20. Op een dood spoor1
De lezer van dit blad kan weten dat in de synode van 1931 een voorstel betreffende de minderheden voorlopig is aangenomen, waarop dan de a.s. classicale vergaderingen zullen hebben te adviseren. De bijzonderheden en een uitvoerige verdediging gaf prof. Brouwer in het nummer van 15 april jl.2 Ik kan mij voorstellen dat sommige leden van de commissie, die deze invoeging in het Reglement op de kerkeraden ontwierp, zich moeilijk aan hun opdracht konden onttrekken, toen inmiddels de oprichting van Kerkopbouw de situatie sterk had gewijzigd. Ze zaten eenmaal in de trein en slechts een energieke ruk aan de noodrem had die tot stilstand kunnen brengen. Daardoor is dan echter een toestand geschapen die mij buitengewoon gevaarlijk schijnt en die ik hier gaarne onder ogen wilde zien.3
Het 'nieuwe' in de 'toestanden', die 'staan geboren te worden' en waarnaar de bovengenoemde commissie verwijst bestaat niet het minst hierin, dat de kerk als zodanig weer meer naar voren zal komen.4 Wij maken ons op om onze eigen vinding wat minder belangrijk te achten en aan het gezag van het grote geheel, waartoe wij behoren en dat wij met een mystieke term het lichaam van Christus noemen een grotere plaats in te ruimen. Veel sterker dan vroeger zullen wij daardoor op elkander worden aangewezen. We willen er niet voetstoots van uitgaan dat ieder particulier inzicht het recht heeft geacht te worden te behoren tot de 'veelvuldige rijkdom van Christus'.5 We wensen althans zulk een toestand der kerk, waarbij een krachtige drang tot éénheid op de leden wordt uitgeoefend. Dit geldt van 'de éne heilige katholieke christelijke kerk', waarvan we uitspreken dat 'de gebrokenheid harer verschijning in strijd is met haar wezen en een verhindering voor de vervulling harer roeping'. Maar ook van de bijzondere kerken, waarvan wij erkennen 'dat een kerk zonder belijdenis geen kerk zou zijn'. Deze samenstemming kunnen wij, daarvan zijn we ons van meet af bewust, niet forceren. 'Prediking, persoonlijk getuigenis, evangelisatie en gebed' zijn de voornaamste middelen in deze geestelijke strijd. Maar toch wordt'de dringende noodzakelijkheid van de eenheid binnen de kerk' erkend. Met deze en dergelijke woorden is bij de oprichting van Kerkopbouw gewezen op de spanning die er in een kerk moet bestaan.6
Werd het voorstel betreffende de minderheden aangenomen, dan zouden we juist in de omgekeerde richting gaan. De spanning die er nu eenmaal opgesloten ligt in het feit dat een gemeente een soort onsplitsbaar atoom is in de kerk met de kerkeraad als kern, zou er door verloren gaan. Op elk gebied hebben we nodig dat menselijk verschil van inzicht ergens aan de natuur der dingen een grens vindt. Anders tast men het wezen aan. ⚑Een kerk, die tot in haar laatste samenstellende delen door de splijtzwam werd aangetast, zou de weg naar de ware gemeenschap niet meer terug kunnen vinden. Men zou 'de dringende noodzakelijkheid van de eenheid binnen de kerk' hoe langer hoe minder gevoelen en zich gaan gedragen als een administratief genootschap van richtingen.
Dat de verschillen nu ook bestaan en tot allerlei moeilijkheden, onbillijkheden en verdriet aanleiding geven, weet ik wel. Maar de praktijk van het leven verzacht die soms wel wat en voor zover ze niet weg te nemen zijn getuigen ze van de plicht der eenheid. Honderdmaal beter is de hitte van de partijstrijd dan het koude cynisme ener kerk, die niet slechts zou berusten in wat ze niet gebeteren kan, maar zelfs voorschrijven dat in iedere gemeente de mogelijkheid moet bestaan voor een meervoud van opvattingen der Evangelieprediking. Een Evangelie met een exponent, die hoger wordt naarmate de gemeente groeit.
In een gezin waar man en vrouw niet te best overweg kunnen kan het nog dragelijk wezen. Maar waar ze de trouwring van de vinger getrokken hebben en dus 'een vreedzaam samenleven'(toelichting op de invoeging in art. 14) leiden omdat financiële en andere redenen dat wenselijk maken,7 daar is geen gezin meer maar een gaarkeuken. De Hervormde Kerk zou het ook zijn als dit voorstel werd aangenomen.
Ik kom terug op het gevaar van de toestand. Ik zie twee treinen rijden op één spoor uit verschillende richting. De ene gaat in de richting van een belijdende kerk, de andere in die van een kerk zonder belijdenis. Is er geen mogelijkheid, de laatste op een dood spoor te laten lopen teneinde een botsing te voorkomen?