24. Wat is een leek?1
De bekende gelijkenis uit Lukas 10, die van de barmhartige Samaritaan, heeft allereerst een algemeen zedelijke betekenis. Het gaat om de vraag wie onze naaste is. De inhoud van het tweede grote gebod dat Jezus geeft en dat de samenvatting vormt van de tweede mozaïsche tafel wordt er nader door bepaald.
Een kerkelijke betekenis heeft het verhaal dus niet. Eerder zou men nog kunnen spreken van een politieke les, omdat het de vijandschap tussen Joden en Samaritanen tegengaat. Toch is het niet toevallig dat Jezus niet een gewone Jood tegenover de Samaritaan plaatst, maar twee geestelijken van verschillende rang. Daardoor krijgt de gelijkenis meer reliëf. Een Leviet is een Jood in het kwadraat en in de priester staat hij tot de derde macht verheven. Deze Israëlieten van hogere graad staan nu tegenover de vreemdeling, die nog niet eens een gewone Jood is, nog geen fractie van een Jood. Wat hij is tegenover de zoon Abrahams kan in een breuk met nog zo hoge noemer niet uitgedrukt worden. Het is geen helft, geen vierde, geen achtste of zestiende van een Israëliet. Op die wijze is zijn waarde niet uit te drukken. Hij is geen-Jood en daarmee is alles gezegd. En toch blijkt hij de naaste te zijn; zoals het tweede grote gebod het woord verstaat.
Hier - in de gelijkenis - hebben we de tegenstelling tussen priester en leek op zijn scherpst. Nog eens, het is Jezus niet om kerkelijke lering te doen. Maar de parabel van het koninkrijk Gods werpt plotseling, als bij toeval, een fel licht op kerkelijk gebied. De vraag luidt dan niet meer: wie is uw naaste? maar: wat is een leek? En Jezus beantwoordt die vraag in het Evangelie op een wijze, zoals we dat later in de kerk nooit meer zullen horen. Daar blijft de leek toch altijd een positieve grootheid. Hij mag dan geen ambt bekleden, hij is toch lid van de kerk; hij is een stukje van een priester. Ook als leek heeft bij deel aan het hogere dat kerk heet. Hij is iets meer dan gewoon mens. Als ik, gedachtig aan mijn tweede en derde macht, de ouderling-Leviet een 4 geef en de dominee een 8, dan moet mijn leek noodwendig een 2 hebben. Dat is meer dan 1. Nog minder mag ik hem met een breuk voorstellen.
Nu merken we pas hoe wonder Jezus' bepaling van de leek is. Samaritaan, dat is geen-Jood, dwz. geen lid. Dat is een negatieve waarde, die beneden de kleinste breuk ligt.
Als we er eenmaal oog voor hebben dan komen we onze leek wel meer in het Evangelie tegen. In heel andere gedaante is hij er in de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar. Weer is het Jezus niet om de kerkelijke kwestie te doen. 't Gaat om wat wij 'de rechtvaardiging uit het geloof' noemen. Maar we zien ze toch duidelijk, de kerkelijke schaduwen van deze figuren uit het Evangelie. We zien ze zelfs beter dan de geestelijke gestalten zelf. We zijn als kinderen, die naar schaduwbeelden kijken die Jezus' hand ons op onze witte kerkmuren werpt. De Farizeeër is de priester, maar nu zoals hij voorkomt bij de protestanten. Hij presteert iets, veel zelfs, in de leer. En zijn leven is ook lang niet verwerpelijk. Hij vast tweemaal per week en geeft tienden van al wat hij bezit. Van dit alles heeft de tollenaar niets. Geen leer en geen leven. Hij is zondaar, meer niet.
Al weer zo'n negatieve bepaling van de leek. De Farizeeër hoort in de kerk thuis. Men ziet het, hij loopt dadelijk naar voren. Hij voelt er zich op zijn gemak. De tollenaar niet. Hij blijft verlegen achterin staan. Hij is niet van de kerk. Hij is helemaal, totaal en tot in de grond van zijn hart een leek.
Nu de kwestie van de kerk meer actueel wordt, komt ook de vraag: wat is een leek? weer naar voren. Het is waar dat we haar hebben afgeschaft. Als protestanten kennen we geen leken. Maar dat helpt ons weinig. Zij kennen ons wel en willen in de kerk aan het werk gaan. Het woord leek is bezig weer burgerrecht te krijgen. En een organisatie van lekenarbeid is overal aan de orde. Enkele dagen geleden is er in Amsterdam een Vereniging van Hervormden opgericht,2 die zich zulks ten doel stelt. Dat is zeker niet te vroeg, want het is bekend hoe de hervormde gemeente in de hoofdstad op een holletje achteruitgaat. De cijfers die dat aanwijzen zijn werkelijk ontstellend. Zal er in onze dagen in een wereldstad van de kerk apostolische missie uitgaan - en zonder deze moet ze in de grote centra snel ineenschrompelen - dan kan die door de bestaande ambtsdragers niet voldoende gedreven worden.
Trouwens men kent de zaak in Indië, Bandoeng en elders, vrij zeker reeds beter dan hier. Wat in Frankrijk onder de naam van La Cause3 begonnen werd, vond daar immers reeds spoediger ingang dan hier. Maar ook in Nederland trekt het steeds meer de aandacht.
Op een op 29 september jl. gehouden ledenvergadering van Kerkopbouw werd er een bespreking aan gewijd en in het Weekblad voor Christendom en Cultuur komt het telkens ter sprake.
Intussen is het verschijnsel voor Nederland niet zo nieuw als het, gezien de bovenstaande gegevens, wel lijkt. Ik denk nu niet aan allerlei jeugdorganisaties of bonden van jongeren. Dat is een reeds lang aan de gang zijnde beweging van eigen karakter. Maar behalve de jeugd en de jongeren, die eigenlijk ouderen bedoelen te zijn vergeleken bij de jeugd, kennen we toch ook reeds vrij lang verschijnselen waarbij met de leek in het algemeen gerekend wordt. De Ethische Vereniging,4 die nu na de oprichting van Kerkopbouw geacht moet worden ter ziele te zijn, heeft een paar tientallen jaren ook het lekenelement trachten tot zich te trekken en te mobiliseren. Een brede lekenactie is er niet uit opgevlamd, maar in intellectuele kringen heeft de Vereniging toch wel veler godsdienstige belangstelling wakker gehouden. De beweging was ongetwijfeld iets minder domineesachtig dan bijv. de Confessionele Vereniging,5 al klaagden sommigen dat ze'en revanche' daarvoor erg professoraat uitviel. Hoe dit zij, een feit is dat vele niet-theologen op haar vergaderingen een woord meespraken niet alleen, maar ook leiding gaven. Enkele conferenties, die aan de vereniging haar ontstaan dankten, blijken zelfs een taaier leven te hebben dan deze zelf. Ik denk aan de Ethische Conferentie, die jaarlijks te Lunteren gehouden wordt en aan de Martini-conferentie te Groningen.6 Ze hebben velen iets gegeven wat men niet wenst in te ruilen.
11
Daarnaast noem ik het Algemeen Weekblad voor Christendom en Cultuur, in Indië niet onbekend. Het is voortzetting van Bergopwaarts en dit lag weer in het verlengde van de Nederlandsche Kerkbode.7 Wie, zoals schrijver dezes, achtereenvolgens alle nummers van deze publikaties ondei ogen heeft gehad, kan zich niet vergissen als hij meent dat de ontwikkeling van deze ethische periodieken zich regelrecht in de richting van de lekendeelname bewogen heeft. Aan het Weekblad werken vele professoren en predikanten mee, maar het aantal leken dat er geregeld of incidenteel in schrijft is zeer aanzienlijk. Meer nog dan in het culturele en een soms wat overdreven zucht om de dingen geestig of humoristisch te zeggen, zie ik daarin het karakteristieke van het blad.
Er zou nog veel meer te noemen zijn. Allang tracht men door allerlei brochure-reeksen het grote publiek ook in de theologische discussie te betrekken. Praktisch Christendom8 en andere van die aard gaven hele series van werkjes uit. Alleen bleef de leek daarbij meer passief. Hij had slechts nodig een vrij groot digestief vermogen om al het gebodene, hoe smakelijk ook toebereid, te kunnen verteren.
In dit verband moet zeker ook de leken-bijbel die de Utrechtse professoren Obbink en Brouwer hebben uitgegeven worden genoemd: de zgn. Verkorte Bijbel.9 Een voortreffelijke vertaling, waarbij in het Oude Testament sommige stukken, die geacht werden voor de godsdienstige leek weinig betekenis te hebben, werden weggelaten.
Uit dit alles blijkt dat er in kerkelijk Nederland, althans gedurende een paar tientallen jaren, in toenemende mate met en op de leek gerekend is. En ongetwijfeld niet zonder resultaat. In een bepaalde 'Schicht' of laag van mensen is het merkbaar dat deze dingen er geweest zijn en hun invloed hebben doen gelden. Met name het Weekblad is tot gevestigde staat gekomen en is orgaan van een brede gemeente van eigenaardig lekengehalte. Ook de theoloog die zich hier beweegt of schrijft voelt de toga van zijn schouders glijden en legt onwillekeurig zijn ambtelijke allures af.
Men mag dus niet zeggen dat de lekenbeweging in Nederland pas geïmporteerd is uit Frankrijk of iets van die aard. Wij kennen haar minstens 25 jaar. Maar er moet wel van een crisis in de beweging gesproken worden. ⚑We komen in een nieuw stadium. En dat is nodig ook. Het is niet toevallig dat Frankrijk, dat het meest geleden heeft in de oorlog, daarbij voorgaat. De toon moet dieper en ernstiger worden. Er is minder cultuur en meer nood. Het christendom moet tegenover de cultuur naar voren komen en doet dat ook. De lekenbeweging had neiging tot een eenzijdig esthetische aanvat van de dingen. Het zeggen scheen soms belangrijker dan de zaak.
Men wilde nog wel over religieuze onderwerpen gesproken zien, maar dan moest het op prettige, zeer onderhoudende toon gebeuren. Soms scheen het en schijnt het nog dat men ook hier bovenal naar amusement zoekt. Iedere publicist in Nederland weet daarvan mee te praten en als hij het vergeet is de uitgever daar om het hem aan zijn verstand te brengen. Ook en niet het minst in de Weekblad-gemeente is het verschijnsel bekend.
Intussen zijn de tijden boos en nog bozer geworden en het wordt ernst of men wil of niet. Het baat niet of men preektoon, ambtelijke nadrukkelijkheid of zwaarwichtige dictie nalaat. De ernst komt toch wel: de echte, onontkoombare. Het doet er weinig toe hoe men het zegt, als de zaak maar besproken wordt. Of het cultureel is doet er voorlopig minder toe. Het gaat niet meer om de bovenbouw maar om het fundament. Om christendom en daad. En om de troost waarin deze beide verbonden liggen.
De crisis in de lekenbeweging hangt hiermee samen. Het christendom is van oorsprong een actieve lekenbeweging, van geweldige, wereldbewegende ernst. Maar in de kerk kan men deze leek niet terugvinden. De echte leek is alleen in het Evangelie. De Samaritaan en de tollenaar. In de kerk is de leek steeds een miniatuur-geestelijke. Als hij actief wordt krijgt hij allures, of hij wil of niet. Hij is een positieve grootheid. Wil hij dat niet, dan gaat hij zich tegen eigen geestelijkheid beschermen door de bekende esthetische en culturele houding. Over het algemeen komt men dan liever in aanraking met iemand die een kerkelijk ambt bekleedt en er enige scholing in heeft dit te dragen als niet-dragende.
Wat is een leek? Dat is de vraag die de ernst van de tijd ons stelt. Wij hebben hem nodig, want Christus heeft er zijn gemeente op gebouwd. Het is Petrus - in zijn verloochening. Augustinus kent Petrus tweemaal als de figuur, de kerk dragende. Eenmaal in zijn belijdenis en andermaal in zijn verloochening. Op de eerste heeft Rome de kerk gebouwd. Op de tweede zal het nu moeten gebeuren.10 Wij hebben leken nodig, dominees of gemeenteleden het doet er niet toe, in ieder geval mensen wier geestelijkheid dwz. hoogmoed in de wortel gebroken is, zodat hun apostolische liefde niet door eigengerechtelijkheid ongenietbaar wordt. Zulke absolute, negatieve leken hebben we nodig. Ze zijn in de kerk onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk.