2. Sociale mogelijkheid en algemeen sociaal ideaal1
Met belangstelling las ik het 'Ingezonden'2 van De Haas en De Graaf3 in het mei-nummer van Het Orgaan. De 'sociale mogelijkheid' en het 'algemeen sociaal ideaal' mogen zeker niet uit het oog worden verloren. Maar gebeurt dat inderdaad in het ontwerp?4
Inzenders gaan uit van een minimum van fl 3500 + 2000 + 800. Wanneer dit te veel is, bewijst het slechts dat de progressieve schaal: 2500 3000 - 3500, in verband met zielental, niet deugt. Een gezin met vier kinderen, op een kleinere plaats, zonder onderwijsinrichtingen in de nabijheid, en fl 2500 als aanvangssalaris, zal niet gemakkelijk sociale naijver opwekken. Datzelfde gezin, naar een stad verplaatst, verbetert zich met 1000 + onderwijsinrichtingen. Met vier studerende kinderen betekent dit gemakkelijk verdubbeling van het inkomen. Men zou dus kunnen vragen of het ontwerp hier ook in strijd komt met, nu niet een 'algemeen', maar een kerkelijk sociaal ideaal. Daarmee ware echter nog niet gezegd, dat de positie van zulk een gezin financieel zo rooskleurig zou zijn, dat het met het 'algemeen sociaal ideaal' in conflict zou komen. Dat betwijfel ik toch nog. Mocht er echter zo iets bestaan, dan geldt dit uitsluitend voor deze categorie.
Deze betere positie is door de opstellers van het ontwerp gemotiveerd met een ideële overweging, het presteren van meer arbeid in grotere gemeenten. Ik wil die overweging hier laten gelden, waarbij ik aanneem dat inzenders dit ook doen. Maar dan concludeer ik, dat voor de verhoging van 10 x 200 eveneens deze ideële motieven moeten gelden. Wie twintig jaar lang ijverig gewerkt heeft, behoort niet meer even arm te zijn als aan 't begin. En dit toch wensen inzenders. Waarom, vragen ze, moet de verhoging blijven als de kinderen groot zijn?a Zij wensen de predikant een elastisch financieel pak aan te meten, dat hem nauwsluitend omringt. De bepaling van het salaris houdt hier verband alleen met de meer materiële noden van het leven. Uit een oogpunt van een algemeen sociaal ideaal lijkt mij dit echter niet juist gezien. De opvoeding der kinderen zal in de regel een zekere expansie aan het leven hebben gegeven, die in iedere familie bekend mag heten. Een flinke man, in de kracht van 't leven, koestert instinctief de wens om hard te werken, ten einde in staat te zijn financieel deze expansie te kunnen dragen. En het lijkt mij een kapitale fout van kerkelijke sociale ethiek, dit proces voor het predikantsgezin onmogelijk te maken.
Daarmede ware de welstand uit het leven van dit gezin weggenomen. En daarmede zou het in onze maatschappij een uitzonderingspositie verkrijgen, die mij voorlopig zeer ongewenst voorkomt.
Het valt gemakkelijk in te zien, waarin deze uitzonderingspositie zou bestaan. Ze zou in de eerste plaats bestaan ten opzichte van de opvoeding der kinderen. Wanneer de gehele verhoging van 10 x 200 + 800, voor een gezin met vier kinderen, beschouwd wordt als uitsluitend nodig om dat viertal te voeden en een maatschappelijke positie te bezorgen, dan lijkt mij dat een overdrijving van de overigens uitnemende idee der kindergelden, Daarmede zou dan eigenlijk de kerk de zorg voor de opvoeding der kinderen op zich hebben genomen. Een half-Spartaanse gedachte, die mij niet aantrekt. De predikant moet zelf in staat zijn z'n kinderen groot te brengen. En waar zijn werk geen kapitaalvorming meebrengt, moet de traktementsverhoging hem daartoe in staat stellen. Wordt deze echter na de opvoeding ingetrokken, dan blijken de kinderen op kosten der kerk te zijn grootgebracht.
Schrijnender echter dan bij de opvoeding zou na de opvoeding der kinderen de uitzonderingspositie van het predikantsgezin aan 't licht treden. De predikant, die een tijdlang maatschappelijk, al bleef hij in de achterhoede, gelijke tred zou hebben gehouden met andere intellectuelen, zou in z'n leven plotseling een kritiek ogenblik bereiken, een mutatie-periode, die hem onder geheel andere klassen terecht bracht. Na twintig- of dertigjarige arbeid zou hij bevinden geen stap vooruit gekomen te zijn. Midden in z'n werk werd hij dan plotseling op pensioen gesteld. Hem werd een soort wachtgeld op de dood toegekend, omdat met de opvoeding der kinderen de expansie van z'n leven gerekend werd als een rijpe vrucht van hem te zijn afgevallen. Van welstand als basis voor persoonlijke expansie ware dan geen sprake.
Ieder kan zich gemakkelijk realiseren welke funeste gevolgen dit zou hebben. Dit gezin zou niet in staat zijn het bredere familieleven, dat toch na de opvoeding der kinderen niet weer te niet gedaan wordt, te dragen. Aangeknoopte relaties zouden moeten worden verbroken. De middelen om een meer veelzijdig geworden arbeid voort te zetten, zouden in vele gevallen ontbreken. Daarom komt het mij voor dat de wasdom van een gezin hier veel te materialistisch is gezien en dat dit kerkelijk-ideaal beslist in botsing komt met een algemeen sociaal ideaal. ⚑Er is tweeërlei oogpunt, waaruit men het zou kunnen verdedigen. Men kan, in de eerste plaats, van mening zijn, dat uit de gehele sociale ethiek de idee 'welstand' moet verdwijnen en dat elk gezin zolang tot het strikt noodzakelijke moet worden beperkt, tot er voor alle een gemeenschappelijk overschot ontstaat. Men ziet dan in die welstand een vorm van kapitalisme. Ziet men dit eenmaal zo, dan kan men het predikantsgezin als een ideaal-type willen opstellen voor de gehele maatschappij. Hierin ligt een bedoeling, die niet te miskennen valt, en het materialisme, waarover we boven klaagden, blijkt dan een ideële achtergrond te hebben.
Het lijkt mij echter dat de kerk, ook indien ze deze beschouwing deelde, het predikantsgezin voor een dergelijk doel niet mag gebruiken. Dat gezin staat 'jure suo' in de burgerlijke samenleving en het ware een klerikalisme, dat herinnert aan paus Gregorius Vll,5 wanneer men het een uitzonderingspositie oplegde van buiten af. Niemand mag het daartoe exploiteren.
De tweede overweging, die de voorgestelde maatregel zou kunnen billijken, is minder sociaal en meer algemeen geestelijk. En hier raak ik het diepste motief van inzenders. Men vreest, dat op de maatschappelijke ladder het predikantsgezin te ver van de laagste trappen komt af te liggen voor vruchtbaar geestelijk contact. Daarom zou men zich opzettelijk, ook wanneer het om andere redenen niet nodig was, meer bekrompen levensvoorwaarden willen opleggen. - Dit is een zeer ernstige gedachte. Het komt mij echter voor en ik trachtte dit boven aan te wijzen, dat dit beneden de grens, die het ontwerp trekt, slechts geschieden kan door de begrippen stand en welstand uit het kerkelijk sociaal ideaal weg te snijden. Dit ideaal krijgt dan tegenover het algemeen sociaal ideaal een ascetisch karakter. Vond het ingang, dan ware het gewenst, dat het predikantsgezin geheel daarop werd ingericht. Aan dat gezin mochten dan ten opzichte van kleding enz. de algemene sociale eisen niet meer gesteld worden. Een eenvoudiger lijfdracht zou tegelijk het uiterlijk teken van de ascetische moraal van het gezin moeten vertonen. Men mene niet dat ik hier railleer. Wanneer het predikantsgezin tussen de ascetische eisen der kerk en de algemene sociale eisen in de klem raakt, dan bleef geen andere uitweg over dan deze consequenties te trekken. Het zou dan tevens kunnen blijken of een protestantse kerk daarvan gediend is.
Nu begin ik met te zeggen dat de kerk het recht niet heeft zulk een moraal op te leggen aan haar dienaren. Evenmin als ze het predikantsgezin mag exploiteren voor sociaal ideaal-type, mag ze het voor haar eigen geestelijke doeleinden gebruiken. Het gezin behoort niet aan de kerk. Het heeft eigen onvervreemdbare rechten. En bovenal wanneer de kerk een ascetische eis aan het gezin van de predikant ging stellen, zou dit ongeoorloofd zijn. Men kan echter menen, dat de predikanten zelf, uit vrije keuze, zich in deze weg mogen begeven. En hier moet wel worden onderscheiden. Het zou veel te ver gaan te beweren, dat dit steeds ongeoorloofd ware. Een man van karakter zal soms, in verband met zijn roeping, op geweldige wijze zijn gezin duperen. Hier liggen zware ethische moeilijkheden en grote dramatische spanningen in het leven. - Dit behoort echter tot de individuele ethiek. Nooit mag in verband daarmee ook maar één sociale eis worden gesteld. En nooit mag men beginnen met zich, allen te gelijk, met kalm overleg, reeds vooruit, op zulk een basis te stellen. Wie vooraf, met weloverwogen inzicht, een ascetisch levensideaal de voorkeur geeft, blijve ongehuwd. En een gemeente, die daarnaar gediend wenst te worden, kieze een pastoor en geen predikant.