21. De vuist der kerk1
Collega Hoek is een ridderlijk man, met wie men gaarne de kerkelijke degen kruist. En aan zijn ridderspel merkt men duidelijk dat we in christelijke tijden leven. Hij gaat niet, als de helden van Homerus, met schelden en vloeken op zijn tegenstander los, maar met een hoffelijke groet, waardoor deze al half ontwapend is. In dit abel spel kan ik niet hopen hem te zullen evenaren. Ik leg het bij voorbaat af. ⚑Er is nog iets waarin ik bij hem achter moet blijven. Mijn opponens verklaart zich getroffen door enkele beelden die ik mij veroorloofd heb van tijd tot tijd naast een redenering te plaatsen. Hij looft en wraakt die beurtelings. Inderdaad is zijn betoog anders verlucht. Hij spreekt gaarne in gelijkenissen en weet die goed te zeggen. Ik tel er in deze artikelen tenminste drie. De gelijkenis van de schotel met groen moes, die van de drie dwaze maagden en die van de lichtvaardige jongeling. Door deze evangelische leerwijze wordt mijn manier tot beeldendienst gedeclasseerd en ik aanvaard de sommatie om 'vrijuit' te spreken.
Dit valt mij te gemakkelijker omdat ds. Hoek in zijn stukken inderdaad het hart - bij excusere dit beeld waarvoor de taal schuldig staat en niet ik van de zaak heeft aangeraakt. In een van de korte perikopen in zijn artikelen waar hij niet in gelijkenissen spreekt lees ik: "De kerk moet kerk willen zijn. Dat is het éne. En de kerk moet haar eigen werkelijkheid open aanvaarden. Dat is het tweede." Een beter program zou ik niet weten op te stellen. Zelf heb ik dat elders2 zo geformuleerd dat de kerk, met behoud van duidelijkheid, voor de velen en de zwakken is ingesteld. En hierbij is het mijn collega bittere ernst. Men merkt dat als hij de kerk met de vuist op tafel laat slaan3 - een beeld waarvoor niet de taal maar ds. Hoek schuldig staat. Ook omtrent die ernst van het ogenblik bestaat tussen ons geen verschil.
En toch vrees ik dat wij met deze dingen verschillende kanten4 uitgaan. Ik ben bang dat, wanneer men op die wijze van ds. Hoek de kerk haar eigen werkelijkheid laat afhameren, er met iedere vuistslag op de tafel een stuk van ons geloof en onze moraal de deur uitgaat, zodat ze weldra uitverkocht is. Ik kan niet inzien dat God in zijn brede en lankmoedige voorzienigheid ons dat voordoet of zijn geduld kwijtraakt omdat de mensen toch niet willen zoals Hij wil en dat ze't nu zelf maar moeten weten. Zo heeft Elia5 de 'eigen werkelijkheid' der kerk in Israël niet opgevat en de dogmatische verschillen niet gereglementeerd. Hij heeft op een beslissing aangedrongen en het hinken op twee gedachten veroordeeld. Jezus was van een andere geest dan Elia, maar in dit opzicht overtreft hij hem als hij niet met zevenduizend maar met twaalf mannen de Joodse kerk in stand houdt (Lk. 9 : 55; 2 Kon. 1 : 10; 1 Kon. 19 : 18). Hij heeft er niet aan gedacht de kerk geestelijk failliet te verklaren en een leerstellige uitdeling te organiseren, waarbij Farizeeën en Sadduceeën elk het hun toekomende deel zouden ontvangen. Beter een Evangelie zonder mensen dan mensen zonder het Evangelie. Mensen worden er dagelijks geboren, maar het Evangelie is slechts eenmaal gepredikt. Wanneer ooit in de geschiedenis een vuistslag heeft weerklonken van profeten, apostelen of reformatoren, dan is het altijd geweest voor de duidelijkheid van het Evangelie en nooit voor de dogmatische verscheidenheid. De kerk heeft nooit uitverkoop gehouden, maar heeft steeds de roeping gevoeld de haar toevertrouwde schat, de parel van grote waarde, te bewaren (Mt. 13 : 45 v.). De kerkvaders hebben dit als het typische onderscheid tussen christendom en heidendom gevoeld dat de kerk volle ernst maakt met de waarheid. Dat maakt het verschil uit tussen geloof en religiositeit.
Maar de andere kant dan? Moet de kerk dan geen rekening houden met de verscheidenheid, cultureel en dogmatisch, die ook tot haar eigen werkelijkheid behoort? Heeft ze niet, ook in deze zin, met de velen te rekenen? Ze moet dat zeker, maar dat is de andere zijde van haar wezen. Dat is haar geduldigheid. Ik sla die nauwelijks minder hoog aan dan de eerste. De pastorale schroom der kerk verleent haar een ander heiligheidsaspect dan haar heldhaftige belijdenis. Ook in dit opzicht voert ze een hoge titel. Haar moederlijke toegeeflijkheid schijnt hier te wedijveren met de vaderlijke lankmoedigheid Gods. Maar daarbij geraakt ze juist niet in opwinding. Ze draagt en duldt. Ze kan onmogelijk in vuur komen voor haar eigen pluriformiteit. De kerk, van deze zijde gezien als de eeuwenlang dragende schoot der volkeren, slaat nooit met de vuist op de tafel. Wie heeft dat ooit zijn moeder zien doen? Ze heeft wat beters te doen dan de burgerlijke deugden van waarachtigheid en eerlijkheid ten toon te spreiden. Ze oefent zich in de hoop en de liefde. Wanneer zij haar geduld verloor bij het gekibbel om de waarheid en in arren moede uitriep dat voortaan ieder van haar het evangelie kan krijgen dat bij verkiest, dan - hadden we geen kerk meer.
De Nederlandse Hervormde Kerk is een gereformeerde kerk. En zulke kerken hebben een sterk algemeen karakter. Het zijn katholieke kerken zonder paus. Meer dan bij de luthersen komt de pastorale zijde er naar voren die ik zo juist heb beschreven. Maar ze zoeken nog naar de nadere bepaling van eigen vorm en wezen. Daarbij komen sommige karaktertrekken in het zicht die de anglicaanse kerk duidelijker heeft bewaard. Men leze daarover het mooie artikel van W. H. van de Pol6 in de Stemmen van juni. Een van die trekken is het vasthouden van het katholieke geloof in zijn geheel, zonder iets daarvan te willen verliezen. Daarmee is niet bedoeld een staalkaart van ketterijen, maar een historische, christelijke inventaris.
Onze kerk heeft meer dan honderd jaar lang een sterk afwachtende houding aangenomen. Ze deed dat half onbewust, half gedwongen. Haar ambten functioneerden, maar als kerk kwam ze niet naar voren. Het is niet onmogelijk, daarin iets providentieels te zien. Ze kreeg, ook tegen wil en dank, een lange en strenge scholing in ordelijk samenleven en pastorale gereserveerdheid. In een eeuw waarin de kerk weinig op de voorgrond kwam en het Evangelie voor velen zijn belichaming scheen te zullen vinden in gezin, partij of staat, heeft onze kerk als kerk een honderd-jarige vakantie genomen. Dit was enerzijds een geduldsproef zonder weerga. Mannen als Kuyper en Gunning, met stoer gereformeerd kerkbesef, hebben het niet of nauwelijks uitgehouden. Voor een gereformeerde kerk kan zulk een periode echter heilzaam zijn. Het kan haar leren, mannelijke daadkracht te paren met de bredere katholieke eigenschappen ener vrouwelijke lijdzaamheid. Een gereformeerde kerk loopt gevaar partij te worden en haar oorspronkelijk algemeen karakter te verliezen. De haast van Kuyper tegenover de hoop van Gunning demonstreert ons dat op treffende wijze. Het is in deze periode dat de Hervormde Kerk toch wel enkele dingen geleerd heeft, die haar geschikt maken waarlijk kerk te zijn en haar een zekere verwantschap met de Engelse kerk hebben bijgebracht die in de toekomst nog goede vruchten kan dragen.
Maar deze rustpoos blijft toch voor een gereformeerde kerk van een onwaarschijnlijke abnormaliteit. Ook De la Saussaye noemde haar 'de ongerijmdheid zelve zonder weerga in de geschiedenis'.7 De synode heeft tijdens die grote kerkvakantie die toestand telkens verdedigd met de opmerking dat 'de tijd nog niet rijp' was voor de terugkeer tot de 'eigen werkelijkheid' der kerk. Ik vermag daarin wel enige wijsheid van een seniorenconvent en eerbied voor Gods voorziening bestel te erkennen. Maar op straffe van godslastering kan men zoiets toch niet tot de jongste dag herhalen. Wanneer het de bedoeling is een gereformeerde kerk daarmee op pensioen te stellen, dan kom ik daartegen in verzet. Nog erger wordt het als men de kerk zelf laat weigeren om uit haar geestelijke lethargie te ontwaken en met de beslistheid van een werkloze die uit 'steun' trekt laat verklaren dat haar vakantie permanent zal zijn. Een gereformeerde kerk, die verzekert dat ze voortaan de dogmatiek cadeau doet of, met De Genestet, present geeft en waarvan het onbekend zal blijven wat ze meer te geven heeft.8
En dat in deze tijd, waarin gezin, partij en staat ongehoorde crisissen doormaken, terwijl voor de kerk nieuwe geestelijke ritselingen hoorbaar schijnen te worden. Waarin men voor alles op concentratie en op beslissingen moet zijn ingesteld. Moet nu op het allerlaatste ogenblik, waar men steeds de belijdenis, de gemeente, de ambten intact heeft gelaten omdat men door de organisatie de gereformeerde kerk niet wilde deren, de kerk in suïcide sterven? Moet dat het resultaat zijn van de honderdjarige geduldsproef?
Ds. Hoek zegt dat het moet om de waarachtigheid en de eerlijkheid. Dat zijn kostelijke ciceroniaanse9 deugden. Ds. Hoek zegt dat de eerlijkheid bijzonder eigen is aan de ethischen. Ds. Van Santen meent10 aan de vrijzinnigen. Gunning vond dat laatste ook. Ik houd van de vrijzinnigen om hun eerlijkheid en ook wel van de ethischen. Maar op deze burgerlijke deugd kan men geen kerk bouwen. Men kan er haar wel mee afbreken. Luther en Bogerman11 hebben ook wel met de vuist op tafel geslagen, maar dan voor de duidelijkheid der kerk. Voor de afbraak van de dogmatiek en de moraal hoort men zulke rinkelende slagen niet in de kerk. Ze worden gehoord aan sommige stamtafels, als men aan ieder die het horen wil verklaart, dat het nu maar eens uit moet zijn met de femelarij en de veinzerij.