O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← 22. Kerkherstel en KerkopbouwInhoud24. Wat is een leek? →

Verzamelde Werken, deel 5 · p. 136–140

23. Pacificatie1

Voor een Indisch publiek te schrijven over vaderlandse kerkelijke toestanden brengt zijn bezwaren mee. De temperatuur is verschillend en als Multatuli gelijk heeft dat Insulinde zich om de evenaar slingert,2 zelfs hier en daar de stand der zon anders. Wat hier zuid is, wordt ginds vaak noord. Zouden deze klimatologische en geografische verschillen geheel zonder invloed blijven op de kijk die men heeft op kerkelijke en culturele dingen? Bestaat naast de tegenstelling van oost en west, waarvan meen ik Kipling gezegd heeft dat ze elkaar nooit zullen ontmoeten,3 in 't geheel niet die voor noord en zuid? De verdeling van West-Europa in een katholieke en een protestantse helft in rechte evenredigheid met de breedtegraad zou ons tot een andere opvatting kunnen brengen.

Ik zal mij daardoor echter niet laten verleiden een soort vertaling te ondernemen van wat hier gedacht en gezegd wordt. Ik veronderstel dat het mijn lezers het liefst is wanneer ze het bekende Hollandse geluid horen. Zelfs gekibbel kan op een afstand de begeerte opwekken van de partij te zijn, wanneer dieper liggende gevoelens daarbij worden wakker geroepen.

Iets van die aard heb ik hier wel te berichten. De synode, die gewoon is elk jaar de classicale tafels te voorzien van enige voorstellen, die meestal een zeker formeel karakter dragen, was in 1931 van deze regel afgeweken. Door enige ingrijpende voorstellen, door een door haar benoemde commissie ingediend, voorlopig aan te nemen. In die commissie hadden o.a. zitting prof. Brouwer, de voorzitter van Kerkopbouw, en dr. Niemeyer,4 een bekend voorman der vrijzinnig hervormden en lid van het provinciaal kerkbestuur van Friesland. Zij had gemeend, na de verwerping van de voorstellen tot reorganisatie van prof. Haitjema c.s.5 iets te moeten doen om het vreedzaam samenleven der partijen te bevorderen binnen de bestaande organisatie.

Oppervlakkig bezien leken de voorstellen niet bijzonder diep in het kerkelijk leven in te snijden. Men gaf in overweging voor de kerkeraden de verplichting te scheppen om aan minderheden in de gemeente op bepaalde voorwaarden tegemoet te komen. Jaarlijks zouden deze dan het recht hebben op enige godsdienstoefeningen, geleid door een predikant hunner keuze, en wel tenminste twee voor het bedienen van de Heilige Doop, één voor de viering van het Heilig Avondmaal en één voor de bevestiging van lidmaten. Daarbij golden echter de volgende voorwaarden:

a. dat de groep verklaart in te stemmen met de verkondiging van het Evangelie van Jezus Christus overeenkomstig de beginselen en het karakter der Hervormde Kerk;

b. dat ze zich volgens haar geweten dogmatisch niet bevredigd acht met de wijze waarop in de plaats harer inwoning die verkondiging geschiedt;

c. dat ze bestaat, in gemeenten met niet meer dan drie predikantsplaatsen uit tenminste een derde gedeelte der stemgerechtigde lidmaten en in gemeenten met meer predikanten uit een breuk die tot teller 1 en tot noemer het aantal predikanten heeft; d. dat ze de onkosten voor haar rekening neemt.

Een tweede voorstel was van verdere strekking. Het bedoelde de mogelijkheid te scheppen voor een minderheid om een eigen predikant te krijgen. De meerderheden zouden dan vooral in de kleinere gemeenten iets groter moeten zijn; in gemeenten met één predikantsplaats zelfs 2/5. De kerkeraad zou dan moeten beroepen uit een drietal dat de groep indiende en zou moeten bevorderen dat de belanghebbenden van hun kerkelijke belasting werden ontheven.

Dit laatste voorstel was niet door de hele commissie bij de synode ingediend maar door twee harer leden. De synode had het eerste voorstel aangenomen met 11 tegen 7 stemmen en het laatste met wat een synodelid in een brochure de 'klassieke' stemverhouding van 10 tegen 9 noemde.6 In confessionele kringen bestond van de aanvang af over de mogelijkheid van de definitieve aanneming dezer voorstellen een levendige ongerustheid. Prof. Haitjema bestreed ze op reglementaire en principiële gronden.7 Hij meende dat de synode niet gerechtigd was zich in dogmaticis te begeven, wat ze bier op negatieve wijze toch deed. Ze was een besturend lichaam. De kans op aanneming was vergroot omdat prof. Brouwer,8 die als voorzitter van Kerkopbouw geacht mocht worden zeer vele ethischen achter zich te hebben, het eerste voorstel verdedigde. De ongerustheid der confessionelen was dus verklaarbaar.

De vrijzinnigen waren en bloc voor de reglementswijziging. Dr. Niemeyer, die anders waarschijnlijk wel niet in de synode zitting zou hebben gekregen, werd door schikking met iemand anders toch afgevaardigd en ook daarin zag men een teken dat het ernst ging worden.

De zaak heeft geen bijzonder tragisch verloop gehad. De laatste woensdag van juni plegen elk jaar de classicale vergaderingen gehouden te worden. Zij geven advies op de het vorige jaar door de synode aangenomen voorstellen. Een grote meerderheid bleek de voorgestelde weg niet te willen betreden. De synode van dit jaar heeft met die adviezen rekening gehouden en met grote meerderheid de reglementswijzigingen verworpen.

Misschien lijkt deze affaire uit de verte op klein partij-gekibbel. En toch is ze meer dan dat. Er schuilen beginselvragen achter van betekenis voor de toekomstige ontwikkeling der kerk. Men mag niet vergeten dat in vroegere perioden van de wereldgeschiedenis de kerk een veel grotere plaats in het leven van de massa heeft ingenomen dan ze dit thans doet. Is dat onherroepelijk voorbij? Hebben wetenschap, kunst of enige andere cultuursmacht de taak om leiding te geven van haar overgenomen? Er zijn misschien ogenblikken geweest waarin men dat heeft kunnen menen. Maar de betekenis van de conjunctuur die we beleven is juist deze dat men op die vraag beslist ja óf nee moet zeggen. Men kan haar niet in het midden laten. We kunnen op dit punt thans in Europa spreken van oost en west die elkaar nooit zullen ontmoeten. De wijze waarop men in Rusland de kerk terzijde schuift kan slechts beantwoord worden door beslister naar voren brengen van alle wezenlijke kenmerken daar waar men haar niet loslaat. Daarom staan we tegenover het kerkelijk vraagstuk heel anders dan vijftig jaar geleden. Ook toen hebben talrijke en respectabele groepen op de betekenis der kerk als zodanig als instituut en draagster van waarheid gewezen. Deze vertogen deden dan soms wat ouderwets aan. Het was zoals het soms wel meer gaat als men goede en stichtelijke dingen in 't midden brengt zonder dat ze dat actuele aan zich hebben wat een ding geestelijk maakt.

Dat is nu anders geworden. Men denkt weer aan de kerk uit nood, zoals men soms aan God denkt in de nood. Wanneer men dat laatste doet, dan denkt men aan alles waardoor God juist God is. Dat Hij goed is maar misschien toornig; in ieder geval dat Hij helpen kan en ook vergeven wil. God wordt weer God. - Zo ook met de kerk. Wie nu uit de nood der tijden om kerk roept, wil weer een echte kerk. Een moeder. Men herinnert zich wat de kerk wezen kan en vaak geweest is. Ze is draagster van waarheid en heeft een dogma. Zelfs de gedachte aan kerkelijke tucht, die lange tijd volslagen contrabande leek, komt weer naar voren. De filosoof der vrijzinnigen in Nederland, dr. Snethlage, heeft zelfs verklaard dat ze tot de wezenstrekken der kerk behoort.9

Met deze dingen voor ogen meenden ook vele ethischen dat het nu juist niet het ogenblik was om de kerk een gematigde dogmatische onverschilligheid bij te leggen.10 Ze vonden dat, thans meer dan ooit, de mensen moesten weten wat ze aan de kerk hadden. Dat partijstrijd, hoe onverkwikkelijk ook, toch te verkiezen was boven een toestand waarbij de kerk ieder in de gelegenheid zou gaan stellen binnen haar muren het evangelie te horen dat hij verkoos. Ze hadden wel oog voor de geduldigheid die iedere ware kerk eigen moest zijn en wensten er ook aan mee te werken deze uit te bouwen in de organisatie der kerk en er op die wijze vaste vormen aan te geven. Maar als het op de prediking en de belijdenis aankwam, mocht de gemeente niet met een facultatief evangelie genoegen nemen. De gang der dingen moest in onze tijd eerder op beslissingen zijn ingesteld.

Ook van een praktische zijde werden de voorstellen afgeraden. De evangelist Hilbrandt Boschma,11 bekend pacifist en schrijver van originele en soms schier-apocalyptische brochures inzake de vredesbeweging, neemt ook in het kerkelijk vraagstuk een zeer bemiddelend standpunt in. Hij is tegenstander van beslissingen bij meerderheid van stemmen en wenst dat de oplossing van de richtingstrijd zuiver geestelijk zal blijven ... Toch ried hij de pacificatie die in de hier besproken voorstellen bedoeld was af. Hij achtte de satisfactie die een meerderheid zou gevoelen als ze een enkele maal kerk en koor in een in meerderheid andersgezinde gemeente bezette, niet van benijdbaar gehalte. Liever liet hij dan aan de getalverhoudingen dan nog maar haar consequenties.

Nog een andere kant van de zaak kwam ter sprake. In sommige artikelen van de reglementen ligt thans reeds een compromis opgesloten tussen de richtingen. Tijdens de vacature wordt aan de keus van een gemeente ten opzichte van een consulent effect verleend. En zo zijn er enkele dingen meer. Er wordt reeds, zo argumenteert men dan, met de richtingen gerekend. De reglementen kennen de dogmatische verschillen wel. Inderdaad valt dit niet strikt te ontkennen. Maar dergelijke inconsequenties brengt het leven nu eenmaal mee. Wanneer men van daaruit de lijnen verder gaat trekken wordt men karikatuur-tekenaar. Ieder portretkunstenaar zoekt een kleine woekering op het aangezicht van zijn origineel eerder te negeren dan te idealiseren. De kerkelijke wetgever mag zich aan dergelijke uitwassen niet inspireren.

Opvallend is de rustige en zakelijke wijze geweest waarop de polemiek over deze dingen werd gevoerd. Men voelt allerwege dat er meer op het spel staat dan partijbelang en dat de 'Schicksalstunde' der kerk geslagen heeft. Sommige dingen zijn daarbij wel in helder licht komen te staan. Men moest er zich opnieuw rekenschap van geven hoe ver het partijwezen in de samenstellende delen der kerk kan invreten, zonder dat ze daardoor wordt opgelost. Een provincie, een classis kan tot nog toe gemeenten trekken van verschillende richting. Moet deze concessie aan de realiteit doorgetrokken worden ook van de enkele gemeente en moest zij naar haar richtingen geïnstrumenteerd worden?

De kerk heeft gemeend van niet. Zij zoekt, als ik mij niet bedrieg, eerder de omgekeerde weg, die naar een meer gemeenschappelijk en klaarder belijden. De nood der tijden zal daaraan misschien meewerken.

Eindnoten

  1. 1

    IPK. 2 (1.1 1.1932) nr. 5. Dit pacificatie-voorstel was waarlijk niet het eerste (zie n. 33.22). Voor inhoud voorstellen, samenstelling commissie etc. zie n. 19. l; voor de gang door de kerk vgl. H. Bartels, a. w., p. 60-75; voor het appèl tot belijden met name op de vrijzinnige theologen zie nr. 1 5 en voor de crisis in KO. zie nrs. 20, 21.↩

  2. 2

    Uit Multatuli, Max Havelaar of de Koffyveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappij, Amsterdam 1860. Vgl. VW., dl. 1, p. 422. " ... aan U draag ik mijn boek op, Willem den Derden ... keizer van 't prachtig rijk van Insulinde dat zich daar slingert om de evenaar als een gordel van smaragd." Citaat uit uitg. dr. G. W. Huygens, Rotterdam 1958, p. 272.↩

  3. 3

    Rudyard Kipling, The ballad of East and West. Barrack-Room Ballads and other verses, Londen 1892, p. 75: "Oh, East is East, and West is West and never the twain shall meet/Till Earth and Sky stand presently at God's great Judgment scat; But there is neither East nor West, Border nor Breed nor Birth/ When two strong men stand face to face, though they come from the ends of the Earth."↩

  4. 4

    C. J. Niemeyer (1864-1932), hervormd predikant o.a. te Bolsward. Schreef Destrijdover de leer der praedestinatie in de negende eeuw, diss. Groningen, Leiden 1889. Leider der vrijzinnigen; richtte de Vereniging van Vrijzinnige Hervormden op in 1904.↩

  5. 5

    Zie voor deze cie. en haar werk n. 14.19;voor de discussie over het ontwerp n. 14.1; 14.9. Vgl. H. Bartels, a.w., p. 15-25.↩

  6. 6

    Te weten: op de synodevergadering van 30.7.1931. Vgl. H. Bartels,a.w., p. 60, 69. Zie ook n. 1.13.↩

  7. 7

    De pennestrijd liep als volgt: A. M. Brouwer, Synodaal voorstel betreffende de minderheden, A WCC. 8 (15.4.1932) nr. 24; Th. L. Haitjema, Niet rechten van minderheden maar recht van Christus, GK. 44 (17.3.1932) nr. 2267 (bijblad); Th. L. Haitjema, Een zwakke verdediging, GK. 44 (5.5.1932) nr. 2274; O. Noordmans, Op een dood spoor, A WCC. 8 (15.4.1932) nr. 24, overgenomen in GK. 44 (23.6.1932) nr. 2281; A. M. Brouwer, Ingezonden, GK. 44 (26.5.1932) nr. 2277; Th. L. Haitjema, Antwoord aan A. M.Brouwer, GK.44 (26.5.1932) nr. 2277. Haitjema opponeerde tegen de voorstellen, Brouwer verdedigde ze, H. noemde dit verweer zwak. H. gaat in op B.s verwijt van 'leeroverschatting' en van starre, 'dogmatische eenheid'; H. erkent 'verscheidenheid van opvatting'. "Maar als dit inzicht, overeenkomstig 1 Kor. 12, betreffende de 'veelkleurigheid' der in het geloof erkende waarheid Gods, dienen moet om afgronden van Christusverloochening en kruisverijdeling toe te dekken, dan wordt het bedenkelijk. En daartoe komt prof. Brouwer, wanneer hij even verder in datzelfde verband neerschrijft: 'Daar (nl. in die historisch geworden volkskerk) moet men ook officieel erkennen, dat de dogmatische verscheidenheid groot is, ook al is er slechts één algemeen erkend fundament: Jezus Christus, de Heer.' Algemeen erkend?" zo vraagt H. Ook door de auteurs van Wij geloven? (d.i. nr. 6 der Erasmus-serie, Assen 1932, waarin vrijzinnige theologen de quintessens van het vrijzinnig christelijk geloven uiteenzetten). Hij stelt B. tenslotte twee vragen: Wijst B. het tweede pacificatievoorstel af? Hoe staat KO. tegenover de pacificatievoorstellen? Antwoord B. in zijn Ingezonden: op de eerste vraag: ontwijkendbevestigend; op de tweede vraag: KO. staat er buiten. In zijn reactie hierop laakt H. dat dit voorstel "de kwestie van het fundament onzer kerk in geding brengt en op een allernoodlottigste wijze in reglementair formalisme tegelijk weer uitschakelt ook!"↩

  8. 8

    Zie VW., dl. 1, n. 24, p. 149; zie n. 20.2.↩

  9. 9

    Zie n. 46.4; nr. 19, p. 105.↩

  10. 10

    Voor een beoordeling van de houding der ethischen in dezen vgl. H. Bartels, a. w., p. 69.↩

  11. 11

    Hilbrandt Boschma (1869-1954), oorspronkelijk beroepsmilitair, daarna onderwijzer; leidde als godsdienstonderwijzer de hervormde (richtings)evangelisatie (rechtz.) te Ruurlo van 1905-1938. Overtuigd christen-pacifist en antimilitarist. Schreef o.a. Oorlog en christendom, Utrecht 1914 en Heldengestalten uit Israëls geestelijke worstelstrijd, Lochem 1 933. N. respecteerde Boschma zonder mee te gaan in diens anti-institutionalisme. Voor Boschma's kerkelijk standpunt vgl. A WCC. 8 (1.7.1932) nr. 35: Beurten voor minderheden; vgl. ook KO. 6 (dec. 1937) nr. 8: Eenheid in verscheidenheid.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 22. Kerkherstel en KerkopbouwInhoud24. Wat is een leek? →