1. De tegenwoordige positie van de predikant1
Geen vogel kan boven zichzelf uitvliegen,2 zegt - ik meen - Heine naar aanleiding van Goethe's Dichtung und Wahrheit, waarin deze een kritische beschouwing van zijn eigen leven geeft.
Zo is het ook moeilijk voor een predikant om over de positie van de predikant te spreken. En toch heb ik op vererende uitnodiging van uw moderamen3 op mij genomen enige inleidende gedachten te formuleren.
Ik ben mij wel bewust van het hachelijke van mijn taak. Enerzijds geldt het hier een geestelijk ambt dat, hoe men het ook wendt of keert, te midden van andere ambten en beroepen als een eenling staat. Het is met niets anders te vergelijken. Het staat in direct verband met de komst van het Godsrijk op aarde, zodat het niet bepaald in het kader van de wereldse dingen behoeft te passen. Jezus zond zijn discipelen uit, twee bij twee, en liet ze niet toe iets overtolligs mee te dragen. Geen goud, nu ja, maar ook geen zilver. Maar ook zelfs geen kopergeld. Geen twee rokken, nu ja, maar ook geen schoenen, geen staf ... (Matth. 10). Deze Evangelieboden zijn geen leden van de maatschappij; ze zijn vrij van belasting en behoeven geen eten en geen drinken. Vijf broden en twee vissen zijn voldoende voor een hele gemeente tot onderhoudens toe (Luk. 9 : 10-17).
Ik zet opzettelijk deze dingen in een toon, die u omtrent mijn bedoeling min of meer onzeker maakt. Die toon waarin ik deze dingen hier plaatste is niet helemaal zuiver. Gij hoort er een dissonant in en zijt niet volkomen zeker of ik wel helemaal in ernst ben. Gij verdenkt mij dat ik op het kantje van railleren ben en gij neemt mij dat al half en half kwalijk. Ik voel zelf het pijnlijke van het geval.
Intussen heb ik het niet in mijn macht deze dissonant terstond in akkoorden op te lossen. De dissonant is er en zodra ik begon met de ideële kant van het ambt naar voren te brengen, mengt de valse klank zich er in. Hier liggen twee rijken naast elkaar en als ik in het ene een woord spreek of een toon aansla, geeft dat in het andere een klank die er niet mee harmonieert. Men noemt dat op het orgel bijspraak en die bijspraak bestaat in sterke mate voor de tegenwoordige positie van de predikant. Men kan niet goed noemen dat goud, dat zilver en dat kopergeld, die twee rokken, die schoenen, die vrijdom van belasting, dat eten en dat drinken of we horen de valse klank.
Die valse klank, dat is voor mij het ellendigste in de tegenwoordige positie van de predikant. Ik zal niet zeggen dat ook vroeger niets van die aard bestond. Maar thans is hij schier overheersend geworden. Het ambt is als een gescheurde klok die zijn gave metaalklank verloren heeft en door eigen geluid een fatale barst verraadt. ⚑Misschien denkt iemand dat we het ongelukkig hebben getroffen. Dat is toevallig, meent hij, bij een bepaalde perikoop uit het Evangelie. We zouden het dan nog op een andere manier kunnen proberen.
Ik kies daartoe, wat zeer voor de hand ligt, de pastorale brieven. Meer in de lijn kan men zich toch niet houden. Bovendien zijn we hier uit de berglucht van het Koninkrijk der hemelen in de evangeliën reeds in de kamerlucht der kerk gekomen. Wij hebben er te doen niet met apostelen en profeten, maar met ouderlingen en diakenen. Hier herhaalt zich echter het zo pas opgemerkte toch weer. Het is weliswaar niet zó pijnlijk meer. De grond waarop we hier staan is niet zo hoogheilig als de evangelische bodem. Maar we merken het toch evengoed op als we de perikopen over onze kerkelijke ambten lezen: de dubbele eer, het dubbele traktement, de definitie van een ouderling, de definitie van een diaken.4 Er is bijspraak zodra we de statige woorden horen, bijspraak uit een empirische wereld.
Hier zou aanleiding zijn om erop te wijzen dat hieraan nooit te ontkomen is. We zouden er zelfs Plato bij kunnen halen en zeggen dat tussen idee en werkelijkheid steeds discrepantie bestaat. Ik wil echter thans die gedachtenlijn niet opgaan maar slechts constateren dat wat onze kerkelijke wereld betreft dit gebrek aan harmonie zo pijnlijk is geworden dat het voortbestaan van ons ambtelijk leven ermee gemoeid is.
Velen zullen het boekje van collega Rutgers kennen over Karakter en bezwaren van het predikantschap.5 De schrijver heeft de moed zijner overtuiging gehad en heeft het ambt verlaten. Sedert zocht hij het ambt terug. En juist in dat heen en weer lopen komt de dramatiek in onze positie uit. Ik heb het steeds als een moedige daad van collega Rutgers beschouwd dat hij de in zijn boekje geformuleerde gedachten publiceerde. Zoiets wordt niet van alle zijden even goed opgenomen. Er ontstaat veel onverantwoordelijk geteem, zodra een man eerlijk de dingen zegt zoals ze zijn., Mij lijkt het dat in dit boekje op duidelijke wijze rekenschap is gegeven van de spanning in het predikantschap. Nu dit werkje, dat bij Kruyt te Amsterdam werd uitgegeven, bestaat, kan ik mij van de taak ontslagen rekenen dezelfde dingen op minder gelukkige wijze te zeggen dan Rutgers het deed.
Ik herinner alleen aan de daar gevolgde gedachtengang. De schrijver ziet in de verbinding van een kerkelijk ambt met een character indelebilis6 met het even eerwaardige ambt van huisvader de oorzaak van een ondragelijke scheur in het leven. Door het hoogheilig werk van de uitdeling der -sacramenten, die voor hem gereserveerd blijft en waartoe niemand anders gerechtigd is, is de predikant lid van een priesterlijke orde. Hij is een heilig man, afgezonderd van de wereld en als Godsman loopt hij door zijn gemeente. Hij voelt zich elk ogenblik geroepen het hoogheilig karakter van zijn stand hoog te houden. Daarnaast is hij echtgenoot. Door huwelijk en gezinsleven is hij zo hecht mogelijk in het maatschappelijk raderwerk ingeschakeld. Mooi is wat Rutgers zegt en ik onderschrijf het ten volle: "Juist van een eerlijk gevoerde, onbesmet gehouden strijd om het bestaan ontvangt huwelijk- en gezinsleven zijn hoogste sanctie." De predikant is verplicht zich in deze particuliere liefdedienst in te leven als in de algemene liefdedienst van het kerkelijk ambt. Tegelijktijdig kan deze tweeërlei dienst niet met volle kracht geoefend worden. Of het een of het ander lijdt schade. Zijn publiek ambt wordt min of meer ontwijd door de particuliere eisen die hij moet stellen en zijn toewijding zelfs problematisch als men eraan denkt dat ze haar voedingsbodem vaak meer in het gezin dan in de gemeente vindt.
Wanneer wij vragen naar de oorzaken waarom wij in onze dagen zo sterk de dissonant horen bij het vernemen van de idealen van ons ambt, dan geloof ik dat met beschouwingen als van Rutgers terdege rekenschap zal moeten worden gehouden. Het is de vraag of er in het predikantsambt nog niet een stuk klerikalisme is blijven steken, of de predikant nog niet half pastoor is gebleven en of de misère die ongetwijfeld aanwezig is voor een deel hiermee samenhangt. Wij zijn ongetwijfeld in steeds geringere mate klerikaal. De pastoor in ons verliest steeds meer veld. Ik denk aan vader à Brakel,7 wiens huisvrouw nooit zonder kloppen de studeerkamer van haar man zou binnenkomen. Is thans nog iemand van de collega's in staat te verklaren dat zijn vrouw zich ten opzichte van de ambtelijke ruimte in zijn huis gedraagt als vroeger de bedaagde maagd van de pastoor?
De gemeente echter houdt aan de eis vast. Zij denkt ten opzichte van de predikant in de categorieën van de bergrede en de uitzendingsrede.a Zij vindt goud, zilver en kopergeld in zijn gordel onnodig; de dubbele eer uit de pastorale brieven is onder haar evangelische bemoeiingen niet opgenomen en ouderlingen en diakenen zijn voor haar even vaste geloofsbegrippen als de drie zaligmakende dieren8 in de Gereformeerde Kerken. Dat gedeelte in de kerk wat men in Friesland en misschien ook wel elders het 'vierkant' noemt en dat onder protestanten de plaats inneemt van het koor in de Roomse Kerk, dat vierkant is voor de gemeente een soort heilige der heiligen met dit onderscheid dat de gewone priester en zelfs de 'gemene Levieten'9 er mogen binnengaan. Degenen die daar plaats nemen gaan dan ook veelal niet op gewone huiselijke wijze naar hun zitplaats, maar in de orde van een religieuze mars schrijden ze naar het 'Semenerie'.10
Ik heb op zulke dingen niet al te veel tegen. In het Engelse parlementire leven vindt men allerlei oude gebruiken van historische oorsprong die ons een volk doen kennen dat zichzelf eert. Men behoeft zich toch ook niet te gedragen als iemand die gister uit de lucht gevallen is. Maar ze wijzen ons op resten van klerikaal denken en voelen en zo komen we er dikwijls mee in conflict. ⚑Nu wil ik in deze algemene beschouwingen niet blijven hangen. Ik vermoed dat het moderamen, toen het mij vroeg deze inleiding te houden, aan iets meer concreets gedacht heeft. Tot 'clearing of the ground'. Moge het voorafgegane voldoende zijn.
Ik ga dan meer of minder in aansluiting aan het vooraf gezegde enkele meer praktische kwesties aanroeren. De voornaamste lijkt mij de vraag of op de duur de geïsoleerde, ambtelijke positie van de predikant houdbaar is. Die positie veronderstelt een gerede schat van uitdeelbare goederen, sacramentele en geestelijke. Aan de hoeveelheid van dit heilsgoed kan niets worden toe- of afgedaan. Overal in den lande, in stad en dorp, is bij kerkstichting een zelfstandig centrum van uitdeling ingesteld. Hoeveel daarvan gebruik maken is betrekkelijk onverschillig. De geïnstitueerde kerk Lutkewierum is even eerwaardig als die van Groot-Mokum. De predikant is aangesteld als uitdeler van het heilsgoed. Hij is aan de kerk verbonden. Hij is in zekere zin haar plaatselijk eigendom. Hij leeft van het plaatselijk altaar.
Voor de beoordeling van het predikantswerk komt dan slechts in aanmerking in hoeverre hij de sacramentele en geestelijke handelingen volgens de daarvoor bestaande voorschriften tot een goed einde brengt. Men kan een uitstekend predikant zijn, zonder ook maar enigszins georiënteerd te zijn in de eigenlijke geestelijke, zedelijke, maatschappelijke of politieke wereld.
Natuurlijk overdrijf ik nu, maar voor wie begrijpend wil luisteren mag ik het er zo bij laten. Ik laat het er daarom bij, zonder direct allerlei voorzichtige reserves te maken.
Nu zal ongetwijfeld de opmerking gemaakt worden dat we praktisch zulke enigszins archaïstische trekken van ons ambt toch vanzelf herstellen. Dat we als we het anders opvatten er daarmee ook zijn. Dat moet ik echter bestrijden. Het gaat goed zolang alles rustig toegaat. Zolang het ambtelijke fungeren en het persoonlijke werken min of meer paisible naast elkaar verloopt. Er zijn echter tal van gevallen waarin er gekozen moet worden. Waarin, als ge kiest voor een mannelijk, geestelijk, zedelijk, sociaal werken, uw ambtelijk fungeren grote schade lijdt. Gij hebt minder hoorders en gij doopt minder kinderen. Gij neemt minder lidmaten aan. Uw gemeente doet niet wat men 'bloeien' noemt.
Dit kan zeer penibel worden als een kerkelijk bestuur op de een of andere wijze zich met ons werk bemoeit als het tot een conflict komt. Dan kunnen er inderdaad goddeloze dingen in de kerk gebeuren. Ik hoorde een paar jaar geleden spreken van een predikant wiens naam ik niet noemen zal noch de provincie waar hij woonde. Hij was op Den Dolder als zenuwpatiënt. Als verklaring werd mij genoemd: hij was het geweten van zijn gemeente, maar het provinciaal kerkbestuur heeft hem in het ongelijk gesteld. Of het waar is, weet ik niet. Maar dat het mogelijk is, weet ik zeker. En in zulke gevallen behoorde een enquéte uit de predikantenwereld de zaak te onderzoeken. De kerkelijke besturen hebben na te gaan of de ambten fungeren. Anders niets. Met de ethiek van het werk bemoeien ze zich niet; alleen met de machinale functie van het ambt.
Wie fungeert is onkwetsbaar. De reglementen, men ziet het direct als men een bundel ter hand neemt, zijn ingesteld op de verkiezing en de uitoefening van bepaalde functies, maar geven geen regelen voor eigenlijke geestelijke arbeid.
Stel nu dat een predikant werkelijk consciëntieus geestelijk werk doet. Hij constateert niet alleen dat het de rechtvaardige zal wélgaan en de goddeloze kwalijk, wat deze allebei roerend met hem eens zijn, maar hij noemt ook een schaap een schaap en een bok een bok en een wolf een wolf. Hij doet dit niet met onfeilbaar goddelijke wetenschap, maar naar zijn eerlijke mannelijke overtuiging, zodat hij ook wel eens mis is. Hij wacht niet altijd totdat de kerkeraad in deze met meerderheid van stemmen ambtelijk een oordeel heeft uitgesproken, maar gedraagt zich als particulier, particuliere dingen particulierlijk onderscheidende, wat bij het geestelijk onderscheiden dichter komt dan distincties op grond van reglementsartikelen. Hij laat de adem van zijn neus, die God hem daarin geblazen heeft, niet altijd totaal regelmatig op- en nedergaan totdat hij er zachtjes weer uitgaat, maar hij snuift ook een enkele maal met zijn adem en het haar op zijn hoofd verheft zich als bij Mozes om het aanbidden van het gouden kalf in de gemeente. In één woord, hij gedraagt zich als een mens en niet als een functionaris. Hij werkt met zijn hart en niet alleen met zijn ambtsapparaat. Dan zal vast en zeker het ambtelijk werk daaronder lijden. Het kan ertoe leiden dat kerkelijke besturen moeten gaan beoordelen in hoeverre dit toelaatbaar is. Zij moeten reglementen handhaven die zijn opgesteld om de richtige functionering der ambten te handhaven. Wat dan?
Dan blijkt de zonderlingste verhouding die mogelijk is. Het is mogelijk dat gij enige jaren met de rug tegen de muur uw positie in de gemeente verdedigd hebt, ten koste van nachtrust, van rust om te werken, ten koste van de kost van uw gezin zelfs. De hongerstraf is uit de middeneeuwen nog in de kerk overgebleven. Gij hebt dat gedaan om uw gewetensrust te bewaren, om niet te blaffen met de honden in het bos en in een woord, om in die korte tijd dat ge hier op de wereld rondloopt een man uit te maken. Wanneer nu de besturen aanleiding hebben om, als de ambtelijke functies eronder lijden, notitie van uw werk te nemen, dan zijt ge wat de Duitsers noemen in een 'missliche Lage'. De schijn is helemaal tegen u. Waarom functioneert de zaak niet, daarvoor zijt ge toch in de eerste plaats? De predikant die een conflict heeft met zijn kerkeraad of andere gemeenteleden komt gewoon als beschuldigde voor de besturen. In sommige besturen wordt hij, als voor een rechtbank, op een armzalige biezen stoel geplaatst, terwijl zijn collega's die hij heel toevallig in deze verhouding ontmoet, uit fauteuils hun meest onaandoenlijke gezichten naar hem toewenden. Geen spier op hun gelaat verraadt enige bekendheid met het slachtoffer. Een formeel vragenverhoor wordt hem afgenomen, waarna procesverbaal moet worden getekend. Een raadsman is de beschuldigde ontzegd. Hij kan zonder opgave van redenen per telegraaf worden ontboden uit de pastorie zonder dat hij weet wat er aan de hand is. Hij heeft geen gelegenheid de algemeen christelijke idee te ontvouwen die hem bij zijn werk leidt. Hij kan niet uitleggen waarom hij in dit of dat geval zus of zo handelde omdat meestal de tijd het niet toelaat. Hij wordt langs het reglement gelegd en o wee als er ergens een centimeter te kort schiet. Bij getuigenissen geeft zijn woord evenveel en even weinig als dat van de leugenachtigste aller gemeenteleden. Nu zal in onze kerk dit euvel zich betrekkelijk weinig laten gevoelen, ik erken het, maar dat komt voor een deel omdat predikanten over het algemeen zeer voorzichtiglijk wandelen in hun gemeente, meer dan goed voor de gemeente is. En voor een ander deel hierom dat de actieve predikanten voor de expansie van hun geest ruimte zoeken buiten het gemeentelijk leven. Wanneer echter, wat toch eigenlijk nodig is, deze voorzichtigheid werd afgelegd en de volle activiteit op de gemeente als zodanig werd gericht, zodat ze geestelijk, zedelijk en sociaal onder de persing van de geest van actieve predikanten kwam, dan zouden dergelijke situaties zich in ruime mate ontwikkelen. In de statuten van een vereniging van sociale predikanten11 werd nu reeds een artikel opgenomen waarbij als doel gesteld wordt elkaar te helpen tegen de besturen.
Is het niet wonderlijk dat de kerk haar dienaren uitzendt zonder dat ze belangstelt in de leidende idee van hun werk? Zonder althans te informeren op welke wijze hij de verhouding tussen zijn reglementaire verplichting en zijn zedelijke motieven ziet? Het functionaire werk van de predikant, voor zover de besturen daarin belangstellen, is opus operatum.12 Zo plaatst de kerk haar dienaren op hun post en ziet verder niet naar hen om. Met een gepaste toespraak worden ze bevestigd en verder aan hun lot overgelaten, wat soms wil zeggen aan de heidenen overgeleverd. Ook de zending doet dit laatste, maar ze blijft achter de gezondene staan, ze rekent dat hij de christelijke idee vertegenwoordigt, beoordeelt zijn conflicten vanuit die idee, stelt hem meer op een lijn met de jonge gemeenteleden die hij moet besturen en onderhoudt zijn gezin.
Zo is de organisatie waarmee de predikant te maken heeft bij zijn werk er een waar hij zelf totaal buiten staat. Onze kerk heet een domineeskerk, maar ze is het niet. De dominees, zodra ze gaan besturen, zijn geen echte dominees. Ze verliezen contact met het eigenlijke werk; ze worden beurtelings rechters, wetgevers of regenten, maar zijn geen dominees meer. Het duidelijkst merkt men dit bij het hoogste wetgevende, rechtsprekende en besturende lichaam, de synode, afgezien van de kwaliteiten der synodeleden. Waar ter wereld is een college dat zoveel sisyfusarbeid met zulk een zelfgenoegzame eerwaardigheid verricht? Dat meer gelijkend op een kegelclub dan op een geestelijk college het ene jaar met tien tegen negen13 steeds weer omkegelt wat het het vorig jaar met tien tegen negen opzette? Wie, die niet geheel buiten de eigenlijke arbeid staat, kan zich de weelde veroorloven van een dergelijk spelen met de jaren, ja met de eeuwen?
Er zijn allerlei allernoodzakelijkste regelingen aan de orde inzake beroepingswerk, pensioenregeling, ruiling van predikanten, verplaatsing van predikanten, werkverschaffing voor predikanten in kleine gemeentes, arbeidsverdeling, samenwerking van predikanten, specialisatie van de arbeid naar ieders charisma, enz. enz. Dingen die overal elders reeds lang afgehandeld zijn of in snel tempo worden afgewikkeld. Tegenover zulk een, gedurende meer dan een eeuw door achterstand overlopend arbeidsprogram, bewaart de synode een denkwijze die thuis zou behoren in een tijd voor Noach toen de mensen 969 jaar oud werden. Toen behoefde een pensioenregeling niet zo vlug afgewerkt te worden.
Over reorganisatie is jarenlang gesproken. Hoogstaande mannen als Gunning c.s. hebben zich ervoor gespannen. Als op een stootkussen is alles doodgelopen in de synode. De synode zit behaaglijk op de wip van tien/negen en negen/tien en denkt er niet aan het spelletje te staken. Ten opzichte van diere organisatie heeft men ook onder predikanten in wijde kring in een niet uit het hoofd te praten vrees geleefd. De vrees van kerkelijk lijfsbehoud. De vrees is hier waarschijnlijk ook slechte raadgeefster gebleken. Zeker is dat thans de reorganisatie moet betekenen een andere organisatie. Op andere, veel meer rechtstreekse, veel intenser wijze behoort de organisatie der kerk er een te zijn van kerkelijke werkers. De regentencolleges van thans zijn uit de achttiende eeuw. De getrapte verkiezingen, de provinciale autonomie, het herinnert aan en is regelrecht afkomstig van de oude republiek. Heeft dat alles in de kerk zijn tijd nu nog niet gehad? Wij zien nu op welk een ontzettende wijze de oude kerkelijke organisatie te kort schiet. Wat is, te midden van de algemene oriëntering aan nieuwe toestanden waarmee men in sommige gevallen reeds jaren klaar is, zieliger dan het gescharrel dat onze hervormde kerkelijke wereld te zien geeft? Ik denk aan de Raad van beheer te midden der Noordhollandse kerkvoogden. Ook al bewonder ik niet wat de Raad van beheer tot nog toe presteerde,14 toch zeg ik: zij wonen daar als schapen te midden der wolven. Tegenover een geest als daar openbaar werd, voelen we ons solidair met de Raad van beheer.
Wij zouden omgekeerd ook gaarne zien dat de Raad van beheer tegenover deze mammonistische wereld zich organisatorisch dichter bij de predikantenwereld voelde en zich aan haar oriënteerde. Niet met de synode zal de Raad van beheer de mammon in de kerk overwinnen, alleen met de predikanten zelf.
Wanneer men onder de indruk komt van wat de bladen over zulk een vergadering berichten, dan voelen we dat er een kloof bestaat tussen arbeid en beheer in de kerk, die niet juridisch maar geestelijk moet worden uitgevochten. Het is waar, de Noordhollandse kerkvoogden zijn het enfant terrible in deze kring, maar welk een geest komt er ons uit tegemoet. Conservatiever en onbekeerlijker, meer ante-diluviaans dan de vóórnoachitische wereld en vóór-hellenische samen roepen ze niet: après nous le déluge, maar na ons de chaos. Terwijl de collecties voor weduwen en emeriti chronisch dreigen te worden, hebben ze nog maar één stokpaardje: de autonomie van het beheer.
Tegenover dergelijke machten, bestuursmacht zowel als beheersmacht, kan de predikantenstand zich de weelde van onveranderlijk voortbestaan niet veroorloven. Hier geldt het 'serrez les rangs'. Voor de zogenaamde vrije beroepen schijnt dit een bijzonder moeilijk ding te zijn, maar in het bijzonder voor de predikantenstand. Staan we er allemaal nog wat vreemd voor en zullen er ongetwijfeld bondsleden zijn die pas langzamerhand met de idee van een echte predikantenorganisatie vertrouwd kunnen raken, dit is bij alle zogenaamd vrije beroepen het geval. En toch zien wij dat allerwegen deze bezwaren moeten wijken voor de noodzakelijkheid.
Geen mens kan nu nog zeggen hoe zich dit organisatorisch element in de vrije beroepen ontwikkelen zal. En het allerminst kan men dit ten opzichte van de predikantenstand. Het 'vrije' of 'liberale' staat hier meer dan ergens op de voorgrond en is met de mentaliteit van de stand tot een geheel vergroeid. Historisch heeft het de taaiste wortels en het is niet te verwachten of zelfs te wensen dat dit alles eens overboord zal worden geworpen. Intussen behoren wij van die mentaliteit en die historische positie alleen het goede te behouden. Niemand van ons zal willen dat alleen wij voor de lessen des tijds de oren zullen sluiten. Het zou belachelijk zijn als we met onverstoorbaar zelfbehagen het kruien van de eeuw rondom ons aankeken zonder daarbij over onze eigen gedragslijn na te willen denken.
Enkele schaduwkanten van het 'liberale' in ons beroep kennen we nu langzamerhand wel. De meesten hebben die aan den lijve gevoeld. Het is gebrek aan solidariteit. Wij staan 'vrij' naast elkaar. Wie een traktement geniet ver boven het gemiddelde voelt het niet te zeer als een onbillijkheid dat zij n buurman ver beneden het gemiddelde staat. Hoe sterk het kerkelijk terrein deze ligging heeft, blijkt15 wel allermeest hieruit dat het nieuwe reglement, dat bedoelde gelijkheid te scheppen, vanzelf scheefzakt in de richting van het oude 'liberale' standpunt. Nergens is de gelijkheid zo moeilijk te bereiken als in de kerk. De 'vrije' beroepen en allermeest het predikantswerk missen bovendien behoorlijk verband met de huidige maatschappij. De pastorie staat ten opzichte van de maatschappij als een vogelnest tegen een huis of als de intellectueel in Rusland, die als onproduktief werker van de distributie is uitgesloten. De manier waarop zijn levensonderhoud aan een onwillige kerkelijke maatschappij moet worden afgedwongen, geeft hem zelfs het karakter van een parasiet. Het 'liberaal' karakter van zijn bestaan berust op het bestaan van fondsen en is daarom met de gewraakte ongelijkheid onlosmakelijk verbonden. De meeste predikanten voelen dit wel en houden aan de oude positie vast. Niet slechts in gevallen van hoog traktement, er zullen tal van minimumlijders zijn die er precies zo onder staan. Zij hangen aan het 'liberale' van hun positie in het leven. Zelf ben ik er sterk aan gehecht.
Wanneer we echter onze plaats in de samenleving op enkele bunders land willen blijven funderen, dan loopt de zaak ten einde. In de gevallen' waarin het aantal bunders het grootst is het allereerst. De predikant met een toevallig zeer hoog traktement heeft te midden van de algemene achterstand geen prettige positie meer. Ook hij moet de collecte van weduwen en emeriti afkondigen. Wanneer wij aan het 'liberale' in onze stand blijven hangen, zal het ons gaan als een verarmde adel: respectabel om zijn houding, maar afgaande onder de standen.
Daarom is het gelukkig dat er een begin van nieuwe oriëntering is. Het karakter van ons werk zal onze plaats in het leven moeten bepalen. Heeft men ons niet meer nodig dan zullen wij verdwijnen. Wij moeten echter eerst nog een kans hebben. Wij zullen trachten onze plaats onder de zon te bepalen in verband met onze arbeid en niet in verband met enig dood fonds.
Dit kan zonder organisatie niet geschieden. Zodra het feodale, waarbij de predikant in ruil voor de opbrengst van enig plaatselijk goed omgekeerd ook dorpseigendom moet zijn, verboden wordt, komt hij in de lucht te hangen. Slechts een arbeidsorganisatie kan hem hier redden. Dat dit feodale in de verhouding zijn tijd gehad heeft, weet nu wel iedereen. De misère van de laatste jaren heeft er de nekslag aan toegebracht. De illusie van het 'vrije beroep' is verdwenen. Daarom kan men de oplossing van allerlei moeilijkheden, ook ten opzichte van de traktementen, niet losmaken van allerlei oud-feodale toestanden. Het een is met het ander gemoeid. In zoverre kunnen we in de moeilijkheden van de Raad van beheer wel inkomen. Het zal moeilijk zijn, zolang hier en daar iedere honderd man een predikant wil hebben, een bevredigende regeling te treffen. Daarom moeten de regelen van de arbeid en niet de toevallige ligging van enig feodaal goed de werkkring van de predikant bepalen.
Tot een dergelijke aansluiting, de aansluiting met de regelen van de arbeid, zou ik ook de hier aanwezigen willen opwekken. Wat in het algemeen tot de arbeiders is gesproken, dat geldt ook voor de geestelijke werkers: Arbeiders, organiseert u!