26. Kerk en natie1
In de woorden, die ik boven dit artikel plaatste, ligt een spanning opgesloten, die de laatste tijd weer meer naar voren komt.2 Het besef daarvan is wel nooit geheel verloren gegaan, maar we hebben onszelf toen wel zo vertrouwd gemaakt met uitdrukkingen als de vaderlandse kerk en dergelijkei dat we soms moeite hebben ons te realiseren dat er in de Twaalf artikelen wel sprake is van een heilige, algemene en christelijke kerk, maar niet van een nationale. Vooral wij, Hollanders, hebben de neiging, kerk en vaderland nauw verenigd te denken. Dat staat in verband met onze historie, waarin de opkomst der natie nauw verband houdt met de inrichting van de Nederlandse Hervormde Kerk. Als de vurige calvinistische predikers uit het Zuiden hier niet gekomen waren en de gereformeerde discipline geen orde en regel had geschapen, dan zou de geschiedenis anders verlopen zijn. Schrijvers als Groen, Motley en Fruin3 leggen daarop eenparig nadruk.
Deze evenwijdigheid van kerk en natie heeft bij ons een sterk historisch karakter. Antirevolutionaire partijen in ons land hebben zich dan ook steeds graag christelijk-historisch genoemd. Ik bedoel daarmee dat het druk leggen op het nationale in verband met kerk nooit erg agressief is geweest. Het bedoelde niet de natie van heden wakker te schudden om haar zo aan eigen aard te herinneren. Men merkte daarin zelden een strekking om de nationaliteit als zodanig te mobiliseren, zoals dat bijv. in Vlaanderen met de taalbeweging het geval is. De herinnering aan eigen verleden had een veel meer geestelijk karakter.'t Was meer een heenwijzing van de natie naar de kerk dan van de kerk naar de natie. Ik denk aan de bekende versregels van Da Costa:
"O, Nederland gij zult eens weer het Israël van 't Westen worden; God zal uw kerk met licht omgorden; uw koningen met Davids eer. "4
Op deze wijze worden we door een herinnering aan onze historie meer naar een hogere kerkstaat heengewezen dan dat er gevaar zou ontstaan dat de kerk als gangmaakster voor de politiek gebruikt zou worden.
Behalve deze voor ons land geldende bijzonderheden zijn er meer algemene omstandigheden, waardoor kerk en natie verbonden liggen. Dit is althans in Europa het geval. In dat werelddeel is de gedachtenis van het Romeinse rijk nooit helemaal verbleekt. De traditie daarvan werd vastgehouden in het heilige roomse rijk van de middeleeuwse keizers.5 ⚑Dat wilde een voortzetting zijn van het christelijk regeer van Constantijn de Grote6 Bij de nationale verbrokkeling van ons werelddeel moest dit natuurlijk grotendeels een fictie blijven. - Maar daarnaast staat een andere opvatting van meer algemene geldigheid. Het is de gedachte dat alle landen der christenheid, hoe verschillend ook van nationaliteit, samen één christelijk geheel uitmaken, het zgn. corpus christianum. Deze idee is van grote invloed geweest op de geschiedenis van Europa. Hoe ellendig ook de politieke historie van ons werelddeel, uit een algemeen christelijk oogpunt, genoemd moet worden, toch is het zeker, dat deze christelijke hoofdgedachte er veel toe heeft bijgedragen om de kloven tussen rassen en naties te overbruggen en deze laatste verhinderd heeft al hun demonische kracht te vieren. Wat er van Europa geworden zou zijn, als de roomse keizer van Duitsland en de allerchristelijkste koning van Frankrijk, in hun lidmaatschap van een algemeen christelijk Europees concert, geen rem hadden gevoeld op hun nationale eerzucht, dat laat zich slechts bevroeden. Onwillekeurig denkt men, voor vergelijking, aan de tijden van Caesar en.. . aan de wereldoorlog. Natie, dat wilde in Europa tot nog toe niet zeggen, dat er een plaatselijk verschijnsel bestond, iets dat, zo als een bepaalde planten- of diersoort slechts hier en nergens elders voorkomt. Het betekent niet dat ergens een bron van mensenleven was losgesprongen, zo als wanneer men een petroleumbron aanboort, die dan met elementair geweld het daglicht zoekt. Natie was deel van een groter geestelijk geheel, een stuk van een grotere christelijke kerkstaat. Ik wil de invloed van dat geheel niet overschatten. Maar toch houd ik staande dat het althans zoveel betekende, dat natie geen absoluut begrip was. Het kende grenzen. En de grens van de natie kan men het best met de naam van kerk, in hogere zin genomen, aanduiden.
Er is een tijd geweest, waarin men zijn best gedaan heeft kerk en natie uiteen te rukken. Dit gebeurde onder de leuze: scheiding van kerk en staat. Een stuk politieke geschiedenis van de negentiende eeuw is daarmee gemoeid geweest. Vaak werd daarmee bedoeld aan de aanspraken van een bepaalde kerk paal en perk te stellen. Aan de voorrechten van een staatskerk werd dan een einde gemaakt of, tegenover Rome, verzet aangetekend tegen de aanspraken van bestaande machten van meer dan nationale omvang.
Voor zover het hier een afwikkeling van oude vergaarde rechten betreft, kan men er vrede mee hebben dat dit zo gelopen is. Maar het fatale van de zaak is geweest, dat de natie daardoor hoe langer hoe meer een absolute macht dreigt te worden. De rem is er af. En de liberalen in alle landen, die in de vorige eeuw zich gaarne lieten voorstaan op hun ijver om de resten van kerkelijkheid en christelijkheid uit de politiek te verwijderen, schrikken nu van de perspectieven, die een zuiver staatkundige vorm van mensenleven voor hen opent. Ze gaan terugkrabbelen en herinneren nu zelf aan de christelijke grondslagen van de bestaande politieke orde ... Ze worden bang van een nationalisme, zonder beperking door een hogere christelijke samenhang ... De leiding is echter reeds lang aan hun handen ontsnapt en de politieke partijen, die thans de staatkundige gedachte op de voorgrond brengen, hebben met het vroegere liberalisme slechts zeer weinig gemeen.
Het fascisme lijdt niet aan bijzondere animositeit tegenover de kerk. Het kent andere vijanden, die het meer in ernst neemt. Het is zelfs gaarne bereid gebruik te maken van de steun, die het christelijk volksdeel kan bieden. In Duitsland recruteert het sterk onder predikanten. Ook in ons land zijn enkele verspreide symptomen van zulke verbindingen op te merken.7 Maar deze toenadering tussen natie en kerk lijkt mij nog gevaarlijker voor het christendom dan de spanning die er onder het liberalisme tussen natie en kerk bestond.
Het fascisme wil wel gebruik maken van de kerk, maar het inspireert zich aan een andere gedachte. Zijn nationale idee vertoont sterk heidense karaktertrekken. Het gaat in die richting verder terug dan het liberalisme. Dit had een humanistische opvatting van staat. Een voorstelling, die de staat te absoluut nam om christelijk te kunnen heten, maar die toch nog te veel onder de invloed van de historie stond om heidens genoemd te moeten worden.
De fascistische staatsidee is niet meer humanistisch. Dat is te zwak uitgedrukt. Ze gaat verder in het verleden terug. In het Romaanse en Germaanse verleden, tot vóór het christendom. Tot voor Constantijn en Karel de Grote.
Wanneer de kerk zich daaraan overgeeft, dan wordt ze meegevoerd in een maalstroom, waarin ze zou ondergaan. Haar vernietiging zou minder afzettelijk plaats hebben dan bij het communisme, maar ze zou niet minder zeker zijn. Onder de omhelzingen der natie zou de kerk verstikt worden. Aan al haar bedenkingen op grond van de geboden van Christus zou één voor één het zwijgen worden opgelegd. Het absolute recht van een volk, om zich zelf te zijn en zijn wezen tegen elkander uit te leven, zou ons terugbrengen naar de tijden van de grote rijken voor Christus met hun absolute aanspraken op de wereldheerschappij. Een kerk zou daarbij slechts in naam kunnen bestaan.8
Voor ons is de tijd gekomen om de middeleeuwse kerkidee weer op te nemen. De burgerschap Gods, waartoe Augustinus de wereld heeft opgeroepen en waarvan ook een begenadigd heiden als Plato een schemering zag. Repristinatie is daarmee niet bedoeld. De wereldklok laat zich niet terugzetten. Maar wel kan de ene eeuw profetie zijn van een volgende. De opvolging van Oud en Nieuw Testament geeft de innerlijke structuur der hele wereldgeschiedenis aan. ⚑Wanneer we dan voorwaarts en niet terug zullen gaan, behoort kerk voor ons een hoger begrip te zijn dan natie. Het is dat geweest sedert Paulus het Evangelie aan de heidenen heeft gepredikt. Toen zijn de middelmuren des afscheidsels, zoals deze apostel het noemt (Ef. 2 : 14), verbroken. De 'scheidsmuren' zouden wij eenvoudigweg zeggen. De christen kent een geestelijk geheel, waarvan men lid wordt door wedergeboorte en niet door geboorte. Alleen maar deze wedergeboorte moeten we niet als een gegeven ding opvatten. Dat is verfijnd humanisme. Wedergeboorte is de toekomst van Jezus Christus. De kerk maakt ons niet conservatief. Maar ze rekent met de krachten en de gezindheden, die wij van boven ontvangen. Niet met onze wil om te leven en te handelen zonder meer, maar ook met de bereidheid om te lijden en te sterven. In de idee ener natie zit veel ongebroken en ongeheiligde kracht, waarop de toekomst der wereld niet gebouwd kan worden.
Wanneer we ons een ogenblik een grote wereldrepubliek zouden denken, dan wordt daarin de nationale gedachte als vanzelf opgeheven. Natie betekent in laatste instantie ook strijd. De voorstelling van de eenheid der wereld neemt voor ons eerder de vorm aan van een kerkstaat, waarin niet de kerk aan de natie, maar de natie aan de kerk ondergeschikt gemaakt wordt. Maar dan op een wijze, die we meer in de profetie dan in de historie hebben te zoeken.