O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← 19. LeertuchtInhoud21. De vuist der kerk →

Verzamelde Werken, deel 5 · p. 114–115

20. Op een dood spoor1

De lezer van dit blad kan weten dat in de synode van 1931 een voorstel betreffende de minderheden voorlopig is aangenomen, waarop dan de a.s. classicale vergaderingen zullen hebben te adviseren. De bijzonderheden en een uitvoerige verdediging gaf prof. Brouwer in het nummer van 15 april jl.2 Ik kan mij voorstellen dat sommige leden van de commissie, die deze invoeging in het Reglement op de kerkeraden ontwierp, zich moeilijk aan hun opdracht konden onttrekken, toen inmiddels de oprichting van Kerkopbouw de situatie sterk had gewijzigd. Ze zaten eenmaal in de trein en slechts een energieke ruk aan de noodrem had die tot stilstand kunnen brengen. Daardoor is dan echter een toestand geschapen die mij buitengewoon gevaarlijk schijnt en die ik hier gaarne onder ogen wilde zien.3

Het 'nieuwe' in de 'toestanden', die 'staan geboren te worden' en waarnaar de bovengenoemde commissie verwijst bestaat niet het minst hierin, dat de kerk als zodanig weer meer naar voren zal komen.4 Wij maken ons op om onze eigen vinding wat minder belangrijk te achten en aan het gezag van het grote geheel, waartoe wij behoren en dat wij met een mystieke term het lichaam van Christus noemen een grotere plaats in te ruimen. Veel sterker dan vroeger zullen wij daardoor op elkander worden aangewezen. We willen er niet voetstoots van uitgaan dat ieder particulier inzicht het recht heeft geacht te worden te behoren tot de 'veelvuldige rijkdom van Christus'.5 We wensen althans zulk een toestand der kerk, waarbij een krachtige drang tot éénheid op de leden wordt uitgeoefend. Dit geldt van 'de éne heilige katholieke christelijke kerk', waarvan we uitspreken dat 'de gebrokenheid harer verschijning in strijd is met haar wezen en een verhindering voor de vervulling harer roeping'. Maar ook van de bijzondere kerken, waarvan wij erkennen 'dat een kerk zonder belijdenis geen kerk zou zijn'. Deze samenstemming kunnen wij, daarvan zijn we ons van meet af bewust, niet forceren. 'Prediking, persoonlijk getuigenis, evangelisatie en gebed' zijn de voornaamste middelen in deze geestelijke strijd. Maar toch wordt'de dringende noodzakelijkheid van de eenheid binnen de kerk' erkend. Met deze en dergelijke woorden is bij de oprichting van Kerkopbouw gewezen op de spanning die er in een kerk moet bestaan.6

Werd het voorstel betreffende de minderheden aangenomen, dan zouden we juist in de omgekeerde richting gaan. De spanning die er nu eenmaal opgesloten ligt in het feit dat een gemeente een soort onsplitsbaar atoom is in de kerk met de kerkeraad als kern, zou er door verloren gaan. Op elk gebied hebben we nodig dat menselijk verschil van inzicht ergens aan de natuur der dingen een grens vindt. Anders tast men het wezen aan. ⚑Een kerk, die tot in haar laatste samenstellende delen door de splijtzwam werd aangetast, zou de weg naar de ware gemeenschap niet meer terug kunnen vinden. Men zou 'de dringende noodzakelijkheid van de eenheid binnen de kerk' hoe langer hoe minder gevoelen en zich gaan gedragen als een administratief genootschap van richtingen.

Dat de verschillen nu ook bestaan en tot allerlei moeilijkheden, onbillijkheden en verdriet aanleiding geven, weet ik wel. Maar de praktijk van het leven verzacht die soms wel wat en voor zover ze niet weg te nemen zijn getuigen ze van de plicht der eenheid. Honderdmaal beter is de hitte van de partijstrijd dan het koude cynisme ener kerk, die niet slechts zou berusten in wat ze niet gebeteren kan, maar zelfs voorschrijven dat in iedere gemeente de mogelijkheid moet bestaan voor een meervoud van opvattingen der Evangelieprediking. Een Evangelie met een exponent, die hoger wordt naarmate de gemeente groeit.

In een gezin waar man en vrouw niet te best overweg kunnen kan het nog dragelijk wezen. Maar waar ze de trouwring van de vinger getrokken hebben en dus 'een vreedzaam samenleven'(toelichting op de invoeging in art. 14) leiden omdat financiële en andere redenen dat wenselijk maken,7 daar is geen gezin meer maar een gaarkeuken. De Hervormde Kerk zou het ook zijn als dit voorstel werd aangenomen.

Ik kom terug op het gevaar van de toestand. Ik zie twee treinen rijden op één spoor uit verschillende richting. De ene gaat in de richting van een belijdende kerk, de andere in die van een kerk zonder belijdenis. Is er geen mogelijkheid, de laatste op een dood spoor te laten lopen teneinde een botsing te voorkomen?

Eindnoten

  1. 1

    AWCC. 8 (3.6.1932) nr. 31: een ingezonden artikel. Het werd uitdrukkelijk buiten verantwoordelijkheid van de redactie aldaar geplaatst. Het is een specimen van N.' strijdvaardigheid: kiezen van het juiste moment (zie n. 14.1), te weten vlak vóór de classicale vergaderingen, het element van verrassing en de katalyserende werking die ervan uitging. Als (kritische) reactie op de pacificatie-voorstellen (zie n. 19. l; 23.1) wekte het geestdrift bij KHe., dat - voor het eerst - het gevoel kreeg van een gemeenschappelijke strijd. Geen wonder dat zowel NKL. 2 ( juni 1932) nr. 10 als De Gereformeerde Kerk, 44 (23.6.1932) nr. 2281 het direct overnamen. Het artikel corrigeerde een aantal medestanders binnen KO., die geneigd waren alle tucht te weren (fervente tegenstand vooral van H. Th. Obbink en A. M. Brouwer). De kritiek op m.n. laatstgenoemde is subtiel maar onmiskenbaar verwoord ('sommige leden').↩

  2. 2

    A. M. Brouwer (1875-1948), hervormd predikant o.a. te Meppel; rector Zendingsschool Oegstgeest (1910); hoogleraar NHK. 1921-1935 te Utrecht; hoogleraar N.T. aldaar 1935-1946.Schreef o.m. Daniel Chantepie de la Saussaye, diss. Utrecht, Groningen 1905. Oorspronkelijk nauw verbonden met N. in KO., maar steeds meer van hem verwijderd door de tuchtopvatting. In 1938 de totale breuk. Zie nr. 64. B. was een der opstellers der voorstellen. Hij schreef in AWCC. 8 (15.4.1932) nr. 24 een artikel Synodaal voorstel betreffende de minderheden. Hij neemt het op voor verdraagzaamheid tegenover hen die toch leden der kerk zijn. Voor Haitjema's reactie zie n. 19. 1. Voor de discussie Brouwer-Haitjema vgl. H. Bartels, a. w., p. 61-63.↩

  3. 3

    De discussie, waarin N. ingreep, verliep aldus: 1. A. M. Brouwer verdedigde de pacificatie-voorstellen in A WCC. 8 (15.4.1932) nr. 18; 2. N. schreef in A WCC. 8 (3.6.1932) nr. 31 Op een dood spoor,- 3. W. A. Hoek in A WCC. 8 (17.6.1932) nr. 33 Kerkelijke kroniek over gaarkeukens, trouwringen en spoorwegen of het synodale voorstel betreffende de minderheden; bestrijdt N.; 4. F. E. van Santen (van Sliedrecht) schrijft in AWCC. 8 (24.6.1932) nr. 34 een reactie op de discussie Noordmans-Hoek. Hij valt N. bij; 5. W. A. Hoek in A WCC. 8 (24.6.1932) nr. 34 Kerkelijke kroniek over gaarkeukens, trouwringen en spoorwegen of het synodale voorstel betreffende de minderheden'; 6. Hilbrandt Boschma in A WCC. 8 (1.7.1932) nr. 35: schoon voorstander van de rechten der minderheden, is hij tegen deze voorstellen (Ingezonden); 7. N. inA WCC. 8 (8.7.1932) nr. 36: De vuist der kerk (nr. 2 1 ).↩

  4. 4

    Het bij de synode van 1931 door de cie. van onderzoek (nov. 1930 ingesteld) ingediende rapport tekende bij Voorstel 1 (zie n. 23. 1) aan, dat ze zo weinig gevraagd had "omdat uw cie. verder van oordeel is, dat er nieuwe toestanden staan geboren te worden, gelet op de bewegingen in de kerk, welke duidelijk daarop wijzen". "Uw cie. acht de tijd nog niet rijp een geheel nieuw reorganisatievoorstel uit te werken, overtuigd als zij is, dat God bezig is voor het kerkelijk leven nieuwe banen te wijzen, gezien het feit dat de verschillende richtingennaarelkaartoegrocien."Vgl.Hand. Syn. 1931,p.221;H.Bartels,a.w.,p.57.↩

  5. 5

    Veelkleurige wijsheid Gods: Ef. 3 : 10; velerlei genade Gods: 1 Petr. 4 : 10; 'veelkleurigheid' der in het geloof erkende waarheid Gods, vgl. Haitjema, in GK. 5.5.1932; zie n. 19.5; 23.5.↩

  6. 6

    De hier genoemde citaten zijn uit het Beginsel-(werk-)program van KO. (gecit. in volgorde van voorkomen; zie ook n. 15.3): (a. I.) Opbouw der kerk. Het geloof van de ene heilige katholieke christelijke kerk noopt meer en meer tot de erkenning, dat de gebrokenheid harer verschijning in strijd is met haar wezen en een verhindering voor de vervulling harer roeping (Joh. 1 7 : 21 vv.); (a.3.) ... van harte erkennen, dat een kerk zonder belijdenis geen kerk zou zijn; (a.2.) De goddelijke waarheid is nimmer in menselijke begrippen te omvatten. Maar geestelijke strijd in nobele zin door studie, prediking, persoonlijk getuigenis, evangelisatie en gebed ... is noodzakelijk voor aanvulling ... correctie ... en opbouw van de Hervormde Kerk, welke deel is van het Lichaam van Christus. Hier ligt de dringende noodzakelijkheid van de eenheid binnen de kerk.↩

  7. 7

    Vgl. Hand. Syn. 193 1, p. 22 l; vgl. H. Bartels, a. w., p. 56-69; zie ook n. 19. 1.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 19. LeertuchtInhoud21. De vuist der kerk →