29. Een voorstel tot reorganisatie der Nederlands Hervormde kerk1
Eind oktober heeft de Vereniging Kerkopbouw een reorganisatie-ontwerp voor de Hervormde Kerk gepubliceerd, waarover ik hier iets wil meedelen. De lezer weet waarover het gaat. Sedert Koning Willem I in 1816 orde stelde op de verwarde kerkelijke toestanden had ons land een Vaderlandse' kerk. Vóór de Franse revolutie waren er wel corresponderende kerken2 in de Nederlanden, maar ze leefden niet onder een kerkorde. Ze werden door de overheid verhinderd zich in te richten zoals ze dat wel wilden. Onder de Franse overheersing begon de centralisering zich reeds te voltrekken. In 1809 ontwierp een algemene commissie een regeling, die zich vrij nauw aansloot bij de oude kerkorden uit de zestiende en zeventiende eeuw.3 Maar dit werk werd door de gebeurtenissen achterhaald. De koning koos in 1816 een geheel ander type van kerkelijk samenleven. Werd de kerk vroeger geregeerd door vergaderingen en synoden, thans waren het besturen die daarmee werden belast. En deze hadden in de eerste plaats te zorgen voor orde en rust. Ze moesten er voor zorgen dat de prediking overal kon plaats hebben en verder het gemeentelijk werk zijn goede loop kon hebben. Maar voor een ontplooiing van het gemeenschappelijk belijden der gemeenten en voor een ontwikkeling van lekenwelke ze niet bestaan kan. Anders komt straks de massa en dooft het activiteit was hier weinig gelegenheid geschapen.
Zo kwam het dat tegen deze organisatie een steeds toenemend verzet wakker werd. De afscheidingen van 1834 en 1886 hebben de spanning wel telkens ontladen, maar niet weggenomen. De reden daarvan is dat de bestuursinrichting niet past bij het gereformeerde kerkelijk leven. Wanneer er geen verandering komt, zal dit keurslijf de kerk tenslotte de adem benemen.
De bewogenheid van onze tijd brengt mee dat dit langzamerhand vrij algemeen als een onduldbaar iets wordt gevoeld. Er is nodig een kerkorde, die het mogelijk maakt dat de gemeente haar geestelijke gaven kan gebruiken.
De Vereniging Kerkopbouw, die haar ontstaan4⌫ dankt aan de oecumenische kerkelijke beweging, is hiervan ook doordrongen. Zij verschilt echter van een andere vereniging, Kerkherstel, die de lezer kent, ten opzichte van de bruikbaarheid der oude kerkorden der zeventiende eeuw. Zij meent dat de presbyteriale kerkorde, zoals die bijv. in 1618 en 1619 te Dordrecht functioneerde, in zaken van leertucht geen ideaal instituut is. Vooral naar die zijde wenst men haar te veranderen.
Deze beginselen - de overtuiging dat de bestuursinrichting van 1816 moet verdwijnen en dat de presbyteriale kerkorde niet ongewijzigd weer moet worden ingevoerd - hebben de reoragnisatie-commissie van Kerkopbouw geleid bij de samenstelling van haar ontwerp. Daarin zijn de vergaderingen, zoals iedere gereformeerde kerk die kende, hersteld. De gemeenten komen weer classicaal, provinciaal en nationaal samen om te beraadslagen over de zaken van kerk en zending; die laatste in de ruimste zin genomen. ook over de belijdenis en tucht zal het op die vergaderingen gaan. Maar de regeling voor prediking en zending is niet gelijk aan die voor belijdenis en tucht. En juist daarin verschilt dit ontwerp van de voorstellen die vroeger, in 1929, door prof. haitjema c.c. waren ingediend en die in januari 1930 verworpen zijn. ⚑De regeling voor kerk en zending verschilt overigens ook van die, welke bestaat in de gereformeerde kerken van 1886. Daar gaat de zending regelrecht van de kerken uit. Er worden deputaten benoemd die de zorg daarvoor hebben te dragen. In het ontwerp van Kerkopbouw is dat niet het geval. Daarin wordt de organisatie, zoals die bestaat in de zendingsconferenties, ongerept gelaten. Men gaat er van uit dat deze lekenactiviteit een goede vorm is van kerkelijk leven en dat het werk er niet bij gebaat zou zijn als men het 'gelijkschakelde' met het ambtelijk gemeenteleven. Bijna in iedere gemeente bestaat een zendingskring, vaak classicaal aangesloten bij anderen, maar toch niet, of niet uitsluitend, onder leiding van de kerkeraad. Ook de inwendige zending is bezig zich hoe langer hoe meer in de gemeenten in te bouwen. De commissie van Kerkopbouw heeft gemeend dat ze deze arbeid het best met de kerk in verband kon zetten door hem, met volle erkenning van zelfstandigheid, stem te geven op kerkelijke vergaderingen. Daarvoor zou dan naast de gewone classicale vergadering, waarop meer bijzonder de zaken der kerkelijke gemeente aan de orde komen, jaarlijks een tweede gehouden worden, waarop de zendingsgemeente en de kerkelijke gemeente samen overleg plegen. Waarin dus de ambtsdragers, predikanten en ouderlingen, samen vergaderen met afgevaardigden van verenigingen, die hun ontstaan te danken hebben aan het initiatief van gewone gemeenteleden. En zo zou om de drie jaar ook een bredere algemene synode gehouden worden.5
Nog in een tweede richting worden kerk en zending in het ontwerp geregeld op een andere wijze dan in de oude kerkorden. Kerkopbouw stelt voor om naast de plaatselijke gemeente gelegenheid te geven tot het vormen van huis- of hulpgemeenten. Deze worden gevormd uit leden der gemeente, die op 'ernstige gronden' bezwaar hebben tegen de ambtelijke leiding der plaatselijke gemeente.6 Doop en Avondmaal mogen in die huisgemeente niet worden bediend. Men sluit zich aaneen met het oog op Evangelieprediking en herderlijke zorg onder leiding van een predikant. Zulke evangelisaties zijn dan kerkelijk erkend. Ze staan onder toezicht van een commissie uit de classicale vergadering en zenden een vertegenwoordiger naar de brede classicale vergadering, waarover ik boven sprak.
De bedoeling van dit instituut7 is: 1. om aan zgn. minderheden de mogelijkheid te verschaffen een afwachtende houding aan te nemen. Ze blijven lid van de kerk; doen langs een omweg aan het kerkelijk leven mee en staan onder het opzicht en de tucht van de algemene kerk. Om deze positie een tijd lang te kunnen innemen moet zulk een groep zich in overeenstemming verklaren met de doelstelling der kerk. Haar afwijking van de plaatselijke leiding moet vallen binnen de grenzen van de algemene belijdenis der kerk, zoals die in Art. 1 en 2 van het Algemeen Reglement wordt aangewezen. 2. Wil de huisgemeente enige ruimte scheppen voor culturele en psychologische verschillen. In tal van gemeenten bestaan evangelisaties die daaraan hun ontstaan te danken hebben. Ook zulke groepen zullen op die wijze de gemeenschap met de algemene kerk leren oefenen en langs die weg in tal van gevallen de aansluiting aan de plaatselijke gemeente weer herwinnen. 3. Wil de huis- of hulpgemeente een inrichting zijn voor inwendige zending. En dit zie ik als de belangrijkste zijde van deze instelling. De plaatselijke gemeente kan - en hier denke men vooral aan de grote stad - zelf het initiatief nemen tot instelling van een hulpgemeente. Zij kan daardoor trachten om mensen, die geheel van de ambten vervreemd zijn, voorlopig in groepen te verenigen onder bijzonder voor hen geschikte leiding. De kans om ze daardoor voor de kerk te behouden wordt daardoor groter. Groepen die er niet gemakkelijk toe zullen komen om aan het traditionele kerkelijke leven deel te nemen zullen dat misschien willen doen in enigszins vrijere vorm. En zij zullen zo de weg naar de gemeenschap met de historische kerk terug kunnen vinden. Kerk en zending doordringen elkaar zo op't nauwst. Dit werk zou ook bijzonder geschikt zijn om de kerk te dwingen zich er op te bezinnen, in welke vorm het Evangelie gepredikt moet worden om een greep te hebben op het geweten der schare. Een probleem dat in het zendingswerk geheel vooraan staat, maar dat in de kerk niet altijd de nodige aandacht vond.
Men ziet dat ook voor het terrein van kerk en zending en voor de onderlinge verhouding van beide het ontwerp van Kerkopbouw een aantal nieuwe regelingen voorstelt. Voor een groot deel blijven die echter binnen het kader van de presbyteriale kerkorde. Maar de instelling van de huisgemeente wijst er op dat het vlak van kerk en zending gesneden wordt door dat van belijdenis en tucht en dat Kerkopbouw hier een andere oplossing zoekt. Dat zal nog duidelijker blijken als ik een volgend maal iets meedeel over de wijze waarop men de kerkelijke tucht wenst te regelen.
118
In een vorig nummer deelde ik reeds iets mee van de voorstellen, die de Vereniging Kerkopbouw gereed heeft met het oog op een reorganisatie der Ned. Hervormde Kerk.
Dit Ontwerp is sedert bij de synode ingediend, met verzoek een afzonderlijke vergadering te beleggen om het te bespreken, daar er anders nog bijna een volle twee jaar zou moeten verlopen voor het definitief in behandeling kon komen. De synodale commissie, die toen juist vergaderde, heeft dit verzoek afgewezen, omdat zij meende dat de voorstellen te belangrijk waren om zonder langere tijd voor onderzoek in discussie te worden genomen. Het zal dus pas in 1934 voorlopig en in de zomer van 19359 definitief worden besproken.
Ik heb dus nog de tijd om verder iets van het ontwerp te vertellen.
Behalve het herstel van de presbyteriale kerkorde, waarbij de kerk in provinciale en algemene synode samenkomt en classicaal vergadert om over haar aangelegenheden besluiten te nemen en een uitbouw van de gemeentevorm in de huis- of hulpgemeente, waarover ik reeds berichtte, bevatten de voorstellen een nieuwe regeling van opzicht en tucht.10 Dit is een punt van groot belang, omdat tot nog toe alle pogingen tot wijziging van de kerkorde zijn afgestuit op een diep wantrouwen op dit punt. De vrijzinnigen en ook vele ethischen, die geacht mochten worden in het algemeen te voelen voor democratie, namen op het stuk van kerkregering een starreactionaire houding aan. Ze werkten altijd weer mee om een breken van het kerkelijke ijs te voorkomen en gaven de voorkeur aan een toestand, die in menig opzicht geen aansluiting meer had aan het hedendaagse leven, boven de kans dat een meer moderne organisatie een reactie op het terrein van de leer zou meebrengen. Men was bang dat een losgemaakte kerk de leervrijheid zou gaan beperken. Zo is het verklaarbaar dat de Hervormde Kerk na de crisis van 1886 nog bijna 50 jaar een conservatief genootschap kon blijven.
Wanneer niet alles bedriegt, dan zijn de dagen van dit conservatisme nu geteld. Ik bedoel daarmee niet dat het vrijwel zeker zou zijn dat de voorstellen, die ik hier bespreek, zullen worden aangenomen. Uit een oogpunt van kerkelijke politiek is dit zelfs onwaarschijnlijk. Het Verbond voor Kerkherstel heeft grote bezwaren en men spelt zelfs het woord 'onaannemelijk'. De Gereformeerde Bond heeft zich in zijn orgaan er tegen verklaard. De linkervleugel der Vrijzinnigen schijnt nog weinig animo te hebben om mee te doen. Dit alles opent een weinig hoopvol perspectief in verband met de aanneming.11 En toch geloof ik het recht te hebben mij over het kerkelijk conservatisme uit te laten, zoals ik boven deed. Het kerkelijk doek wordt van alle kanten opgerold. De grote kerkelijke gebeurtenissen in het oosten en het midden van Europa, de oecumenischea beweging op praktisch en dogmatisch gebied, de schreiende geestelijke nood op geestelijk gebied en eindelijk de maatschappelijke en financiële druk12 maken het ondenkbaar dat de behoudzucht in een kleine landskerk zo ver gedreven zou kunnen worden dat men een status quob tot het bittere einde zou wensen te bestendigen.
De voorstellen van Kerkopbouw hebben met dit punt ernstig rekening gehouden. Men moest een zeker recht erkennen in de aarzeling om op een herstel van de presbyteriale kerkorde in te gaan, als ten opzichte van de leertucht geen klare wijn geschonken werd. Men achtte het daarom nodig om voor opzicht en tucht een geheel nieuw reglement13 in alle onderdelen uit te werken en daaraan een stabiliteit te verlenen, die gelijk staat met die van het Algemeen Reglement, dat ten grondslag ligt aan alle andere relementen. Beide zouden slechts veranderd kunnen worden als tweederde van de leden der algemene synode er zich voor verklaarden.
Kerkopbouw verklaarde zich van de oprichting af tegen 'processuele' leertucht. Men bedoelde daarmede een lacune aan te wijzen in de presbyteriale kerkorde. De gereformeerde kerken, de kerken van Calvijn, vertonen in haar regeringsvormen uitwendig grote gelijkenis met de politieke orde. Het leertuchtproces heeft ook veel weg van een gewoon juridisch proces. Er is weinig rekening mee gehouden dat de kerk over geestelijke verschillen te beslissen heeft en dat het getuigenis, de verantwoording en de uitspraak daarom een gewijzigd karakter dragen. Dit komt niet voldoende tot uitdrukking in de wijze, waarop leerstellige gevoelens kerkelijk worden getoetst.
De nieuwe voorstellen zoeken daarin wijziging en, naar wij menen, verbetering te brengen. Zij maken daartoe gebruik van het bestaande instituut der kerkvisitatie, dat ook in de vroegere gereformeerde kerkorden een enigszins bijzondere plaats innam. Men wilde de kerkvisitator soms wel met de naam van bisschop dopen, als het beginsel van ambtelijke gelijkheid maar ongerept bleef. Tegen hiërarchiec waakte men door een langere termijn van aanblijven te vermijden.
Dit ambt heeft het ontwerp van Kerkopbouw nu in de tuchtregeling ingeschakeld. Iemand, tegen wie bezwaren bestaan ten opzichte van de wijze, waarop hij de christelijke boodschap overbrengt, komt niet dadelijk, in aanraking met een kerkelijke vergadering, waar een geestelijk bezwaar to t onderwerp van algemeen debat wordt gemaakt. Nee, zulk een punt wordt lange tijd onder vier ogen besproken tussen de bezwaarde en de kerkvisitator. Tal van kleine ergernissen zullen zó dadelijk weggenomen kunnen worden. - Pas wanneer ernstiger verschil blijkt te bestaan, waarbij het christelijk gehalte der prediking gevaar loopt, zal de zaak een verder verloop hebben. Andere kerkvisitatoren en de algemene kerkvisitator of moderator kunnen er bij te pas komen. En pas wanneer alle persoonlijke middelen zijn uitgeput, wordt het een zaak van een kerkelijke vergadering.
Het leertuchtproces wordt hierdoor sterk gewijzigd. Wanneer op deze wijze een zaak bij een provinciale synode komt of misschien straks bij een algemene, dan hebben personen die een vertrouwenspositie in de kerk innemen en die de verantwoordelijkheid van de aanklacht van de oorspronkelijke aanklager hebben overgenomen de overtuiging gekregen dat hier een uitspraak door de kerk nodig is. Die weg wordt dan gekozen door de gezamenlijke kerkvisitatoren met de moderator. Dan is er waarborg dat het kerkelijk geweten bier niet lichtvaardig in onrust wordt gebracht en dat de processuele weg tenslotte wel moet worden ingeslagen.
Hier deed zich nog een moeilijkheid voor. Men vroeg zich af wat er gedaan moest worden als de visitator of de moderator de zaak niet bij een synode aanhangig wenste te maken. Men meende dat dan beroep op de synode moest openstaan. Deze zou dan met een meerderheid van tweederde der stemmen kunnen besluiten de zaak toch op de kerkelijke vergadering te doen behandelen.
De opstellers van het ontwerp en thans de grote meerderheid van de leden van Kerkopbouw menen dat hiermee een vertrouwbare brug is gelegd uit het bezorgde hervormde conservatisme naar andere kerkelijke toestanden. Men meent dat er bij deze regeling van de leertucht geen aanleiding meer is om het gevaar van leertucht in een presbyteriaal georganiseerde kerk als bezwaar te laten gelden tegen iedere vernieuwing van kerkelijke werkwijze. Men meent ook dat de hiermee geboden gelegenheid om zonder al te grote schokken los te raken uit een organisatie, die toch voor een gereformeerde calvinistische kerk zeer abnormaal moet heten, voor rechts en links beide de mogelijkheid schept om uit het partij-gareel bevrijd te worden en weer tot een meer eigendommelijk kerkelijk leven terug te keren.
De voorstellers beseffen wel dat daarvoor moed en geloof nodig is. De kerk zal uit haar verdoofde toestand tot enkele primaire levensfuncties moeten terugkeren. Zij zal uit een toestand van mechanisch evenwicht, dat schommelt tussen een stemverhouding van 10 tegen 9 en 9 tegen 10,14 terugkeren tot de loop ener historie, met al de gevaren daaraan verbonden. Maar zij heeft daarin een kans, haar eigen oplossing te ontgaan, die anders zeker dreigt.