27. De kerkorde der toekomst1
Dr. Kuyper sprak eens van ogenblikken waarop het rad des tijds2 een volle tand werd verzet. Als er ooit zo'n époque geweest is, dan is het wel dat waarin wij leven. Dan vraagt men zich verwonderd af of alle woorden bezig zijn een andere betekenis te krijgen. Naast de in de taalkunde bekende klankverschuiving, die zich zo langzaam voltrekt, komt dan een verschuiving van de betekenis der woorden te staan. Die voltrekt zich soms ook wel geleidelijk, maar op dit gebied bestaan toch ook sprongvariaties. Men vraagt zich dan af, alsof men de woorden voor het eerst hoorde: Wat is staat? Wat is kerk? Wat is een leek? Wat is een bisschop?
Ik beloofde in het februarinummer, op die laatste vraag nog te zullen terugkomen.3 Een protestant roept met die naam voor zijn geest een gemijterd wezen op dat de zomen van zijn klederen groot maakt (Mt. 23 : 5). Het is een politiek-kerkelijke figuur met bijna evenveel wereldlijke allure aan zich als gemeentelijke. Het is een man met een breed gebaar dat indruk maakt, niet alleen bij het altaar van zijn eigen kerk maar evengoed in een politieke vergadering of in de nabijheid van de troon. Ik denk aan Ambrosius4 voor de oude kerk en aan Bossuet5 voor een nieuwere tijd. Het zijn mannen die zich bewegen in een middensfeer tussen kerk en staat, daar waar de staat vastheid en veiligheid verschaft aan de kerk en de kerk wijding, aureool verleent aan de overheid. Ze schrijden rustig voort in de banen van de traditie en maken er het beste van wat er van te maken is. ⚑Mannen, die het volk een goed hart toedragen en die met hun armen een goed stuk van de afstand tussen hoog en laag kunnen wegvademen.
Bij de crisis in de democratie, die niet te miskennen valt, merkt men de laatste jaren een streven op om deze figuur in de wereld te herstellen, ook daar waar hij was uitgeschakeld. In onze geschiedenis is hij nooit erg op de voorgrond getreden. Onze nationale geschiedenis is daarvoor, voor de hervorming, te kort geweest. Wel komen er onder de Utrechtse bisschoppen enkele eminente figuren voor, maar die hebben voor ons Nederlandse kerkelijk leven weinig representatieve betekenis. Men kent ze nauwelijks bij name. En zo komt het ook dat het episcopaat onder ons geen traditie heeft en men zich nauwelijks zou kunnen voorstellen dat zijn waardigheid, zoals hier en daar elders, werd hersteld. Dit zou waarschijnlijk alleen denkbaar zijn, als ons volk ook politiek een heel andere richting insloeg en de mentaliteit een grondige wijziging onderging. Een omzetting van ons geestelijk bestaan, die in betekenis nabij zou komen aan de grote veranderingen tijdens de kerkhervorming en de opstand tegen Spanje.
Intussen voelt men ook ten onzent wel behoefte aan dat brede en dragende, dat verbindende en representerende dat in het bisschoppelijke wezen ligt opgesloten. Er zijn zo enkele dingen, die wij in ons kerkelijk leven missen en die in deze tijd uitstekend van pas zouden kunnen komen. Er is in onze kerkelijke sfeer iets scherps en kantigs, waartegen een homeopatische dosis bisschoppelijkheid misschien goede werking kon doen. Er is een gebrek aan aansluiting aan het verleden, een parvenu-achtige voorliefde voor eigen mening, waartegen men iemand liefst een extract van episcopale geest moest toedienen. Een beetje gevoel van saamhorigheid onder de tucht van dingen die altijd goed en altijd waar zijn geweest kon de wereld heel veel goed doen. Het mag waar zijn dat God het rad des tijds een volle tand verzet, maar daarmee is juist gezegd dat wij het niet doen. En de noodzakelijkheid om steun bij elkaar te zoeken, klemt daardoor te meer. Een eschatologische tijd, zoals wij er een beleven, dringt krachtig tot gemeentevorming. En deze laatste brengt weer alle momenten die tot waarachtig kerkelijk leven behoren tot vernieuwde openbaring.
We zien dat in onze tijd gebeuren. Daar is allereerst het oecumenische. We hadden ons er aan gewend, een zekere pluriformiteit als een noodzakelijke eigenschap van christelijk leven en van kerkorde te aanvaarden. Maar nu is juist daartegenover de beweging voor eenheid der kerken ontstaan.
Men heeft zich weer herinnerd, dat die veelvormigheid van het begin zo niet geweest was. En praktisch zijn de resultaten van deze overweging reeds verre van onbelangrijk. Ook de behoefte aan kerkelijke tucht komt naar voren. Men wordt zich bewust, dat de prediking een vorm behoort te hebben en dat de kerk aan de wereld allerminst een voorbeeld van de geestelijke verwildering mag stellen, waaraan deze laatste in zo hoge mate laboreert. In aansluiting daaraan komt nu ook de episcopale idee weer naar voren. Breedheid naar buiten; gezag naar binnen. Op de een of andere wijze zullen deze dingen in de kerk weer meer tot gelding moeten komen. De nood van de tijd zal daartoe zeker meewerken.
Ik heb enige tijd geleden enige artikelen in dit maandblad gegeven over Kerkherstel en Kerkopbouw.6 Nog iets duidelijker dan toen is sedert gebleken dat Kerkopbouw, minder dan Kerkherstel, heil ziet in een ongewijzigde wederinvoering van een Dordtse kerkorde. Wij menen dat reeds dadelijk na 1886, toen Kuyper de Gereformeerde Kerken uitleidde, duidelijk was dat de hervormde kerk nog andere mogelijkheden in haar schoot bergde. Wij menen, dat dit sedert hoe langer hoe duidelijker is geworden en dat de tijden, die we doormaken, bezig zijn dat andere snel tot ons bewustzijn te brengen. Wanneer men ons dan vraagt, waarin dat bestaat en wat we, in onderscheiding van de weg van 1886, willen, dan kunnen we dat misschien niet korter en beter verklaren dan door te zeggen: we wensen een deel bisschoppelijke geest in de kerk wakker te roepen. We wensen niet terug die half politieke instelling, die de middeleeuwen gekend hebben. Die is bezig verder af te sterven, ook waar ze nog bestaat. Maar we hebben wel behoefte aan de geest, die de beste onder haar vertegenwoordigers bezield heeft. Katholieke geesten, met grote ijver voor de zending op de grote wereldakker. Zielen vervuld met grote liefde voor het verlorene. Mensen die veel weten te dragen en die wachten hebben geleerd. Mannen ook die weten wat tucht is en die ook in het geestelijk leven een plaats voor het gezag open laten.
We zijn wel bereid, als goede protestanten, de uitoefening van deze geestelijke functies ook aan leken over te laten. Wij belijden het priesterschap der gelovigen. Maar bij de organisatie van het kerkelijk leven wensen we er rekening mee te houden, dat we in de kerk geen politieke orde hebben in te stellen. Het moet een priesterlijke orde zijn, naar eigen aard ingericht. De volmacht, die Christus schenkt wordt aan de gelovige als zodanig gegeven. Het moet een orde zijn, die niet blindelings de ene mening op de andere loslaat, zoals een politieke democratie ons dat te zien geeft. Er moeten waarborgen geschapen, dat er althans iets van de priesterlijke geest tot uiting kan komen.