Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 5 · p. 159–162

Weergave

28. Heilig conservatisme1

Dat er in de wereld grote veranderingen plaats hebben kan iedere krant die we inkijken ons leren. Trouwens, we zijn het gewend en noemen het 's werelds loop. Alleen houden we ons hart wat meer vast als we zulke gevaarlijke stroomversnellingen passeren als thans. Daartegenover zoeken we dan steun in ons godsdienstig, kerkelijk en theologisch denken. Dit heeft echter ook zijn menselijke zijde, waardoor het aan die wijzigingen onderhevig is. Die zouden we hier zo gaarne zien uitblijven. Wel zit er in het conservatisme, dat ons kenmerkt als we ons met kerkelijke zaken gaan bezighouden, een stuk ongeloof. Er wordt veel over die behoudzucht geklaagd en daar is zeker dikwijls reden voor. Ongewenste toestanden, die overal elders al zijn opgeruimd, kan men in de christelijke gemeente vaak een paar geslachten later nog terugvinden. De inrichting van catechisatielokalen, de methode van onderwijs, de leermiddelen, de geest in de klas doen soms denken aan de ruikentijd in de scholen waarvan de herinnering nog niet geheel is uitgesleten. Zo zou er allerlei meer te noemen zijn. Maar daarover wilde ik het nu niet hebben. Het was er mij om te doen juist de andere kant uit te kijken.

De gebeurtenissen in de Duitse kerk hebben er onze ogen weer meer voor doen opengaan, welke kostelijke goederen de christelijke gemeente ter bewaring zijn gegeven.2 We worden er ons dan ineens van bewust dat we daar wel zuinig mee mogen omgaan. Dat er ook een heilig conservatisme is. Dat er dingen zijn, waaraan we niet toe of niet af mogen doen. Panden, die ons zijn toebetrouwd en waarvan de bijbel zegt dat we die moeten bewaren.

Wanneer we kerk en staat met elkaar vergelijken uit een oogpunt van stabiliteit, van structuursamenhang, van stevig-betimmerd zijn, dan wint de kerk het verre. Denk maar eens aan de politieke geschiedenis van Europa, met daarnaast de kerkgeschiedenis. Ook in die laatste ontbreekt het niet aan spanning en aan ogenblikken waaraan we deel kunnen nemen met diepe menselijke belangstelling. ⚑Ik noem nu alleen maar de kerkhervorming, die in tal van landen aan de kerk een inrichting gaf die veel verschilde met die van het rooms-katholicisme. Maar thans leven die protestantse kerken reeds weer vier eeuwen volgens kerkorden die in haar eenvoud toch een grote hechtheid van bouw bezitten, waaraan een gemeentelid niet graag ziet raken. Onze predikanten, ouderlingen en diakenen, de ambten die we meer of minder direct aan de Schrift ontlenen. Onze bijbel, ons psalm- en gezangboek, onze formulieren voor Doop en Avondmaal, onze vorm van eredienst, onze gemeentelijke verhoudingen en herderlijke zorg. Daarmee noemen we dan belangrijke vastigheden van ons leven, die wel niet elk ogenblik van de dag in het centrum van onze aandacht staan; die niet zulk een groot stuk tijd in beslag nemen als de zorg voor het dagelijks brood, maar die een veilige steiger naast onze levensgang vormen. Daarmee zeg ik echter veel te weinig. Onze kerkelijke orde is dan ook een inrichting van ons leven, evengoed als de sociale orde, de politieke orde. Ze is van die laatste altijd meer of minder de concurrent. Wij hebben als kerk onze eigen regering, saamhorigheid, samenkomsten, maaltijden, hulpbetoon.

Er zijn eeuwen geweest, waarin die kerkelijke orde aan de politieke orde ook op aarde de voorrang betwistte. Er zijn korte perioden geweest, waarin beide, zoals tijdens Calvijn te Genève en onder Cromwell3 in Engeland, geestelijk schier in elkaar smolten. Er zijn altijd grote kringen geweest binnen- en buitenlands -, kerken, voor wie de gemeentelijke samenleving als aardse vorm van gemeenschap voorop stond, terwijl pas daarna de politieke kwam. Heel sterk komt dat uit bij de Society of Friends,4 maar ook bij de gereformeerden in hun bloeitijd.

Het is van grote betekenis dat er zulk een band bestaat, die bij de wisselingen der politieke historie de mensen vasthoudt in een orde die niet geheel van deze wereld is, maar die toch ook in allerlei opzicht een menselijke zijde heeft. En het is een van de hachelijke dingen van onze tijd dat grote groepen binnen de christenheid de aansluiting daaraan hebben verloren. Ze kunnen niet worden opgevangen door een levensverband achter het staatkundige en vallen daarom van de ene revolutie in de andere. Voor hen is er geen andere keus, omdat achter hen het ledige is: Ze kunnen niet terugvallen op het 'hemels huisgezin', waarvan een onzer gezangen spreekt.5

Voor degenen die dat wel kunnen is het ergste wat komen kan, als de politieke orde verwoestend in de kerkelijke sfeer ingrijpt. De kerk heeft bij haar ontstaan een heidenwereld gekend die haar vijandig gezind was, maar die haar als kerk liet bestaan. Ze was rondom de kerk, maar drong daar niet binnen. Ze nam geen deel aan het leven der kerk, om die van haar geest te doortrekken. Zulk een toestand kan bang zijn, maar ze is normaal voor de kerk. Ze laat haar ware positie in de wereld uitkomen. ⚑De kerk weet ook wel mee te spreken van perioden, waarin de instellingen en krachten waarover zij beschikt bijna in 't niet verzinken tegenover de massa waaronder ze te werken heeft en die nominaal tot haar behoort. Ze laboreert dikwijls aan de omstandigheid dat deze massa zich haar saamhorigheid met de kerk herinnert, niet in verband met de hoge roeping en de bescherming der gemeente, maar alleen wanneer het haar met het oog op belangen van andere orde gelegen komt. Hoevele gemeenten lijden aan de lengte van haar ledenlijst, waarvan de slapers alleen bij de stembus wakker worden. Meestal vatten de leiders der gemeente dit toch, alles bijeengenomen, als een voordeel op, omdat het hun de toegang geeft tot vele gezinnen waar ze anders geen boodschap zouden hebben.

Een mogelijkheid waarmee de kerk eigenlijk nooit gerekend heeft is deze, dat deze massa zelfstandig tot kerkelijke ontwaking zou komen. Ze heeft zich deze menigte steeds gedacht als materiaal en niet als formeerden der kerk. Passief, doch nooit actief. Ze heeft gemeend dat ze steeds de gelegenheid zou hebben deze mensen te bearbeiden en dat haar eigen inrichting en vrijheid vanzelfsprekend daartoe de gelegenheid zouden verschaffen. Dat het de velen zou kunnen invallen om het stuur te grijpen, waaraan de bewuste kerkleden gewend waren de handen te houden, is haar nooit als een ernstig gevaar voor ogen gesteld. Het bange van het huidige ogenblik is, dat dit mogelijk blijkt en dat op die wijze de kerk vervuld kan worden van een geest die de hare niet is. Dat de massa niet tot bekering komt, maar in de kerk de Wet en het Evangelie verzet.

Dit schijnt op dit moment tot op zekere hoogte het geval te zijn in het land van Luther.6 Dit maant ons om de kwestie van kerkorganisatie, zoals die voor de gereformeerden steeds een aangelegenheid van meer belang is geweest dan voor de luthersen, niet voor te stellen als een van weinig gewicht. De lutherse leuze is steeds geweest dat het Woord alleen het zal doen. En we kennen allen heel goed de redenering dat het op de kerkinrichting niet aankomt, maar op de geest in de kerk. Voor zover dat mensengeest is valt er echter niet op te bouwen en voor zover het Gods Geest is kunnen wij er niet over beschikken. Wij kunnen wel enig bestand geven aan de uiterlijke vormen der kerk en hoe weinig daarmee ook bereikt schijnt te zijn, het mag toch niet nagelaten worden.

De vaste kerkvormen zijn een grote steun voor ons aardse leven en ze dragen meer bij om ons als geestelijke wezens staande te houden dan we vaak geneigd zijn te bekennen. Het vaste massief van de kerk in Europa is de belangrijke kern van het leven, ook in staat en maatschappij. Aan de chaos kan men dat horen die er ontstaat als daar het vrije woord moet zwijgen en de waarborgen wegvallen waardoor het gegarandeerd wordt.

Wij kunnen ons moeilijk een voorstelling maken van een wereldtoestand, waarin het Evangelie zou gepredikt worden zonder dat die verhou'Indische' Handleiding reorganisatie

ding zou aansluiten bij Jezus' opdracht aan de discipelen. Zonder iets van het gezag en de orde die in het woord apostolisch7 ligt opgesloten. We mogen wel meer leren achten op wat daarin ligt verborgen en niet al te royaal omgaan met alles wat, zoals we dat dan noemen, niet tot het wezen behoort. De vrijheid en de geest, die we hier op aarde kennen, wordt ons door God steeds verleend binnen een zekere omtuining. De storm van politieke en andere hartstochten is zo sterk op de planeet, dat ze dat wel nodig hebben om niet uitgeblazen te worden. Zal er iets overbljiven van de vrijheid van een christenmens, de innerlijke vrijheid, waarvoor Hindenburg8 kort geleden op zo ontroerende wijze opkwam, dan moeten we de achting niet verliezen voor de vormen der kerk, de orde en de tucht zonder welke ze niet bestaan kan. Anders komt straks de massa en dooft het Evangelie.

Eindnoten

  1. 1

    IPK. 3 (nov. 1933) nr. 5.↩

  2. 2

    Zie n. 32.2↩

  3. 3

    Zie n. 85.32.↩

  4. 4

    Quakers. Zie o.a. n. 30.78.↩

  5. 5

    Waarschijnlijk is bedoeld gez. 208: 1 Evangelische Gezangen: "Roemt 's Vaders welbehagen/ Geeft Jezus lof en eer/ Daar ois de dag der dagen/ De dag des Heren weer!/ Stemt met de hemelkoren / het heilig feestlied in/ ook wij, ook wij behoren/ tot 's Vaders huisgezin."Dichter ds. Petro Parson.↩

  6. 6

    Zie n. 26.8↩

  7. 7

    Zie n. 22.14; 30.67; 33.9.↩

  8. 8

    Paul von Hindenburg (1847-1934), veldmaarschalk in de Eerste Wereldoorlog, president Duitse Republiek, tegenstander nationaal-socialisme, hielp tegen wil en dank Hitler aan de macht, januari 1933. In zijn toespraak ter gelegenheid van de nationale 'Erhebung' (21.3.1933) nadat Hitler tot rijkskanselier gekozen was, riep Hindenburg het volk op tot nationale zelfbezinning en 'seelische Erneuerung'. Vgl. K. Meier, a.w. dl.1, p. 78. Zie ook n. 26.8.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 27. De kerkorde der toekomstInhoud29. Een voorstel tot reorganisatie der Nederlands Hervormde kerk →