22. Kerkherstel en Kerkopbouw1
Op verzoek der redactie van dit blad wil ik iets meedelen omtrent de beide Hollandse verenigingen,2 waarvan de namen hierboven staan aangegeven. Kerkherstel zette ik voorop omdat ik lid ben van Kerkopbouw en omdat het de oudste is van de twee.
Dat er momenteel twee groepen bestaan, die zich beide ten doel stellen te werken voor de versterking van kerkelijk leven niet alleen, maar ook bedoelen de kerk als zodanig naar voren te brengen, is wel een teken des tijds. De tijd ligt nog niet zo heel lang achter ons dat men in brede kring wel belang stelde in in- en uitwendige zending, filantropie, evangelisatie, in het algemeen de uitbreiding van het koninkrijk Gods, maar moeilijk warm te krijgen was voor speciaal-kerkelijke belangen. Hoe de kerk ingericht was, haar ambten werkten, haar diensten geregeld waren, haar vergaderingen geleid werden, dat vonden velen er weinig toe doen, als er maar vrijheid was om het Evangelie te prediken. En voor zover men niet opging in de praktijk, maar ook belang stelde in theoretische vragen, was de aandacht meer theologisch dan kerkelijk gericht.
Dit geldt tenminste voor die kringen waaruit de leden van Kerkopbouw gerecruteerd worden; de meerderheid der ethischen en bijna alle vrijzinnigen. De kerk was voor hen bijna uitsluitend gelegenheid voor prediking, soms ook voor propaganda. Dat de kerk ook op zichzelf als gemeenschap, als mystiek lichaam, als belijdende gemeente en als instituut een bestemming heeft, daarvan was het bewustzijn niet sterk ontwikkeld, wanneer het al niet geheel ontbrak.
Vooral in de eerste tijd na 1886, toen Kuyper de gereformeerden had uitgeleid, was dit zo gesteld. Velen zagen toen de kerkelijke kwestie opgelost in die zin dat enerzijds een belijdende kerk zou bestaan en dat de hervormde kerk haar kenmerk zou vinden in het totaal ontbreken van een belijdenisband. Dat naast een kerk met woord, sacramenten en tucht een andere zou staan met woord, sacramenten en vrijheid.
Zulk een praktisch prijsgeven van de kerk-als-zodanig was echter niet alleen het gevolg van de gebeurtenissen. Het stond voor een nog groter deel in verband met de geestesgesteldheid van de negentiende eeuw. Deze eeuw heeft een sterk ontbindende invloed uitgeoefend. De afbraak van de christelijke stijl, zoals de middeleeuwen die gekend hadden, bereikte toen haar voltooiing. Een sterk materialistische levensbeschouwing dreigde alle geestelijke eenheden op te lossen. Stijlloosheid en tuchteloosheid vierden hoogtij op elk gebied en zo ook in de kerk. De ernstige christen werd bijna noodgedwongen individualist en ieder was genoodzaakt zich op eigen vuist tegen de gemeenschappelijke vijand te verzetten. Voor sommigen - ik denk aan Gunning - is dit het grote kruis van hun leven geweest. Ze hunkerden naar een gemeenschap, een moeder-kerk die hen droeg, maar vonden slechts medechristenen die het even goed bedoelden als zij zelf, zonder dat echter ware solidariteit hen de lasten hielp dragen en gemeenschappelijk belijden verheffing in hun leven bracht.
Daarnaast bestonden wel kringen waarin men de idee der kerk in ere trachtte te houden. De zgn. confessionelen hebben gedurende de vorige eeuw in herinnering helpen houden dat de hervormde kerk een belijdenis heeft en dat ze niet alleen een gelegenheid is om het Evangelie te prediken. Dat de kerk ook een eigen karakter heeft. Ze konden de betekenis, die de gereformeerde kerk in deze landen gehad heeft, niet vergeten en dachten met heimwee terug aan de tijden toen de hervormde kerk een meer mobiel lichaam was en waarin de kerkelijke functies niet zo overwegend als thans op orde gericht waren, maar ook door belijdenis en tucht in de ontwikkeling van het geestelijk leven ingrepen. Ze herinnerden zich wat de gereformeerde kerk onder de Republiek voor ons volk geweest was en wensten vurig een herstel daarvan.
Inderdaad was de kerk in 1816 door Willem 1 vrij sterk aan banden gelegd. De koning had haar een inrichting gegeven met getrapte verkiezingen.3 Uit een oogpunt van bestuur was deze organisatie voortreffelijk in elkaar gezet. Ze heeft er veel toe bijgedragen om ordelijke toestanden in het leven te roepen en te bestendigen. Maar het zelfstandige kerkelijke leven, zoals men dat in deze landen toch gekend had, werd er sterk door gekneld. Aanvankelijk heeft men dit niet zo gevoeld. Men was de koning dankbaar dat hij als landvader na de napoleontische oorlogen de verwarde kerkelijke toestanden financieel en anderszins regelde. De oud-liberale richting die toen de boventoon had stelde ook weinig belang in de kerkelijke traditie. Maar niet zodra was in het Réveil iets van het oud-gereformeerde leven ontwaakt, of men gevoelde zich in oppositie tegenover de geest die leefde in de kerkelijke besturen.
Het is merkwaardig in hoe sterke mate de organisatie van 1816 de denkbeelden over kerk bij de verschillende richtingen beïnvloed heeft. Als instrument om partijen naast elkaar het leven mogelijk te maken is ze bijna volmaakt te noemen. Onverbeterlijk om beslissingen te voorkomen, die de kerk een werkelijke geschiedenis zouden kunnen geven. De partijen gewenden aan het samenleven in één verband. Voor 1816 hadden ze dit ook vaak moeten doen, maar dan was het de overheid die de ontknoping tegenhield. Thans deed de kerk dit zelf en dit wijzigde bij zeer velen geleidelijk het kerkbegrip. Het politieke begrip: gewetensvrijheid werd in de kerk overgebracht. De tegenstelling van regering en vertegenwoordiging burgerde ook in het gemeentelijk leven in. En wanneer men de synode dan toch een vertegenwoordigend lichaam wil noemen, dan zou ze een permanente Eerste Kamer kunnen heten die zonder een Tweede regeert en iedere ingrijpende verandering reeds van te voren afwijst.
In het gareel van deze bestuursinrichting, waarin twee delen van de geest der oude regenten op de kerk gevallen zijn, zijn in de negentiende eeuw de leidende synodale figuren geschoold. Deze half-politieke organisatie gewende de leden der kerk en nog meer de soms levenslang zitting hebbende leden harer besturen er aan om ieder Nederlander die geboren werd als lid van de hervormde kerk te beschouwen als bezitter van een soort burgerrecht in die kerk. De geboorte en niet de wedergeboorte werd langzamerhand criterium voor het lidmaatschap. Vooral de vrijzinnigen waren geneigd het zo op te vatten. De fysieke aanwezigheid in de kerk scheen wel bijna gelijk te staan met het morele recht4 om er te werken en te prediken.
Ieder die enigszins bekend is met de geschiedenis onzer kerk in de negentiende eeuw, denkt hier aan pijnlijke conflicten die hieruit ontstonden. Ik noem de kwestie-Zaalberg5 in Den Haag die aanleiding gaf tot een polemiek tussen Groen van Prinsterer en Gunning.6 Veel later het geval-Bähler.7⌫ Zulke moeilijkheden brachten dan echter geen beslissing. Wel hielden ze het besef levendig dat hier te een of anderer tijd een oplossing gevonden moest worden. Maar de synodale organisatie bleek zo volkomen berekend op behoud van bestaande toestanden en het bewaren van orde, dat een principiële uitspraak steeds onmogelijk bleek. De inrichting der kerk was daarop niet berekend.
II
Tegenover deze organisatie der hervormde kerk en de onder haar regime groeiende mentaliteit van vrijzinnigheid en behoud kunnen we nu vierderlei houding onderscheiden.
Ten eerste heeft Kuyper in 1886 op revolutionaire wijze zich met de zijnen aan de synodale heerschappij onttrokken. Het ideaal van een volkskerk, zoals die onder de Republiek bestond, gaf hij prijs. Radicaler dan men dit ooit had gedaan trok hij zich van de geboorte als kenmerk van kerklidmaatschap op de wedergeboorte terug. Hij aanvaardde de geestelijke tegenstellingen die de negentiende eeuw had gebracht en trok er zijn conclusies uit. De scheiding van kerk en staat vatte hij principiëler op dan de oude gereformeerden dit hadden gedaan en het plaatselijk grondtype van kerkelijke gemeenschapsvorming werd door hem meer eenzijdig naar voren gebracht. Zijn leuze was: de vrije kerken in de vrije staat. En op die wijze kreeg in ons land na 1886 de presbyteriale kerkvorm een kans, die hij vroeger onder overheidstoezicht nooit in die mate gehad had.
Alleen maar, de gereformeerde kerken van 1886 waren toch iets anders. De vrijheid van beweging was niet uitsluitend een gevolg van gewijzigde politieke omstandigheden maar stond ook in verband met het feit dat deze kerken niet meer in de volle zin van het woord volkskerken bedoelden te zijn. Op die wijze kon men een eenvormigheid doorzetten, zoals die in een gereformeerde volkskerk vroeger niet denkbaar was. Het werd een burgerlijke elite-kerk, die met wat er gistte enerzijds onder de intellectuelen en anderzijds in de onkerkse volkskringen minder behoefde te rekenen dan voor een volkskerk nodig is. De vereenvoudiging van de moeilijkheden, die hierdoor verkregen werd, moest worden betaald met het prijsgeven van brede algemeenheid.
De groepen die in 1886 onder de organisatie bleven zagen zich nu voor de taak gesteld om, voor zover ze aan de kerk-als-kerk aandacht wilden schenken, met dit karakter van algemeenheid wél te rekenen. Ze hebben dit dan ook zonder uitzondering gedaan. In onderscheiding van de confessionelen die in Doleantie gingen zien we dan bij de confessionelen die dit niet deden8 juist op dat universele van de kerk gewezen. Zij kwamen te staan onder leiding van dr. Hoedemaker9, die naast Kuyper een professoraat aan de Vrije Universiteit had bekleed. Hij had een andere opvatting van het ideaal ener gereformeerde kerk dan laatstgenoemde. Kuyper had meer de vrije kerkvorm in Engeland en Amerika tot voorbeeld genomen, waarbij het nationale op de achtergrond kwam, terwijl de mogelijkheid van internationale betrekkingen openbleef. Hoedemaker sloot zich dichter aan bij de Nederlandse tradities. Zijn bedoeling was om met: heel de kerk en heel het volk te rekenen. Hij vergeleek de kerk met een man die onder een balk vandaan gehaald moest worden. Die balk was de organisatie van 1816. Maar men mocht daarbij, wilde men zijn leven ontzien, niet gaan amputeren.10
Het is trouwens duidelijk dat wie met Kuyper niet meegingen geroepen waren de kerkelijke vragen in een nieuw licht te stellen. Het ware dwaasheid om, na de oplossing van 1886 afgewezen te hebben, op een herhaling aan te sturen. De confessionelen die Hoedemaker volgden waren gehouden hun beginsel een bredere strekking te geven. Ze moesten bij hun strijd tegen de synodale organisatie er mee rekenen dat deze, met al haar gebreken, toch ook symbool van eenheid en ondeelbaarheid der kerk was. Ze moesten zich er van bewust worden dat deze volkseenheid - volk nu genomen in kerkelijke zin - hun meer waard was dan een meer zuivere kerkorde die delen van dit volk prijsgaf. Ze moesten zich zelf ook duidelijk maken dat ze daarmee tevens gesteld werden voor culturele en sociale vragen die bij de overweging van de kerkelijke kwestie niet maar eenvoudig terzijde konden worden gesteld.
Wanneer men de intellectuelen en de massa wilde vasthouden en niet alleen de burgerlijke middenstand, dan moest men met de moeilijkheden waarmede deze groepen te worstelen hadden rekening houden. Hun kerkbegrip onderging daarvan de invloed.
Dat dit het geval was, werd bij de confessionele actie onder leiding van dr. Hoedemaker wel duidelijk. Het juridisch confessionele argument, waarbij op de kerkelijke belijdenis eenvoudig als op een rechtstitel gepleit werd, hoorde men minder. Het werd wel openbaar dat men met een kerk, die met een doorsnede van het hele volk te rekenen had, niet een eeuw lang kon meeleven, zonder dat alle kwesties langzamerhand onder een ander perspectief kwamen te staan. Het vormelijke van de confessionele redeneringen, hun beroep op het recht dat men ontlenen kon aan historische documenten, die als de belijdenis der kerk bekend stonden, alsook de herinnering aan de oorsprong der hervormde kerk uit de landshistorie, al deze argumenten moesten, toen de negentiende eeuw uitluidde en de twintigste aanbrak, wel veel van hun kracht inboeten.
Tot een krachtige en duidelijke uitwerking van nieuwe gezichtspunten kwam het intussen na 1886 bij deze kerkelijke groep voorlopig niet.11 Sociaal en cultureel viel meestal bij een lid van de gereformeerde kerken ruimer inzicht waar te nemen dan bij de gemiddelde confessioneel in de hervormde kerk. De eerste had dan toch, al was zijn horizon kunstmatig wat enger getrokken dan die van een volkskerk, praktische en wetenschappelijke aanraking met het volksleven, terwijl de laatste aan de verleiding blootstond zich aan kerkelijke abstracties te buiten te gaan, omdat men zeker wist dat ze toch niet behoefden te dienen in de werkelijkheid. Hoedemaker zelf, die veel gedaan heeft om de confessionele mentaliteit te verruimen, maakte soms de indruk van bevreesd te zi n voor de mogelijkheid dat zijn eigen idealen in de actuele sfeer zouden komen.
Dat dit het geval was, bewees tegelijkertijd dat hij de grote moeilijkheden, die zich dan zouden voordoen, beter zag dan vele van zijn aanhangers. Bij hem was ook besef van toekomst. De gemiddelde confessioneel was, zoals ook na 1886 telkens bleek, maar al te geneigd om tot zijn oorspronkelijk type, zoals dat omstreeks 1850 was ontstaan, terug te keren. Men kan dat misschien het beste karakteriseren door de kenmerken van het nationale en het juridisch-historische. De trekken van de vaderlandse kerk stonden daarbij zo sterk op de voorgrond dat men te weinig notitie nam van wat er zich op het wereldtoneel voltrok. Er ontbrak aan deze opvatting het besef van katholiciteit en bewustzijn van het eschatologisch karakter der kerk. En het waren juist deze ideeën die, ofschoon niet volkomen bewust, de breedte van Hoedemakers gedachten uitmaakten. Hij moest in eigen kring goeddeels een onbegrepen denker blijven.
Een derde groep vormden de ethischen. Hun kerkelijke opvattingen stonden echter in het geheel van hun denken weinig op de voorgrond: ze waren daarmee althans lang niet zo gereed als Kuyper en de confessionelen. Chantepie de la Saussaye,12 de theoloog dezer richting, schonk zijn aandacht overwegend aan de dogmatische vragen. Van de praktische kerkelijke politiek heeft hij zich wel niet geheel afzijdig gehouden, maar dit gebied betrad hij toch meer bij gelegenheid. Men merkt niet dat hij een bepaalde roeping gevoelde hier werkzaam te zijn. Wel heeft ook hij zich over de organisatie van 1816 soms zeer scherp uitgelaten. Hij noemde haar leen Nederlandse uitvinding van de negentiende eeuw' en 'de ongerijmdheid zelve zonder weerga in de geschiedenis'.13 Maar de positieve uiteenzettingen over de kerk die De la Saussaye een enkele keer gaf op een vergadering gaven geen aanleiding tot een of andere kerkelijke actie. De la Saussaye was ook Waals predikant en stond daardoor niet in het centrum van het Nederlandse kerkelijke leven.
Anders was het met Gunning. Ofschoon deze minder uitsluitend theoloog was dan zijn oudere vriend, heeft hij toch levenslang de behoefte aan een kerk die hem droeg gevoeld. Hij voelde in dat opzicht even sterk als Kuyper. Ook hij werd bijna buiten de hervormde kerk gedreven door zijn verlangen naar kerkelijke gemeenschap. Maar hij kon Kuyper op zijn weg van afscheiding niet volgen, boe pijnlijk hem de breuk met deze stoere Nederlandse kampvechter ook mocht vallen. Wel heeft ook hij het gereformeerde type van kerkelijk leven lief. Hij prijst het soms op hooggestemde toon. Maar de idee der katholiciteit is veel sterker bij Gunning aanwezig. Hij legt veel nadruk op het apostolisch14 gezag in de kerk en op het universele van haar wezen. Gunning toont verwantschap met bekende figuren uit de anglicaanse kerk als bijvoorbeeld Maurice.15 Bovendien is zijn denken sterk eschatologisch gericht. Hij meent dat men veel sterker in de verwachting van de toekomst des Heren moet leven.
De spanning die hierdoor in Gunnings leven ontstond bracht hem bijna tot een breuk met de hervormde kerk.
Hij zou zich dan echter niet bij de Afscheiding of Doleantie aangesloten hebben, maar bij de zgn. apostolische gemeente, een kring van Engelse oorsprong die op de oudste kerk wilde teruggaan. Deze stap zou een soort kortsluiting in zijn leven betekend hebben en het is gelukkig dat het er niet toe gekomen is. De neiging daartoe toont echter wet een duidelijk onderscheid met Kuypers kerkidealen. Zoals deze een zekere verenging van de gereformeerde kerk tot stand bracht, zo bedoelde Gunning een verruiming. Nu hij in de hervormde kerk bleef, konden de katholieke en de eschatologische gedachte die zijn kerkbegrip kenmerken wel niet dadelijk veel invloed krijgen, maar ze bleven toch doorwerken. Gunning was de profeet van een toekomstig type van gereformeerd kerkelijk leven dat in volle zin met het geheel van het volk en met de toekomst en daardoor met de laatste dingen moest rekening houden, meer dan de formatie van Kuyper.
Er is dus wel verwantschap tussen het confessionalisme na 1886, zoals Hoedemaker dat voorstond, en de denkbeelden van Gunning. De ideeën, die op een niet door ieder begrepen wijze het kerkbegrip van de eerste verbreedden, traden bij de laatste zelfstandig en duidelijk op de voorgrond: katholiciteit en eschatologie. Daartegenover stond dat beide bij Hoedemaker beter op de historische gereformeerde kerk betrokken bleven. Gunning heeft dat op het laatst van zijn leven ook erkend en is bij dit confessionalisme in de leer gegaan.
Hoedemaker en hij hebben elkaar gevonden in een kerkelijke actie voor reorganisatie der kerk, waarin beiden elkaar aanvulden.
Deze beweging heeft de ethische denker in de laatste jaren van zijn leven bijna uitsluitend beziggehouden. Hij klaagde er toen over dat schier geen enkele van de jongere ethischen met hem aan de kerkelijke beginselen van De la Saussaye vasthield.16 In werkelijkheid was echter Gunning op dit punt veel meer zelfstandig dan hij zelf wilde weten. De la Saussaye had meer overeenkomst met Kuyper dan hij en stond dichter bij 'de vrije kerk in de vrije staat'.
Voor Gunnings klachten ten opzichte van zijn mede-ethischen was overigens wel reden. Deze waren moeilijk warm te krijgen voor de specifiek kerkelijke vragen en toonden zich veelal tevreden als ze in de kerk maar gelegenheid hadden het Evangelie te prediken, ook al was de inrichting dan niet volmaakt. De synodale gezindheid, die door het verweer tegen Kuypers beweging in brede kring een geduchte versterking had ondergaan, liet moeilijk een objectieve beoordeling toe van nieuwe pogingen om in de inrichting der kerk ingrijpende veranderingen aan te brengen.
Adressen, daartoe aan het hoogste bestuur der kerk gericht, werden telkens tamelijk uit de hoogte afgewezen.17
III
De vierde houding die tegenover de organisatie van 1816 werd aangenomen viel bij de vrijzinnigen op te merken.
Hier was een merkwaardige tegenstelling te ontdekken tussen radicalisme en kerkelijk conservatisme. Ofschoon de predikanten dezer richting wel oog hadden voor het nut van nieuwe methodes bij godsdienstonderwijs en gemeentelijk werk, toonden ze zich toch bij uitstek ouderwets als de organisatie der kerk in haar geheel ter sprake kwam. Elke ingrijpende wijziging daarin gold hun als onaannemelijk. Voor een deel moet dit verklaard worden uit bestuurlijke vasthoudendheid. De vrijzinnigen hadden lange tijd de meerderheid in de synode. Maar later was het meer om kerkelijk lijfsbehoud dat men zich tegen reorganisatie verzette. Dit werd en wordt dan ook openlijk uitgesproken. De synodale bestuursinrichting met haar getrapte verkiezingen en haar op orde en rust ingestelde reglementenbundel bezit een zo sterk remmend vermogen tegenover de wil van een meerderheid, dat de vrijzinnige minderheid zich onder haar absoluut veilig voelde. Dit gevoel zou ze niet onder iedere organisatie kunnen hebben. Zo ontstond een dubbel begrip van vrijzinnigheid. Een dogmatisch en een kerkelijk. Beide dekten elkaar niet geheel. Vrijzinnig in de laatstbedoelde zin was dan ieder die leervrijheid in de kerk wenste en een organisatie die daarmee in overeenstemming was. De organisatie van 1816 kreeg in verband hiermee een gewijzigde betekenis. Was ze aanvankelijk bedoeld als een instituut tot handhaving van een status quo, met toepassing van ruime verdraagzaamheid, - nu werd ze symbool van een kerk die in labiel evenwicht is, zodat de geringste wijziging tot verstrekkende gevolgen kon leiden. Ze werd een heilig huisje en het heette vrijzinnig daar aan niet te raken.
Hiermee heb ik de voornaamste groepen getekend die we voor de beoordeling van de kerkelijke situatie moesten kennen. Misschien wekt het bevreemding dat ik de gereformeerde kerken daarbij ook besproken heb. Ik deed dat niet alleen hierom, dat ik wilde laten zien hoe deze revolutionaire houding tegenover de organisatie ook meetelt, maar ook omdat de geschiedenis der gereformeerde kerken na 1886 betekenis heeft voor de hervormde kerk. Een talrijke groep gereformeerden in die kerk verlangt de vereniging van alle gereformeerden in den lande. Er zijn politici die wel een middel zouden willen vinden om de hervormde kerk in partijen op te lossen teneinde dit proces te bevorderen. De tegenwoordige organisatie is mede een obstakel op die weg. Maar niet alleen dat deed mij spreken over de gereformeerden. De ontwikkeling van hun kerkenorde en de resultaten daarmee bereikt hebben ook voor het thans levend geslacht enige lessen opgeleverd. Niet allen zijn daarvoor in even grote bewondering. Vooral de bekende synode van Assen, waar ds. Geelkerken veroordeeld werd,18 heeft velen ten opzichte van de voordelen van de presbyteriale kerkvorm sceptisch gestemd. Men heeft zich afgevraagd of men met het overnemen van een zeventiende-eeuws instrument in de twintigste eeuw nog voldoende resultaten zou bereiken. Bij alle eerbied voor de betekenis van Kuypers werk menen velen dit toch te moeten betwijfelen. ⚑Toch kan het kerkelijk vraagstuk niet blijven rusten. Verschillende oorzaken hebben meegewerkt om het urgent te maken. Het kan niet ontkend worden dat de organisatie der Hervormde Kerk niet geschikt is om aan de krachten die er in de kerk leven veel effect te verlenen. En dat is dubbel jammer in een tijd als de onze, met zijn schrijnende geestelijke noden. Ook het feit, dat de kerk zich niet uit kan spreken over de hoofdpunten van haar belijdenis en de grote tijdvragen wordt steeds meer als een onhoudbare toestand gevoeld. En eindelijk blijft het kerkelijk geweten zich verzetten tegen een toestand, waarbij op de kansels ten opzichte van de grote heilswaarheden der gemeente een ja en een neen tegenover elkaar staan. Men kan deze toestanden toch niet zonder meer normaal noemen.
Na 1886 heeft de drang naar een gewijzigde kerkinrichting, die meer met het algemeen karakter der kerk zou rekenen dan de reformatie van Kuyper, ook nooit geheel opgehouden. Ik wees reeds op de volhardende pogingen van een comité omstreeks 1900, waarin Hoedemaker en Gunning de meest vooraanstaande personen waren. Kort daarop ontwierpen Slotemaker de Bruine en Blanson Henkemans een concept-Algemeen Reglement,19 daar zij, zoals in de inleiding verklaard werd, aannamen dat in brede kring eenstemmigheid heerste omtrent de wenselijkheid van een reorganisatie. Ook deze poging leed schipbreuk.
In de volgende jaren bleef de zaak echter aan de orde. Omstreeks 1910 werden enkele pogingen ondernomen om zoal niet een principieel gewijzigde kerkorde dan toch een betere vertegenwoordiging en een grotere synode te verkrijgen. De zgn. grote synode. Ook dit werd verworpen, waarbij als argument dienst deed dat het svnodale gebouw voor 27 leden te klein zou zijn.
Vermoeid door de vele mislukte pogingen begonnen de confessionelen in 1915 een actie om althans de ongebreidelde leervrijheid enigszins te beperken door wijziging van de proponentsformule,20 die de belofte omschrijft welke de kandidaten bij hun laatste examen moeten afleggen. Dit was een teruggaan op de confessionele tactiek van voor 1886.
Intussen zat men ook van gereformeerde zijde niet stil. Men trachtte art. 171 van de rondwet,21 dat de financiële verhouding tussen het rijk en de hervormde kerk regelt, gewijzigd te krijgen. Een oplossing van die kerk in haar richtingen zou daarvan het gevolg kunnen zijn. Voorstander van een wijziging van dit artikel 171 was A. F. de Savornin Lohman.22 Dr. P. J. Kromsigt,23 predikant te Amsterdam, kwam daartegen met kracht op. Binnen de kerk zocht dr. Hugo Visscher24 de oplossing der kerk te bevorderen in de Gereformeerde Bond tot vrijmaking der kerken. Maar nóch de politieke nóch de kerkelijke wig is tot nog toe tussen de voegen der hervormde kerk gedreven. Ze staat nog als een uitwendige eenheid.
Zo staat dan, nu bijna een derde van deze eeuw reeds verstreek, de kwestie der organisatie nog onopgelost. Ze is echter wel in een ander licht komen te staan dan in de negentiende eeuw. Waren er toen theologen die meenden dat het kerkelijk leven bestemd was over te gaan in het morele, thans zal men die overtuiging zelden meer uitgesproken vinden. De staatkundige en morele nood der laatste jaren heeft de aandacht opnieuw op de kerk gericht. Dat is een internationaal verschijnsel. Nog vers in het geheugen liggen de wereldconferenties van Stockholm en Lausanne, de eerste voor besprekingen van meer praktische aard, de tweede voor leerstellige toenadering bedoeld. Grieks-katholieken en protestanten van allerlei formatie uit de hele wereld waren daar vertegenwoordigd. Daarnaast moet gewezen worden op de reeds oudere wereldorganisaties voor de zending en de christen-studentenbeweging en ander internationaal werk.
Door dit alles is reeds een algemeen geestelijke sfeer geschapen die men in brede zin kerkelijk kan noemen. De aansluiting van de historische kerken daaraan is nog niet verkregen. Maar wanneer men het relaas van de vele mislukte pogingen om tot herstel te komen gevolgd heeft, dan dringt zich toch wel de overtuiging op dat de katholieke gedachte ons te hulp zal moeten komen. De kerk zal zich meer haar oecumenisch karakter moeten herinneren.
Ten onzent hadden sinds enkele jaren besprekingen plaats tussen vertegenwoordigers van kerkelijke partijen. Daaruit heeft zich een groep losgemaakt onder leiding van prof. dr. Th. L. Haitjema25 te Groningen. Men ging over tot stichting van het Nederlands hervormd verbond tot Kerkherstel. Naaste aanleiding tot de oprichting was de verwerping van een voorstel tot reorganisatie door de synode in januari 1930. Dit voorstel was neergelegd in een Ontwerp, door een commissie opgesteld in opdracht van de synode. De verwerping had plaats met 10 tegen 9 stemmen, een stemmenverhouding waarin herhaaldelijk op kritieke momenten het labiele evenwicht der organisatie uitdrukking heeft gevonden.
Het bedoelde ontwerp sloot zich aan bij een concept van 1809 dat later moest wijken voor de organisatie van 1816. Dit concept hield meer rekening met het oud-gereformeerde kerkrecht. Verder werd een dankbaar gebruik gemaakt van het werk van Slotemaker de Bruïne en Blanson Henkemans, waarop boven werd gewezen. Het ontwerp wil aan kerkeraad, classes en synodes soevereiniteit in eigen kring laten. De algemene synode zou bestaan uit de afgevaardigden der classes en de provinciale synode een overwegend controlerend karakter krijgen. Een ontwerp voor leergeschillen en leertucht werd toegevoegd.
De verwerping van dit voorstel betekende voor de voorstanders daarvan een ernstige teleurstelling. Nog nimmer was de kans op een ingrijpende wijziging der organisatie zo groot geweest. Ongetwijfeld zou het wel aan de beoordeling der kerk onderworpen zijn, als niet de leertuchtkwestie, waarop door de toevoeging van enkele artikelen nog in het bijzonder de aandacht gevestigd was, de meerderheid had teruggehouden.
Het verbond voor Kerkherstel recruteert zijn leden overwegend uit de kringen der confessionelen en de Gereformeerde Bond, terwijl ook sommige ethischen lid zijn.