, niet geestelijk nuchter genoeg. Het staat niet diep genoeg in de tragiek van het Evangelie gegrond.
Tegenover dit calvinisme zijn Kerkopbouw en Kerkherstel41 bondgenoten. Wanneer er uit die hoek verzet is tegen leertucht in de Hervormde Kerk,42 dan ligt die afwijzing verder af van de mentaliteit van sommige Kerkopbouwers, voor wie zulke tucht de rode lap betekent, dan de aanprijzing daarvan door prof. Haitjema43 c.s. Men wil dat in de Hervormde Kerk niet, omdat men haar ontbinding wenst. Beide verenigingen staan daar tegenover. Ze staan in de schoenen van Gunning, in wiens kruis-calvinisme het venijn van het nationaal-humanisme door het apostolische is uitge uiverd. Wat bij Gunning een singuliere bevlieging leek en niet nodig tegenover het goedige gepraat van dr. Vos en anderen over vaderlandse kerk,44 dat verlangen naar een apostolisch45 uitstoelen van de grondslagen der gereformeerde kerk, dat blijkt nu van grote betekenis met het oog op de nationale verdwazing, waarin kerken en volken dreigen onder te gaan. Gunning droeg het tegengif reeds bij zich. En in zijn laatste periode46 zien we zijn figuur in haar natuurlijkste houding. Dan heeft hij, voor wat hem levenslang verontrustte, de verklaring in zijn tijd gevonden. - Wanneer dan ook dr. Berkelbach van der Sprenkel47 op een ledenvergadering van Kerkherstel heeft opgemerkt dat Kerkopbouw onder buitenlandse en Kerkherstel onder nationale invloeden ontstaan is, dan is dit niet geheel onjuist, maar het treft toch het wezen der zaak niet. Het kan een gevaarlijk misverstand wekken. Wanneer in het Ontwerp Algemeen Reglement, van prof. Haitjema c.s., dat in januari 1930 door de synode werd afgewezen, in art. 9 de aankweking van liefde voor vorstenhuis en vaderland wordt genoemd, vlak naast de prediking van het Evangelie, dan is dat een concessie aan wat ik de 'goedige' synodale gezindheid der vorige eeuw noemde. Het is dankbaarheid aan Willem 1 vóor de organisatie van 1816. Met fascisme of nationaal calvinisme heeft het niets te maken.
Het is absoluut wenselijk dat beide verenigingen, die herstel of opbouw der kerk wensen, zich ervan bewust zijn en steeds meer worden dat ze in dit opzicht naast elkaar staan. Er bestaan allerlei vormen van humanisme. Het literair-filosofische is op dit ogenblik niet het gevaarlijkste. Het politiek-kerkelijke is veel erger. In de huidige wereldcrisis moet de kerk weer duidelijker in haar organisatie tot uitdrukking brengen, dat niet de natie maar de incarnatie haar hoeksteen is en dat haar enig fundament Jezus Christus is. Bodem en geschiedenis zullen daarbij nog meer moeten terugtreden en ootmoedig geloofsleven en opofferende arbeid naar voren moeten komen. De geografische classis48 bijv. moge als grondslag van kerkelijke vertegenwoordiging moeilijk geheel te vervangen zijn, ze mag toch niet zulk een heilig huisje blijven als ze dit tot heden in het gereformeerde kerkrecht is. De kerk staat niet in de scheppingsorde, maar in de genadeorde. Daarentegen zou aan organisaties van christelijke arbeid als instrumenten van Christus' Geest meer invloed kunnen worden toegekend. De kerk zou zo losser van bodem en historie worden; een bewegelijker geheel, dat zich vrijer roert en op kritieke momenten in staat is een maximum van de in haar levende geest tot openbaring te brengen. Zelfs de ondeelbaarheid der plaatselijke gemeente,49 die ook ik wil eerbiedigen,f mag niet overspannen worden. Calvijn denkt in dat opzicht katholieker dan latere gereformeerden. De argumenten van Voetius bijv. tegenover de Independenten zijn vaak zwak en zijn kerkorde heeft iets van een democratisch gemenebest. Bij Bavinck vindt men uitspraken, die meer aan Calvijn herinneren. Logisch gaat het geheel voor de delen. Christus, het Hoofd, regeert zijn kerk.50
Door deze principiële overeenstemming van de beide genoemde verenigingen in universele gereformeerdheid als calvinisme des kruises, dat in Gunning zijn profetische belichaming vond, wordt het leertuchtvraagstuk nog niet uitgeschakeld, maar wel dichter bij zijn oplossing gebracht. Ik zou het althans hoog spel vinden om daarop elk compromis te laten stranden. Wanneer het er niet om te doen is een ras van stoere calvinisten te kweken en dat zuiver te houden - wat een biologisch belang is - maar om het evangelie zijn loop te doen behouden, dan is alle ketterjacht uitgesloten. De belijdenis en de prediking der kerk als geheel, vooral als haar beweging vrijer wordt van ruimtelijke indeling, zoals ik dat boven aangaf, zal in belangrijkheid toenemen en lokale afwijkingen zullen in gewicht verliezen. Niet de empirische ketter die ergens in 't veld zichtbaar is, maar de ethische, die de kerk in haar openbaring hindert, zal door haar oordeel getroffen worden.51
Om daartoe te geraken is een wijziging nodig in het overgeleverde tucht-procédé. Dit is een moeilijk punt dat tijd en veelzijdig beraad nodig heeft om tot oplossing te komen. Dit is misschien nog geen communis opinio in Kerkherstel, maar prof. Haitjema heeft in 1931 op een conferentie52 verklaard dat ook hij wil meewerken om dit oud-gereformeerde middel tot bescherming van de prediking van bijbels, kerkhistorisch, theologisch en kerkrechtelijk standpunt uit te herzien.g Men is van die zijde ook bereid dit beraad uit te stellen tot na de invoering van een nieuwe kerkorde.53 Er liep op de oprichtingsvergadering van Kerkopbouw een bon mot van een Nederlands professor die verklaard zou hebben dat hij tegen leertucht was en nog veel meer tegen uitgestelde leertucht. Ik zal dit attisch zout niet op deze slak leggen om haar zo tot oplossing te brengen. Ik zou liever zien dat het weekdier een werveldier werd en we door gemeenschappelijk overleg een tucht-instituut konden vinden van stevige structuur, met een karaktervol skelet dat wederzijds vertrouwen inboezemt. Dat zou dan vóór een reorganisatie moeten vaststaan. Dat wij ons allen daarbij zullen moeten stellen 'onder de tucht van Christus' Woord en Geest', zoals prof. H. zei op de bovenbedoelde conferentie, daarover zijn we 't eens. Maar als we zo'n groot woord gelaten uitspreken, dan voelen we hoe gebrekkig iedere regeling moet zijn die daarop orde stelt. En als de referent van toen dan verwijst naar'het klassieke gereformeerde leven',54 dan meen ik dat daar juist over gepraat moet worden.
En hier kom ik dan tot een ander kerkorde-type dat in onze tijd veel van zich doet spreken: het anglicanisme. Wanneer daarachter motieven schuilen van volk en ras en het een poging is om de wereld te winnen voor de Engelse Christus,h dan behoeven we er geen woord aan te verspillen. De Angelsaksers van Hengist en Horsa55 leveren geen betere grondslag voor kerkopbouw dan de Saksers van Wittekind.56 Liever herinneren wij ons dan het jaartal 1015 uit ons schoolboekje, toen DirkIll Dordrecht stichtte. Ook achter de naam van deze kerkelijke stad zit wel nationaal perspectief. Maar de dingen kunnen ook anders liggen. Prof. Brouwer heeft er in zijn brochure al op gewezen dat sommigen de anglicaanse kerk als 'aangewezen bindingsmiddel' zien van de verscheurde christenheid. En dat prof. Böhl57 meent 'dat het calvinisme de synthese zal vormen'. De schrijver zelf laat de vraag in 't midden. Inderdaad doet de anglicaanse christenheid veel van zich spreken en prof. Böhl is de enige niet die aan de wereldmissie van het calvinisme gelooft. Het ligt voor de hand dat wij 't eerst en 't meest aan dat laatste denken. Wie van de jeugd af aan deze diep-verzonken wereldbewegende geestelijkheid, met haar epicentrum in de eeuwigheid, als de atmosfeer van zijn leven heeft gekend, heeft voorgoed de smaak voor het papale, priesterlijke, pompeuze verloren. Wij verstaan het als de Pilgrimfathers58 'niet om de leer maar om de liturgie' Engeland gaan verlaten. Calvijn trekt de grens der kerk zelfs niet bij de plaatselijke gemeente, maar gaat terug tot het gezin.59 Deze eeuwigheidszin van het gereformeerde leven willen we niet ontrouw worden. We verlangen niet naar misgewaden en kelken, liturgisch geprevel en plechtig gebaar.
Ook het algemeen karakter van het calvinisme is breed genoeg om de kerk der toekomst te dragen. Het is van oorsprong niet nationaal en ook nu nog is nationalisme voor de gereformeerden slechts een gevaar en geen werkelijkheid. Meer dan het lutherdom bezit het breed-katholieke trekken. Nog in mei hebben vertegenwoordigers uit Nederland, Engeland, Schotland, Ierland, Duitsland, Frankrijk en Zuid-Afrika op een te Londen gehouden conferentie gesproken over internationale samenwerking van calvinisten.60
In deze beide opzichten hebben wij bij de anglicanen niets te zoeken. Maar deze bezitten één dimensie die het calvinisme mist. De calvinistische geest moge diep zijn door eeuwigheidsbewustzijn en breed door internationaliteit, hij heeft historisch weinig achtergrond. De stelregel dat niet alleen wat tegen de Schrift was, maar ook wat niet in de Schrift was, moest vallen, heeft het gereformeerde leven vrij los gemaakt van de overgeleverde algemeen-christelijke voorstellingen en vormen. Meer dan misschien dienstig is vertonen deze kerken daardoor een gelijkenis met politieke organisaties. Een republikeinse geest, met al de gevaren daaraan verbonden, kan zijn intrede doen, zonder dat traditionele kerkelijke instellingen en gebruiken matigend kunnen inwerken. In troebele tijden wordt de stemming dan licht partijdig en fel als in een gemenebest en bestaat er geen rem van christelijke zachtmoedigheid. Ze bestaat althans niet in enige blijvende en ambtelijke vorm. Het eigenaardige van een Christus-regering komt weinig tot uitdrukking. Men tracht, zonder wederdoper of Independent te worden, zo dicht mogelijk de regering van de Geest te benaderen door aan ambt en orde een minimale belichaming te geven. Men loopt daarbij echter gevaar uit de kerkelijke in de politieke orde te vervallen en aan een meerderheid of een vergadering als zodanig een geestelijke betekenis toe te kennen, die ze niet hebben. Dit gevaar neemt toe als men zich opzettelijk aan de politieke indeling aanpast, met beroep op de scheppingsorde.
Wij hebben gezien dat het met de ambten bij ons nog verder in die richting gaat. En naast deze tendentie in het ambt komt de lekenbeweging nog bovendien op. Een gereformeerde kan daar geen bezwaar tegen hebben. Naast de Geest zal hij voor de uiterlijke middelen,61 zoals Calvijn ze in zijn Institutie noemt, wel altijd enige plaats verlangen. Aan kerk, sacrament en politieke orde houdt hij vast. Dat onderscheidt hem van alle richtingen van de Vrije Geest. Maar hij is bereid nog verder te gaan in het benaderen van de limiet.62 Doch daarmee neemt dan ook het gevaar toe dat men de kerkelijke orde van de politieke niet meer zal kunnen onderscheiden. Reeds Voetius63 gaat ver in die richting. Volgens hem zitten predikanten en ouderlingen op een synode niet in hun afzonderlijke kwaliteit, maar als afgevaardigden. Dat is reeds een andere gedachte dan die van Calvijn, die met ieder ambt tegelijk een zekere regeermacht verbindt.
Dit gevaar van te verpolitieken, met al de aankleve van dien, moeten wij onder de ogen zien. De kerkorde mag de weg van het democratisch parlementarisme niet opgaan. Dit zou haar rijp maken voor rooms absolutisme. Het is nodig sommige aanwijzingen op te stellen, waarin het kenmerkende van een kerkregering uitkomt. Ik zie de mogelijkheid van zulke correcties van het klassiek-gereformeerde kerkelijk leven in twee richtingen. Als ik het zo mag uitdrukken, stroomopwaarts en stroomafwaarts. Ik zal verklaren wat ik daarmee bedoel.
Stroomopwaarts moet de calvinist zich er op bezinnen dat we een apostolisch christendom belijden. Ook Bavinck meende dat Irvingianen64 en Darbisten65 ons wel iets te zeggen hebben.66 Het grote van Gunning67 is dat hij dit zo diep heeft doorleefd. De gereformeerden mogen in hun reactiestelling niet zo sterk volharden, dat de grond der traditie hun onder de voeten wegzinkt. Jezus heeft niet alleen de Heilige Geest gezonden, maar hij heeft ook aan sommige mensen opdrachten gegeven. Er zijn uiterlijke, ook persoonlijke middelen waarvan we voor de orde der kerk mogen gebruik maken. Deze opdrachten behoeven niet steeds opgelost te worden in een mandaat dat van onderaf gegeven wordt en dat voor ieder dezelfde waarde heeft. Calvijn kent nog zeer goed de betekenis der charismata. Wanneer dit besef geheel verloren gaat, wordt de onderscheiding der geesten vervangen door het tellen van de neuzen. Het is niet te zeggen hoeveel kracht daardoor in de kerk verloren gaat.
Het besef van deze dingen is in de Anglicaanse kerk levendiger gebleven dan bij ons. Wij hebben allen de schrik op het lijf voor hiërarchie en we hebben er reden voor. Maar we lopen gevaar, met het badwater het kind weg te werpen. Over woorden behoeft het hier niet te gaan. Wij behoeven van de anglicanen niet het episcopaat over te nemen. Ze hebben ook geen recht ons dat op akkoord van kerkgemeenschap te vragen. Maar nu zij bij de bisschop de apostolische successie laten vallen en die laten opgaan in voortplanting van de ware leer,i komen ze dicht in de buurt van Calvijn, doch er blijft nog juist genoeg over voor ons om er winst mee te doen. Door de scherpe afgrenzing tegenover het oud-christelijk verleden bij de calvinisten hebben we te weinig van de ware bisschoppelijke geest in de ambten overgehouden. Dat is een van de diepere redenen, waarom mannen als Gunning met een verdere verpolitieking van het ambt in 1886 niet mee konden gaan. Sommige typisch hervormde figuren68 van na de Doleantie kon men niet als synodaal karakteriseren.j⚑ De fenomenologie van hun geestesgesteldheid leidt in de richting van iemand als F. D. Maurice, deze breed-episcopale Engelse predikant, die de dragende en dienende geest van een bisschop bezat, zonder de naam en zonder een zweem van machtsbegeerte.69
Het moet mogelijk zijn op de stam van het 'klassiek gereformeerde leven' iets van dit hout te enten. En nu herinner ik er aan dat ik deze beschouwing begonnen ben in verband met de noodzakelijkheid om een wijziging te brengen in het overgeleverde tuchtprocédé. 'Kerkopbouw' is tegen processuele leertucht en dit verzet gaat juist tegen de verpolitieking der tucht.70 Deze afkeer is een typisch hervormde geestesgesteldheid. En de halve eeuw kerkelijke geschiedenis na 1886 maakt het tot een gebiedende eis om daarmee rekening te houden. Kerkorde blijft ook orde, maar bier dient een instituut geschapen te worden dat haar handhaaft naar haar aard. Waarbij de tucht slechts door een medium van persoonlijke deelname tot de betrokkene komt. Het ligt thans niet op mijn weg dit verder uit te werken. Ik heb hier over de beginselen te spreken. Maar zoveel moet hier toch gezegd worden, dat daarvoor benoemingen nodig zijn voor langer duur en meer met het oog op persoonlijke kwaliteiten dan pleegt te geschieden bij de afvaardiging naar een bredere kerkelijke vergadering. Anders kan er geen sfeer van vertrouwen ontstaan. Ook moet op die wijze voorkomen worden dat, waar het opzicht overgaat in tucht, aan de zijde der kerk het verantwoordelijkheidsgevoel zich over te vele personen verdeelt. In iedere tuchtzaak behoort iets te zijn van een smartelijke persoonlijke breuk. Anders wordt het een civiele strafzaak. Aan dit waarachtig bisschoppelijke, dat tot de wezenstrekken van een ware kerk behoort, heeft de gereformeerde kerk bij haar behandeling van tuchtzaken in hogere instanties een tekort en dit zal ook wel mede de reden zijn waarom haar geschiedenis op dit punt zo weinig inhoudrijk en verkwikkelijk is. Men kan, zoals ik doe, in de beslissingen van Dordt, door alle ergernissen heen, de leiding des Heiligen Geestes eren en toch dit gemis betreuren. Buiten de plaatselijke gemeente wordt een zaak al spoedig een zuiver formeel rechtsgeding.
De gereformeerden hadden wel de instelling van de visitatie en ze hadden er soms ook geen bezwaar tegen om aan de visitator de naam van bisschop te geven. Woordenzifters zijn deze kloeke mannen werkelijk niet geweest. Maar ze dorsten aan het ambt geen langere duur te verlenen. Ze vreesden de hiërarchie. De persoonlijke sfeer kon op die wijze in het opzicht- en tuchtwezen, wanneer het meer dan kleine zaken betrof, niet ontstaan.
Onze kerk kent reeds de visitator met langere ambtsduur,71 maar hij heeft weinig met opzicht en tucht te maken. Dit instituut ware misschien uit te bouwen in deze richting, zó dat het wezenlijke en morele deel, waarin de persoonlijke deelname tot uiting kan komen, hier zijn beloop had, terwijl de eindbeslissing dan aan de kerk in haar bredere vergaderingen bleef overgelaten. Voor een dergelijke dubbele organisatie72 heb ik reeds het pleit gevoerdk vóór de verwerping van de reorganisatievoorstellen in januari 1930. Daarbij blijft dan nog het bezwaar van diegenen die tegen iedere en elke leertucht zijn, in iedere en elke vorm. Ds. Hoek gaf aan dat gevoelen uiting in het oktobernummer van Kerkopbouw73 en hij doet het op een wijze die het hart van de kwestie raakt. Hij ziet zichzelf zitten als rechter over een medeverlorene en zie, in plaats van een ander kerkelijkste kunnen doodslaan', schaamt hij zich 'zelf dood'. In dat stuk van ds. Hoek is, beter dan ik het zou kunnen, de morele, persoonlijke deelname geschilderd waarover ik sprak. Zo ongeveer zou het er uitzien in het hart van de waarlijk bisschoppelijke visitator of visiterende bisschop. En daarmee zou in het gereformeerde kerkelijk leven een kostelijk stuk kerkregering zijn ingevoegd. Geen Marinussen74 maar Augustinussen hebben we nodig. Maar neem nu de rechter uit de stoel en de beklaagde uit de bank en dit alles is weg. Beide verketteren elkaar en preken tegen elkaar in dat het klinkt 'tot Haarlem toe' (Vondel).75Dan is er geen kerk maar een genootschap. Dan is Dordt nog beter. Augustinus was geen Marinus, maar wanneer hij door de schaamte heen, die zijn bisschoppelijke geest vervulde, zich zijn roeping als herder der christenheid niet bewust gebleven was, dan was het valse schaamte geweest. Dan zou ds. Hoek dit stuk vol augustiniaanse geest niet hebben kunnen schrijven, maar hij zou in pelagiaanse76 zin de grond van zijn geloof in zichzelf gezocht hebben. Om dezelfde reden moet hij Bogerman dankbaar zijn, deze Nederlandse Luther, dat hij de verguizing van drie eeuwen op zich heeft willen nemen om het ons mogelijk te maken de geur van het Evangelie in te ademen. En die is nog beter dan die van de Duitse eiken. Maar wij, kaas- en broodvolk, eren onze grote mannen weinig.
Dit is de richting stroomopwaarts, waarin het klassieke gereformeerde leven m.i. een wijziging behoeft. Daarmee zou gepaard kunnen gaan een ontwikkeling in omgekeerde richting. Met de ambten zelf zijn wij sedert Calvijn en Voetius reeds weer een eindweegs opgeschoten in spiritualistische richting. Van de doctoren hoort men weinig meer en de andere drie naderen alle drie steeds dichter het laatste ambt waarin alles opgaat: het ambt der gelovigen. Kuyper maakt er een ruim gebruik van en Bavinck gaf het een brede plaats in zijn dogmatiek. Volgens Voetius reeds is er onder bepaalde omstandigheden kerkrechtelijk een beroep mogelijk van de synode op de bijzondere kerken.77 Hier bewegen we ons niet in de richting van de bisschop maar van de leek. En we hebben aansluiting aan de lekenbeweging van onze tijd. Ik heb boven opgemerkt dat het gevaar, dat de kerk zal verpolitieken, daardoor toeneemt. Dit is inderdaad het geval als de gelovigen hun ambt, hun dienst, hun kwaliteit vergeten. Het is daarom dat het gewenst schijnt in twee richtingen enkele kentekenen in het kerkelijk leven op te stellen, om de herinnering aan eigen karakter te versterken. En nu blijkt het gereformeerde leven ook in zijn eigen beweging stroomafwaarts zulke hulpmiddelen zelf mee te brengen. Naarmate het zijn ambten ziet opgaan in het éne ambt der gelovigen, nadert het zijn historische limiet, het Quakerisme.78 En van dit belangrijke verschijnsel in de calvinistische landen kan men als een der meest typische kenmerken dit noemen, dat het naast de politieke een andere levensorde demonstreert. Het verwerpt de politieke orde niet zoals de wederdopers, maar stelt daarnaast een kerkorde op, waarin iedere gelovige, iedere leek, zijn ambt bekleedt. Men denke slechts aan hun houding tegenover de slavernij in de vorige eeuw.
Wanneer nu het calvinisme niet star aan zijn klassieke vormen vasthoudt, maar besef toont van de dialectiek van eigen geestelijke beweging, dan liggen ook hier middelen gereed om het karakter der kerk beter aan te duiden. Op een der ledenvergaderingen van Kerkopbouw heeft ds. Boeke79 het voorstel gedaan om geen of bijna geen stemmingen te houden, maar in gevallen van verschil van mening te wachten op overeenstemming. Daartegen zijn van klassiek gereformeerd standpunt bedenkingen te maken en ik moet bekennen dat ik ze toen gemaakt heb. Wij zijn gereformeerden en daarin ligt opgesloten dat we de voorlopige limiet van dit beginsel, die in het Quakerdom ligt, wel benaderen maar niet bereiken willen. Kerk, ambt, sacrament, politieke orde zijn volgens Calvijn uitwendige middelen. En deze brengen ook uitwendige beslissingen mee. Ook Gunning voelde de noodzakelijkheid om bij meerderheid van stemmen te beslissen als een schande en rekende ze tot de dingen die ons verlagen. Maar hij wilde 'met schaamte'80 toch daarmee beginnen en met Dante 'de voet in de laagte steunen'.81 Ook hier weer moeten wij ons voor valse schaamte wachten. Die te overwinnen kan moediger en christelijker zijn dan er aan toe te geven.
In ieder geval merken we, als we de zaak zó overwegen als Gunning, dat we hier in de kerkelijke orde zijn. Hier is niets van de victorie van een politieke stembusoverwinning. Dezelfde morele deelname en innerlijke verscheurdheid treden hier op, die ds. Hoek ons zo duidelijk tekende voor de ware, bisschoppelijke leertucht. En tevens de noodzakelijkheid om soms dwars daar doorheen Christus' opdracht te volbrengen.
Maar in deze sfeer van gedachten komt dan toch wel de vraag op of het klassiek-gereformeerde kerkrecht in onze tijd dan niet iets verder kan worden ontwikkeld in de richting van zijn geestelijke limiet. Reeds nu is het in de meeste fatsoenlijke christelijke verenigingen geen gewoonte om de zaken zonder laatste noodzaak door stemming te beslissen. Men kent de betekenis van wachten. Alleen onze classicale vergaderingen leven meestal hun verpolitiekt wezen uit in een aantal stemmingen. Bijna het enige wat het publiek uit deze grondvergaderingen te horen krijgt zijn deze stemverhoudingen. Dat is smadelijk voor een gereformeerde kerk.
Wanneer dan de nieuwe kerkorde meer dan vroeger een reglementering van het ambt der gelovigen zal zijn en het lekenelement daarin meer zal worden gemobiliseerd, zodat enerzijds het gevaar van een benadering der politieke orde toeneemt, dan moet anderzijds blijken dat zij zich door deze ontwikkeling daarvan verwijdert. Wanneer de kerk niet meer zuiver geografisch en parochiaal wordt opgevat, maar ook belangrijke geestelijke lekencorporaties in haar verband worden opgenomen, dan zal haar wijze van zakenbehandeling daardoor reeds sterk gewijzigd worden. Het zal minder de vraag zijn hoeveel stemmen de bodem oplevert, zodat men de kaart van het land slechts hoeft te kennen, als wel wat er gaande is onder degenen die het ambt der gelovigen actief uitoefenen. Het zal dan minder moeilijk zijn in deze kerkorde een regel voor de uitoefening van het stemrecht te treffen, die aan de schaamte van een meerderheidsbesluit tegemoet komt, zonder dat men zich aan de verantwoordelijkheid, die een beslissing meebrengt, onttrekt.
Op deze wijze acht ik een ontwikkeling van het klassiek-gereformeerde kerkrecht zeer wel mogelijk. De veranderingen, die hier aangeduid worden, schijnen tegen elkaar in te gaan. De ene wijst naar de bisschop, de andere naar de leek.82 In werkelijkheid strijden ze niet tegen elkaar. Beide willen de geestelijke en morele deelname versterken en het eigene en christelijke in de organisatie meer tot zijn recht brengen. Het dubbele dat daarbij ontstaat is juist aanwijzing van het wezen der kerk. De ene hand grijpt naar Christus, de 'Herder en Opziener (onzer) zielen' (1 Petrus 2 : 25). De andere naar de zondaren, de ware leken. Beide malen wordt de grens lang niet bereikt. Wij blijven in de kerk, die een uitwendig middel is en een orde moet hebben. De inwendige tucht van Christus' Geest is een andere. En de leek blijft in de kerk een positieve grootheid, wat hij in het Evangelie niet is. Daar is hij de Samaritaan, niet de Jood, tegenover priester en Leviet. Hij is niet-lid van de kerk. Of hij is de zondaar, die achter in de kerk staat, niet de actieve Farizeeër vooraan, die het ambt der gelovigen waarneemt. Op die wijze is er in Rusland ook nog wel kerkorde.