19. Leertucht1
Bij de bespreking van het netelige vraagstuk: de leertucht, zou ik voorop willen stellen dat onzerzijds niet naar een compromis maar naar een principiële oplossing moet worden gestreefd. We hebben daarin Snethlage2 tot voorbeeld te nemen, die naar de notae specificae van het begrip kerk vraagt en daaronder ook de tucht aantreft. Of liever nog Gunning,3 die ons waarschuwt dat we onszelf niet mogen verlagen door de kwestie op een lager plan te brengen dan waar ze thuishoort.
Dit geldt voor buiten en binnen beide. Kerkopbouw heeft tegenover Herstel een eigen lijn uit te stippelen en hoewel ik er niet tegen ben om in alle aardse dingen en dus ook in kerkelijke zaken op Engelse manier4 niet alleen met de wenselijkheid maar ook met de mogelijkheid te rekenen en dus zekere opportuniteitsredenen te laten gelden, moeten we toch goed de grens in 't oog houden waarbuiten dat niet meer mag. We wensen geen herhaling te zien te geven van 1886. Uit het feit dat we hervormd zijn moeten we de principiële consequentie zoeken te trekken, zonder daarbij echter afstand te doen van een der waarachtige kenmerken ener echte kerk. Ook naar binnen moet het geen compromis worden in striktere zin dan de voor elk verstandig mens bestaande noodzakelijkheid om wat te geven en te nemen. We hebben er voor te waken dat we onze gevolgtrekkingen niet afleiden uit de samenstelling van het ledental van Kerkopbouw, zoals dat door een samenloop van omstandigheden geworden is. We hebben geen wortel te trekken uit het produkt dat een vermenigvuldiging van onze respectievelijke meningen oplevert. Dat is trouwens altijd monnikenwerk, omdat ieder dan zijn eigen fiches uit de pot terugkrijgt. Het is geen ganzenspel of klok-en-hamer. Er bestaan normen voor kerkelijk leven waaraan we gebonden zijn. We hebben elkaar in deze vereniging gevonden omdat we duidelijker dan jaren geleden iets daarvan meenden te zien en we wilden elkaar helpen, ons elkaar dat tot bewustzijn te brengen. Mocht het blijken dat we geen gemeenschappelijke richtlijn kunnen duidelijk maken, dan is er een crisis,5 waarin op de een of andere wijze een oplossing zou moeten worden gezocht.
Uit de aard der zaak doe ik dan ook nu geen poging om mijn mening aan anderen op te leggen,6 maar wil slechts iets bijdragen tot klaring van het gezicht op wat het wezen uitmaakt van ons kerkelijk leven.
Het eerste wat ik naar voren wil brengen is de gedachte dat het niet mogelijk is, uit een geloofsartikel omtrent de kerk de juiste lijnen voor organisatie en tucht te trekken. De uitspraken over kerk, zoals we ze in onze credo's zetten, hebben daarvoor een te absoluut karakter. Daarom vind ik het niet juist wanneer prof. Haitjema7 antwoord 54 van de Heidelbergse catechismus als uitgangspunt neemt. Wel is het waar, wanneer hij hiertegen in een debat te Zutfen8 opmerkte dat de zichtbare kerk met allerlei stukken van het Credo te doen krijgt, zoals bijv. bij doop en avondmaal, maar een organisatie kan men er niet uit afleiden en evenmin een regeling voor tucht. Wanneer Haitjema hierbij wijst9 op het feit dat Calvijn aliquatenus10 tot op zekere hoogte het artikel van het symbool ook op de zichtbare kerk laat betrekking hebben, dan trekt hij daaruit een conclusie die Calvijn er juist mee wil afsnijden. Calvijn heeft hier het oog op de Wederdopers, die uit het wezen der onzichtbare kerk regelrecht een aardse inrichting en tucht willen afleiden, zodat het Godsrijk op aarde ontstaat. Calvijn komt daartegen op met zijn aliquatenus. Wel volgt uit het geloofsartikel dat ieder zich bij de kerk moet voegen, dat hij haar gezag moet erkennen en zich als een schaap ener kudde moet gedragen, maar de verscheidenheid der gaven en de politieke orde worden daardoor niet opgeheven. En dan brengt hij deze dingen weer meer op geloofsgebied terug. Na een korte lofzang op de onzichtbare kerk als de ware moeder zal hij zich met de zichtbare gaan bezighouden.
Deze bevat de massa, de menigte der mensen die God in Christus belijden, de christenmensen dus. Door de doop wordt men ingelijfd; het avondmaal manifesteert de eenheid; de overeenstemming ligt in Gods Woord; voor haar prediking heeft zij de instelling van het ministerie. Velen zijn er in die niets van Christus hebben dan de titel en de schijn. Zeer vele schapen zijn er buiten, zeer veel wolven binnen. Maar opdat we toch er wat van zouden weten waar men zo ongeveer zijn kinderen moet zoeken, heeft God zich voor de zichtbare kerk aan onze bevatting aangepast. Omdat geloofszekerheid hier niet mogelijk was, heeft Hij er een soort oordeel der liefde voor in de plaats gesteld. Daarbij hebben we dan te oordelen naar geloofsbelijdenis, levensgedrag en deelname aan de sacramenten.
De georganiseerde kerk houdt dus slechts aliquatenus verband met de onzichtbare. Haar oordeel krijgt tegenover de laatste, waarvan de kennis bij God blijft, een conjecturaal karakter. Mits zo dat deze veronderstellingen ten opzichte van onze medeleden door de liefde hun eigenlijke kerkelijke betekenis krijgen. Op die wijze alleen is het mogelijk, hier op aarde iets van de gemeenschap der heiligen te verwezenlijken. Als we een kerk willen maken met een absoluut karakter, dan blijft er geen kerk over. Daarbij komt dat de vergeving der zonden de sleutel der kerk is. Zonder die vergeving zouden we geen dag in de kerk kunnen blijven. En we krijgen die vergeving ook zelf slechts in de gemeenschap der kerk. Een zeker publiek karakter der kerk moet bewaard blijven. Men moet particulieren tijdelijk kunnen dulden in de kerk, die er niet in behoren. En wat het volk betreft, als het Evangelie gepredikt wordt en de sacramenten bediend, dan is er altijd vrucht.
Het gereformeerde kerkbegrip heeft dus twee kanten. Allereerst is het een accommodatie Gods aan onze zwakheid om ons een menselijke mogelijkheid te scheppen, iets van de onzichtbare kerk te verwezenlijken. En in de tweede plaats krijgt de zo door God ingestelde kerk een eigen betekenis als middel om ons tot het geloof te brengen. Maar omdat de georganiseerde kerk slechts een aardse wegwijzer is naar de verborgen gemeenschap der heiligen en ze als zodanig reeds vele conjecturale momenten in haar begrip opneemt, omdat ze voor de absolute geloofszekerheid reeds een oordeel der liefde toepast, mag men dat wat in haar vast is niet nog eens weer losmaken. Als verwijzing naar de onzichtbare kerk moet ze duidelijk zijn. Ze is geen plaats voor zoeken en twijfelen. Op de kenmerken der kerk hebben de gereformeerden altijd vast gestaan. Geloofsbelijdenis, prediking des Woords, sacramenten, dat zijn voor Calvijn de gelaatstrekken der kerk.
De tucht als zodanig is niet zo fundamenteel als Woord en sacramenten. Ze is weer een middel om dit middel in stand te houden. Ze heeft echter ook een naar de wereld toegekeerde zijde. De gereformeerde kerk heeft twee aangezichten. Een naar de onzichtbare kerk en het andere naar de wereld. De tucht is voor haar niet alleen een middel om de prediking en de sacramenten zuiver te houden, maar ook om de wereld te reformeren. Meer dan de lutherse kerk sluit ze hier aan bij de oorsprongen der latijnse kerk sedert Augustinus.11
Het komt er op aan om uit dit kerkelijk a priori, deze voor ons gemeenschappelijk aanwezige onderstellingen, de lijnen te trekken voor organisatie en tucht. Ik wil daartoe een paar van die lijnen in het a priori nog wat dikker trekken, opdat ze goed in 't oog vallen.
Ten eerste hebben we te aanvaarden dat de volmaaktheid der zichtbare kerk niet bestaat in een zich afzonderende heiligheid, maar in een zo groot mogelijk contact met de wereld, met behoud echter van haar eigen duidelijkheid als handwijzer naar de onzichtbare kerk. Niet de martelaar in zijn cel maar de bisschop in zijn diocese is de gewone figuur, waarmee de kerk kan worden afgebeeld. Deze maatstaf is al heel spoedig aanvaard. De kerk heeft niet alleen en allereerst te doen met de sterken, maar ook en allereerst met de zwakken. Niet de weinigen maar de velen moet ze leiding geven. In deze katholieke sfeer, waar geduld en toegeeflijkheid geen bewijs van zwakheid maar van kracht zijn, krijgen de genadegaven pas hun zaligmakende werking. Daarbuiten kleeft ze een tinctuur van hoogmoed aan, waardoor ze nutteloos en ijdel worden. De kerk kent zeker haar uitzonderingsperioden, waarin ze in de overgave van de weinigen vecht voor haar adelbrieven en de band met de onzichtbare, maar aan die korte momenten kunnen de normen voor de tucht niet ontleend worden. Deze moeten bruikbaar zijn in de veel langere tijdperken, waarin ze als georganiseerde instelling haar geduldswerk verricht. Op dit hoofdpunt is er overeenstemming tussen Augustinus en Calvijn, tussen de rooms-katholieke en de gereformeerde kerk.
Onder protestanten is de lutherse kerk meer op ]eerzucht aangewezen dan de gereformeerde. Zij is de kerk der reine leer. Ze wil vrij zijn van alle fabelleer, zegt Luther in zijn pinksterlied. 12Bij ons staan handel en wandel veel meer vooraan en we zijn er bang voor om de zichtbare kerk te laten uitgroeien tot een priesterlijke figuur, die in sacrament of reine leer het middel zal bezitten om de Heilige Geest in zijn werk te hinderen. Wij leggen, zoals trouwens de hele latijnse kerk vergelijkenderwijze doet, in het priesterlijke werk de nadruk op het pastorale. ⚑De Hervormde Kerk is een kerk des Woords en der werken en in zoverre staan we dichter bij Stockholm dan bij Lausanne.13 't Gaat er niet om te pronken met een belijdenis. Deze hoog op te heffen is eerder op zijn plaats in de korte perioden wanneer het martelaarschap daarvoor als loon gegeven wordt. Dan zijn de kerkelijke belijdenissen ook ontstaan. In de herderlijke perioden der kerk komen ze niet zo uitdagend en hoekig naar voren, maar werken zich praktischer uit in prediking en zielszorg. Aan het conjecturale wordt dan een grotere plaats ingeruimd. En het oordeel der liefde dat de verhoudingen bepaalt leidt niet tot leerstellige bravoure maar tot een zekere geestelijke reserve en gereserveerde geestelijkheid tegenover elkaar.
Wanneer ik twee kerken moet noemen die deel hebben aan de idee van deze katholieke heiligheid, zoals ik die beschreef, dan zou ik de Engels episcopale en de Hervormde Kerk willen noemen. In beide gaat men met elkaar op leerstelling gebied twee mijlen, als men verzocht wordt één mijl te gaan. In beide ziet men het Evangelie graag met Maurice14 in direct verband met sociale moraliteit, met handel en wandel.
Maar in beide komen ook zekere grenzen in 't zicht, waar het wezen der kerk vervaagt en ze dreigt over te gaan in iets anders. Soms komt het in de Hervormde Kerk voor dat men meent dat de prediking is van eigen vinding en men vergeet dat ze ons mede door de kerk is opgedragen. Zahn15 heeft gezegd dat na Constantijn de kerk een gemeenschap is geworden van geborenen in plaats van wedergeborenen. Daaraan is eigenlijk niet veel te doen. Ook wedergeboren mensen kunnen kinderen krijgen. We zijn geen monnikenkerk. Het wezen der kerk is episcopaat. Maar onze kerkelijke rechten ontlenen we toch niet aan onze geboorte als zodanig. Men heeft spoedig na de verklaring van Bilthoven16 in het vorige jaar er bezwaar tegen ingebracht, dat er verband gelegd werd tussen belijdenis en lidmaatschap. Men wilde lid zijn door geboorte, door zijn fysieke aanwezigheid.17 De Haas18 heeft gezegd dat heel Kerkopbouw hem het kerkelijk leven van een vrijzinnige niet waard was. Niet om de man, maar óm het beginsel. Hier komt een vrijzinnigheid om de hoek kijken, die 't wezen van een kerk oplost. In de episcopale geduldigheid der kerk zit niet het accepteren van het boute feit van fysieke aanwezigheid. Deze nemen we in acht, zegt Gunning, tegenover de inbreker.19 Maar er zit een wachten in, een eerbied voor geestelijke werking en ontvankelijkheid voor oprechte legitimatie. Maar nimmer vnag dit oordeel der liefde, zoals Augustinus en Calvijn het noemen,20 ontaarden tot absolutie, geestelijke passiviteit der kerk. Wanneer ze twee mijlen meegaat voor één, dan raakt ze toch bij 1/2 de tel niet helemaal kwijt.
Dat zou ze doen als ze alles tenslotte aan het geweten van de enkeling overlaat. Men zegt dan: de staat gaat hier verder, de kerk niet omdat ze geestelijk is. Ik antwoord: gewetensvrijheid ligt omgekeerd juist op politiek gebied. De staat houdt halt voor het geweten omdat ze geen geestelijk oordeel heeft. De kerk kan dat niet doen. Zij mag niet zeggen: gij moet zelf oordelen want daartoe ben ik niet in staat. Het absolute oordeel over wolf en schaap laat ze aan God over. Maar het oordeel der liefde, het conjecturale oordeel mag ze niet uit handen geven. Daarmee oordeelt ze naar de tekenen die er van zijn. Wanneer ze dit ook uit handen geeft, dan abdiceert ze. Ze oordeelt niet de intimis,21 maar naar wat er openbaar wordt. Maar dan mag ze daarbij niet weer naar de intima verwijzen om zich aan 't oordeel te onttrekken. Over dat binnenste oordeelt God en niet het individu zelf. Een kerkelijk oordeel de intimis door iemand zelf is een contradictio in terminis, een onding, een vinding die de kerk oplost. Met de activering der kerk gaat noodzakelijkerwijs samen een activering van het kerkelijk oordeel.
Het individu zou met een opschorting van dat oordeel, met een kerkelijk scepticisme, ook niet gediend zijn. De eer der kerk is altijd geweest dat ze met de waarheid niet marchandeert. We mogen met onze gereformeerde voorliefde voor handel en wandel niet zo ver gaan dat we in een kerkelijk pragmatisme aanlanden. Het is volkomen begrijpelijk en nodig dat naast Stockholm Lausanne geboren is. En als we ons naar de beide kerkelijke polen zullen richten, dan zullen we daarvoor ook naar binnen noodzakelijk de consequenties moeten trekken. Een oecumenisch belijden is niet te activeren zonder dat daardoor binnen iedere kerk de overeenstemming van de prediking met haar historische belijdenis bevorderd wordt. De katholieke idee heeft het moment van gezag dat er mee verbonden was in Augustinus' dagen en dat voor de kerkvader tegenover elke andere religie de nota specifica was, nog niet verloren.
Wanneer we daarmee geen ernst maken, bestaat de mogelijkheid dat we door het begrip volkskerk ad absurdum te voeren22 haar oplossing voorbereiden terwijl we trachten die te voorkomen. Als de groepen die ik nu maar positief-christelijk zal noemen voor hun behoefte om een duidelijk oordeel van de kerk te vernemen nooit een geopend oor vinden, dan zullen de afscheidingen van 1834 en 1886 zich herhalen of op een andere wijze zal de splitsing zich voltrekken. Wij zullen met de methode blijven zitten en de stof zal ons ontgaan omdat we aan wezenlijke momenten in het kerkbegrip geen aandacht schenken. Een groepje intellectuele zoekers zal tenslotte de naam van de Hervormde Kerk voortplanten, een schuimende branding zonder zee erachter.
Ik heb de dingen opzettelijk wat scherp gezegd omdat de grens tussen wat ik in 't begin aanprees en nu afraad niet overal scherp te trekken is. Maar bij allerlei gelegenheden zal men wel weten aan welke kant daarvan men zich bevindt. De kerk kan niet geheel zonder instellingen of middelen, waardoor de overeenstemming der prediking met haar belijdenis bevorderd wordt.
De moeilijkheid is om zulk een instantie in het leven te roepen, die waarborgen biedt, in de brede geest van de twee mijlen23 te zullen werken. Maar dit moet toch mogelijk zijn.24