O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← 24. Wat is een leek?Inhoud26. Kerk en natie →

Verzamelde Werken, deel 5 · p. 147–150

25. Presbyteriaal of episcopaal1

Onder de vragen, die thans in ons land en elders naar voren komen, behoort ook die naar de voordelen van een presbyteriale of episcopale kerkorde. Het zijn twee typen van kerkregering die beide reeds een lange en men moet zeggen: goede staat van dienst hebben. En nu het ernst gaat worden met het voortbestaan en de toekomst der kerk, is het te begrijpen dat men zich ook weer gaat bezinnen op de merites van deze beide hoofdvormen van kerkorganisatie. Het komt er op aan het beste te kiezen met het oog op de strijd om het bestaan, die de kerk ongetwijfeld te voeren krijgt. Het goede zal thans plaats moeten maken voor het betere. Wij christenen, zei Augustinus al, volgen niet de gewoonte maar de waarheid.2

Onwillekeurig vraagt men zich echter toch af wie van beide de oudste is. De christelijke traditie weegt toch ook, we willen geen rationalisten zijn, die menen dat een beetje nadenken ons het juiste wel doet ontdekken. Bestaande dingen bergen vaak een schat van wijsheid. Alleen maar, men moet er langer omheen lopen en mag er ook wel eens een keer op terugkomen om die schat te lichten. En zo houdt ook in de kerk de vraag: Wie is de oudste? een betrekkelijk recht.

In dit geval is daarop niet gemakkelijk een antwoord te geven. Daartoe zouden we een onderzoek moeten instellen naar de gegevens van het Nieuwe Testament en de oudste christelijke letterkunde, wat men nu wel niet van mij zal vragen. Maar zoveel kan er toch in een vluchtig artikel wel van gezegd worden, dat de opzieners (1 Tim. 3) of engelen (Openb. 2 en 3) van de gemeenten zomaar niet vertaald kunnen worden met de naam van dominee of bisschop; geen van beide. De gemeente leefde toen in de verwachting van de spoedige wederkomst van Jezus Christus. De opziener mocht wel getrouwd zijn, wat de bisschop in later tijd niet toegestaan is. Maar hij moet toch een heel ander man geweest zijn dan de hedendaagse predikant, die in sommige gevallen nu eens dominee en dan weer vakvertegenwoordiger; vandaag kamerlid en morgen weer evangeliedienaar is. Zulk een hoofd van een christelijke gemeente was een heiligheid, zoals later de bisschoppen ook 'Zijne Heiligheid' genoemd werden. Maar hij was dat in andere zin. Meer op de wijze van de martelaren. Hij behoorde de hemel toe en niet de aarde. De leden der gemeente heten ook heiligen (1 Kor. 1 : 2), maar de opziener is dat in een hogere macht. Hij is het adres van de gemeente, waaraan Christus zijn zendbrieven richt. Hij is reeds meer engel dan mens.

Niemand zal er aan denken dit alles op een predikant over te brengen.

Men moge op een grafsteen van een voorganger der gemeente nog wel eens een apocalyptische tekst plaatsen, als bijv. Daniël 12 : 3: de leraars zullen blinken ... gelijk de sterren, dit is toch meer een concessie aan het oud-christelijk spraakgebruik als het geen erger is. Liever vraagt men thans: "Kan een dominee ook zalig worden?"3 Er is een groot verschil in toon tussen toen en thans. En elke poging om een presbyteriale kerkregering zomaar uit de bijbel over te nemen, is een van de ergste anachronismen die ik ken. Een goede uitlegging van de tekst van het N.T. zal niet de gelijkheid, maar het verschil aan de dag brengen.

Zo schijnt dan de bisschop een voorsprong te krijgen en met zijn duidelijke ambtsheiligheid beter bij het N.T. aan te passen. Tot op zekere hoogte is dit inderdaad het geval. Dat de historische volgorde zó geweest is: engel der gemeente, bisschop, dominee, dat is geen toeval maar noodwendigheid. Een andere opvolging van de drie is niet denkbaar. Men zou de reeks niet kunnen omkeren. - Maar daarbij mag men niet over het hoofd zien dat er tussen de heiligheid van de nieuwtestamentische opziener en die van de middeneeuwse bisschop een zware spanning bestaat. De hele kerkgeschiedenis tussen 200 en 400 na Christus, van Tertullianus tot Augustinus, is er mee gemoeid geweest om die spanning te ontladen. De eschatologische heiligheid van de eerste christentijd, die het duidelijkst in de martelaren uitkwam, kwam toen in conflict met de historische heiligheid, die belichaamd werd in de bisschoppen.4⌫ De eerste is een stukje duidelijke eeuwigheid in de tijd. Dat de martelaar zalig wordt, was aan geen twijfel onderhevig.

De gewone christen verloor echter bi de uitbreiding der kerk al spoedig zijn absolute geloofsverzekerdheid, zoals die uit de brieven van Paulus zo heerlijk spreekt. Wanneer hij later nog een 'heilige' genoemd wordt, dan betekent dat niet meer dat hij onvoorwaardelijk zalig zal worden en reeds in de eeuwigheid staat. Het sacrament van de boete ontstaat, dat hem een voorwaardelijke zekerheid moet verschaffen. Hij kan vallen, moet biechten, moet boeten en kan dan weer aangenomen worden. Zijn val is niet meer onherstelbaar, maar zijn christenstand is ook niet onbetwijfelbaar. Volkomen zekerheid, zoals de martelaar, heeft hij niet. Het martyrium werd daarom vaak opzettelijk gezocht.

Aan dat boete-sacrament sluit de opkomst van de bisschoppelijke waardigheid zich.nu aan. De episcopale heiligheid is niet meer eschatologisch, dwz. zij staat niet aan gene zijde van de grens die tijd en eeuwigheid scheidt. Ze is historisch en heeft alleen zin voor zover ze kan dienen om het eeuwige ook een plaats in de tijd te geven. De bisschop moet zich bezighouden met mensen die vallen en opstaan. Hij moet geduldig zijn, geven en nemen; hij moet opzoeken, leiden en weiden. Zijn eigen heiligheid is daarom geen schiereiland van eeuwigheid midden in de tijd, zoals dat bij de martelaar het geval is. Ze is geen volstrekte waarborg voor eigen zaligheid. Eerder kan men zeggen dat hij in dat opzicht bij de leek achterstaat, voor zover hij de minste moet zijn en bij zijn herderlijk werk nog meer gevaar loopt om door de wolf verscheurd te worden, dan het schaap dat hij moet hoeden. Daarom is het geheel in de lijn als men ten opzichte van de predikant, voor zover hij de historische opvolger is van de bisschop, gevraagd heeft: "Kann auch ein Pfarrer selig werden?"

Zoveel meen ik nu wel duidelijk gemaakt te hebben, dat het episcopaat evenmin als het predikantschap een regelrechte voortzetting van het ambt in de eerste christelijke gemeente kan heten en dat zijn heiligheid een ander karakter draagt. Misschien moet men zeggen dat het de brug is die het ambt, zoals wij dat kennen, het protestantse leraarsambt, met de oorspronkelijke diensten in de gemeente verbindt. Wanneer men terug zou willen naar de toestanden in de eerste christelijke gemeente, dan zou men noodzakelijkerwijze van deze brug gebruik moeten maken. Een blootherstel van toestanden zou eerst tot het bisschoppelijk ambt en pas daarna tot de oud-christelijke diensten kunnen leiden.

De vraag die we ten opzichte van de presbyteriale en episcopale kerkorde stelden: Wie is de oudste? kan dus verschillend beantwoord worden. Zuiver historisch is de bisschoppelijke inrichting de eerste. Maar de kerkhervorming is ook een protest geweest tegen deze historische binding. Luther vond de afhankelijkheid die ermee gepaard ging niet in overeenstemming met het Evangelie dat de 'christenmens' vrijheid geeft5 en hij had vooral ook bezwaren tegen de twijfel die het boetesacrament in de zielen overlaat. Voor hem is de hoofdvraag: 'Hoe krijg ik een genadig God'. En hem is het er om te doen, aan de gemeente de geloofsverzekerdheid terug te geven die de oude kerk had. - En Calvijn en de gereformeerden voelden een honger naar meereeuwigheid in de kerk. Voor hen is het episcopaat een hindernis geworden in de verhouding tot God. Ze wensen iets meer directs en daarom brengen ze de leer der verkiezing sterk naar voren. Daardoor wordt de historische toeleiding van het heil sterk ingeperkt ten behoeve van een absolute persoonlijke verzekerdheid.

Zo kan men zeggen dat ideëel gezien de presbyteriale kerkorde de oudste is. Ze grijpt bewust terug op de eeuwigheids-nabijheid van de eerste christelijke gemeente. Daartoe vereenvoudigt zij in hoge mate het hele historische apparaat dat de katholieke kerk rondom het Evangelie had gebouwd. Daarmee zijn echter de ambten uit de oude kerk nog niet weer hersteld. Een dergelijke reconstructie van de dingen ligt niet in onze macht en ook niet in die van de reformatoren. Evenmin als de gave der talen en der gezondmaking kan men de 'engel der gemeente' weer oproepen door een verandering in de kerkelijke reglementen. Nog eens - dan ligt het nog eerder in onze macht, de bisschop6 weer wakker te maken. Sommige protestantse kerken hebben dat ambt dan ook aangehouden en andere hebben het weer ingevoerd, zij het dan ook in andere vorm en met een gewijzigd karakter. De protestanten in Scandinavië leven onder het episcopaat. De bekende strijder voor de eenheid der kerken Nathan Söderblom7 voerde de bisschopstitel en de gereformeerde kerk in Hongarije8 is tot deze vorm van kerkelijk samenleven teruggekeerd. En naast de protestantse kerken leeft de anglicaanse christenheid, die van het begin af dit ambt als een wezenlijk bestanddeel van de kerkorde heeft bijgehouden.

Wanneer ik goed zie, dan laat het zich daarom met de bijbel in de hand niet uitmaken of we een presbyteriale of een episcopale kerkorde moeten hebben. We kunnen het er althans niet zo direct uit afleiden als men dat vaak doet, door zich op de eerste christelijke gemeente te beroepen. Maar zuiver historisch kan het voor ons evenmin beslist worden, omdat protestantisme een eeuwigheids-reactie tegen de historie wil zijn. Wij moeten de zaak opnieuw bezien met het oog op de behoeften van de tijd. We zullen dat niet kunnen doen buiten de leiding van Gods Geest en het licht van Gods woord. We zullen ook niet doof moeten zijn voor wat de historie ons leert. Maar daarbij zullen we het oog op de toekomst gericht moeten houden. De persoonlijke verzekerdheid des geloofs, waarom het Luther te doen was, en de eeuwigheidsnabijheid die Calvijn bedoelde zijn zulke kostelijke goederen dat we een episcopaat dat daaraan ook maar even raakte zouden moeten afwijzen. Het is echter ook mogelijk dat er een bisschoppelijkheid is die als schildwacht der eeuwigheid wil staan.9 Ik kom daarop nog terug.a

Voetnoten

  1. a

    In De kerkorde der toekomst, IPK. 2 (mei 1933) nr. 11.↩

Eindnoten

  1. 1

    IPK. 2 (februari 1933) nr. 8.↩

  2. 2

    Augustinus, De baptismo contra donatistas, III, 9, 12, MPL., 43, 144: "Item Honoratus a Tucea dixit: Cum Christus veritas sit, magis veritatem quam consuetudinem sequi debemus."↩

  3. 3

    Dietrich Vorwerk, Kann auch ein Pastor selig werden? Ernste Gedanken für Seelsorger, Schwerin (Meckl.) 19125↩

  4. 4

    Zie O. Noordmans, Augustinus, Haarlem 1933, VW., dl. 3, p. 117-120.↩

  5. 5

    Vgl. Luthers geschrift Von der Freiheit eines Christenmenschen (1520).↩

  6. 6

    Vgl. de figuur van de made (en van de visite in het ontwerp-KO. Zie bijlage 2C (art. 7a).↩

  7. 7

    Nathan Söderblom ( 1886-1931 ), Zweeds theoloog, godsdiensthistoricus, schrijver van Das Werden des Gottesglaubens, Leipzig 1916, initiator en leider van de oecumenische beweging, vooral van de afdeling Life and Work; werd in 1914 aartsbisschop van Uppsala.↩

  8. 8

    De kerkenordening van Debrecen (1567) Articuli ex Verbo Dei et Lege Naturae compositi schiep eenheid tussen de gereformeerde gemeenten, mede door het aanwijzen van een bisschop over de gehele kerk. Vgl. prof. dr. Jenö Sólyom, Twee belijdenissen - één geloop, in De Reformatie in Europa, Baarn 1968, p. 153 vv.↩

  9. 9

    Inst. III, 9, 4. Zie VW., dl. 3, p. 162, noot s.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 24. Wat is een leek?Inhoud26. Kerk en natie →