O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← De antropologie van een Sahara-vliegerInhoud1. De tegenwoordige positie van de predikant →

Verzamelde Werken, deel 4 · p. 489–498

Tachtig jaar op de film1

1

Bedoeld zijn de jaren 1873-1953, die tot heden de levensloop dragen van de schrijver van bovengenoemd boek.1 Hij is een bekend econoom en historicus, stichter en eerste rector van de Handelshogescholen te München en Berlijn, die tegelijk bij de politieke geschiedenis van Duitsland op sommige zeer kritieke ogenblikken na was betrokken en die in dit boek een fragmentarisch overzicht geeft van de gebeurtenissen, waarmee zijn tijd hem in aanraking bracht. Het zijn vooral ook de bekende figuren uit dit tijdperk, die daarbij naar voren komen. En dan niet alleen die uit Duitsland, maar ook die uit andere landen. Dr. Bonn is een kosmopoliet, die Engeland en Amerika bijna evengoed kent als zijn geboorteland en die ook enkele jaren doorbracht in Italië en Zuid-Afrika.

Deze levensloop past bij zijn afkomst. Hij is een Jood, afkomstig uit Frankfort. Eigenlijk moet ik niet zeggen: een Jood, maar een Israëliet; men merkt uit het boek niet of nauwelijks dat het door een Jood geschreven is. Hij is evenmin een Israëliet van Abrahamswege; hij is het van Adamswege; zo algemeen mogelijk. Hij heeft, wat de Marburger hoogleraar Cohen in de Israëliet wilde vinden, iets transcendentaals.a Zijn geest bezit de algemene vormen, die voor ieder soort van leven, nationaliteit of welke eigenaardigheid ook passend schijnen. Het kost hem geen moeite een Engelsman, een Ier, een Amerikaan te zijn. Hij heeft vrienden de hele wereld door, en is een graag geziene gast in de beste salons van ieder land. Hij beweegt zich in de wereld met het gemak van iemand van vóór de toren van Babel. Dat verklaart ook zijn schrijfwijze. Dit Duitse boek is zo leesbaar, dat het van een Fransman kon zijn. Of liever: de trant past bij iedere denominatie. Het is niet gedacht, maar vlotter: geschreven. En niet geschreven, maar vlotter: verteld. De dingen zijn medegedeeld, zoals een wereldburger dat geleerd heeft te doen in het salon. Met voorname terughouding van eigen persoon en mening de dingen zelf, die men in het midden wil brengen, laten spreken en ze daartoe verfilmen, zodat zij ook zelf 'salonfähig' worden en met een lichte, niemand hinderende gratie midden door het gezelschap gaan. Op de manier van het volgende:

Dr. Bonn was in 1938 in Engeland. Het was na de conferentie van München.2 Chamberlain3 van wie de schrijver een weinig hoge dunk heeft, geloofde nog aan de vrede. In een kring van waarnemers van buitenlandse zaken was dr. Bonn op een avond genodigd. Hij wilde zich, zo zei hij, niet in de discussie mengen, maar een geschiedenis ten beste geven. Hij had gehoord, dat Chamberlain Hitler had uitgenodigd om ergens in Schotland enige dagen met hem te komen vissen. Hitler werd op een veelbelovende plek met een hengel neergezet. Ieder was in de beste stemming en het weer was mooi. Neville wierp juist een vlieg uit, toen een luide knal weerklonk. Een aanslag op Hitler?!! Hij snelde naar zijn gast, die in het water staarde, waar dode vissen op de oppervlakte dreven. Hitler had met dynamiet gevist. Chamberlain had moeite zijn humeur te bedwingen en probeerde hem uit te leggen, dat men zoiets in Engeland niet deed. Maar Hitler overschreeuwde hem: "Maar zo doe ik het; heb je dan mijn boek niet gelezen?"b Er zijn twee Duitslanden. Van het éne heet de hoofdstad Berlijn; van het andere Frankfort. Het ene hebben wij leren kennen door Bismarck en Von Hindenburg. Het andere door Goethe en Schiller. Deze beide laatsten waren de schutspatronen van onze gymnasiale opleiding, die onder Duitse beademing stond. Wij zagen de Oudheid door een schemer van romantiek, waardoor wij met die Oudheid in een zekere organische verbinding bleven. Het Romeinse keizerrijk scheen nog maar pas beëindigd, sedert de keizer zich naar de Balkan terugtrok, om het rijk ter annexatie aan Pruisen over te laten. Symbolisch daarvoor was de annexatie van Frankfort in 1866.4 Het was de oude keizerstad, waar de keizers gekozen en gekroond werden. Door haar ondergang als zodanig en de pruisificering van West-Duitsland werd onze latiniteit versmald en te zeer buiten de geschiedenis geplaatst. Zij bleef voortaan te literair en te logisch. De legende van de Germanen kon herleven en zij deed dat.

Wie het boek van dr. Bonn leest, krijgt een merkwaardig specimen van deze dingen voor ogen. Hier is nu een echte Duitser uit Frankfort, de opvolgster van Rome in het Noorden, die een mentaliteit vertoont, welke universeel genoemd kan worden. Pruisen en Berlijn zijn hem vreemd gebleven. Voor hem is - men merkt het overal in zijn boek - de Pruisische 'Drili' het grote kwaad in de politiek. Hij ziet niet, waarom Duitsland geen goede parlementariërs had kunnen opleveren. Mannen als Von Bennigsen, Bamberger, Von Stauffenberg en Windthorst5 waren wel van dat hout gesneden. Maar Bismarck wilde creaturen, geen collega's. Zijn karakter had, aldus dr. Bonn, het Duitse politieke leven vergiftigd.c

Voor een liberaal als onze auteur, wiens talenten toch in de hele wereld geschat werden, was er dan ook in het verjonkerde6 Duitsland geen rechte arbeidsmogelijkheid, zolang Wilhelm II keizer was.7 Wel vond hij die te München. Beieren bleef ook na de vereniging van alle Duitse landen onder Wilhelm 1 een anti-Pruisische instantie in het rijk. München speelt daarbij een merkwaardige rol. Het werd een soort asiel voor iedere Duitser, die de vroegere Duitse Bond, die te Frankfort daagde,8 niet vergeten kon en die de veelvoudigheid van het oude keizerrijk, dat zich naar Oostenrijk had teruggetrokken, met heimwee bleef gedenken. Ook voor degene, die zich de vluchtige kansen herinnerde, die in 1848 te Frankfort verspeeld waren op een Duits rijk van liberale makelij en die ten tweeden male verspeeld waren door de vroegtijdige dood van keizer Frederik III op 18 juni 1888.9 München zelf overigens was een stad zonder historie, een residentiedorp rondom het hof, de ministeries, het leger en de kerk; zonder rechte burgerij.d Men zou kunnen zeggen dat het uit een historische verveling was opgebouwd door de prachtlievende, gekke koningen van Beieren, die zich de leiding van het rijk hadden zien ontglippen. - Ik herinner mij nog levendig dit aspect van nieuwheid en opzettelijkheid van een verblijf van een paar dagen in het voorjaar van 1893, hetzelfde voorjaar, waarin dr. Bonn er student werd.

Wie deze dingen bedenkt, verstaat gemakkelijker, hoe München, hoofdstad van het conservatieve Beieren, op het einde van de Eerste Wereldoorlog en bij de val van het keizerrijk, een paar maal een revolutiecentrum kon worden; eerst in november 1918 en, na de dood van Kurt Eisner, in het sovjet-avontuur van april 1919.10 En hoe later, uit reactie, voor Beieren en voor de orde, tegen het democratisch socialisme van Berlijn in, hier het nationaal-socialisme van Ludendorff11 en Hitler in reincultuur kon worden gekweekt.e

Men begrijpt dan ook met welke ogen dr. Bonn, die van 1910-1920 rector van de Handelshogeschool te München was, een man als Von Hindenburg12 moest aankijken. De Frankforter liberaal, die bijna al die jaren in München op een zijspoor stond en die pas in 1918 door de republiek in de praktische politiek werd betrokken. Als lid van een onderzoekscommissie omtrent de schuld aan de oorlog had hij in 1919 gelegenheid een zitting met de veldmaarschalk bij te wonen. Meester in de fenomenologische beschrijving betastte hij hem als 't ware met de ogen, bijna met de handen. Hij geeft daarvan het volgende verslag:

"De veldmaarschalk was in uniform en leek wel een reusachtig standbeeld. Grijs in't gezicht en over zijn figuur, had hij het uit steen gehouwen, mensgeworden afgodsbeeld van een of andere heidense Pruisische volksstam kunnen zijn. Hij bewoog zich stijf, met zware schreden, als een robot. Ik had gelegenheid enige woorden met hem te wisselen ... Zijn gezicht was treurig, niet ongoedig, maar bijna zonder uitdrukking; de ogen zeer moede, zonder glans en bijna als van een dode. Het maakte de indruk van een levend lijk, waarvan de ledematen zich nog bewegen, maar van hetwelk de ziel al lang verdroogd is. Hij scheen een overblijfsel uit een vroegere geologische periode, toen alle schepselen in reusachtiger afmetingen en naar een eenvoudiger patroon geschapen waren."f

Zo wordt de laatste Pruis hier getekend.

2

Wie Goethe's Aus meinem Leben gelezen heeft - vooral als hij het een halve eeuw geleden en op jongere leeftijd reeds kon doen - behoudt steeds een indruk van een zekere behaaglijkheid van het Duitse leven in steden als Frankfort, voordat de nieuwe Duitse eenheid begon te dagen. Deze onpolitieke levenswijze, die ruimte liet voor de beloningen van een veelvormige menselijkheid, oefent een sterke bekoring uit. Zij kweekte bij ons een gevoel van verwantschap, dat wij ten opzichte van onze zuidelijke en westerse naburen in die mate niet konden hebben. Ook wij voelden ons nog enigszins als delen van het heilige Roomse rijk; een rijk in oplossing, dat zijn leden toestond elk zijn eigen weg te gaan en eigen dingen te doen. Wij zongen, als leerlingen van onze Latijnse scholen, vaak bij voorkeur Duitse liederen. De mensen van omstreeks 1880 waren over het algemeen in de politiek ook nog pro-Duits.

Het boek van dr. Bonn werkt ten opzichte van deze dingen zeer verhelderend. Het laat ons zien, hoe het Roomse rijk, dat zich in het Westen had overleefd, zich naar het Oosten had teruggetrokken. Daar bestond het nog lijfelijk voort. En de Duitsers, die Bismarck verfoeiden, konden er het patroon van een leven, zoals zij dat gaarne hadden, terugvinden. En zo kon het gebeuren, dat van het aartsconservatieve Oostenrijk een zekere liberale invloed uitging.g - Voor dit rudiment van het rijk van Karel de Grote had de Noord-Duitser begrijpelijkerwijze weinig achting. Hij placht te zeggen dat de Beier, die hij ook niet mocht, een overgangsvorm was van mens tot Oostenrijker.h Oostenrijk zag zich voor een taak gesteld, die zwaarder was dan die, welke Rome tegenover West-Europa en Karel de Grote tegenover Midden-Europa had te vervullen. Door Bismarck buiten de Duitse Bond gesloten, verloor het als Europese voorpost zijn ruggesteun en is het, om zo te zeggen, in de Balkan ondergegaan. Het kon deze volkenmenging op den duur niet aan en kwam er in om.

En zo kon het gebeuren, dat uit deze heksenketel tenslotte de machten geboren werden, die ook voor het werk van Bismarck noodlottig zouden worden: het antisemitisme en het Duits-nationalisme. Dr. Bonn, die enige tijd te Wenen heeft gestudeerd, beschrijft ons de opkomst van deze beide als ooggetuige. Hij laat ons zien de sterk-exotisch aandoende Joden uit de achterlijke delen van de monarchie, vooral uit Galicië, die te Wenen de beurs beïnvloedden; halve Aziaten. En de Duitse minderheden, die zich hoe langer hoe meer vreemdelingen gingen voelen in deze volkerenmenging en die om 'Anschluss' aan hun volksgenoten gingen vragen. München is de invalspoort van het nationalisme en antisemitisme geweest, doch de eigenlijke haarden lagen voor het eerste in Bohemen en voor het laatste in Wenen. Als Oostenrijker had dr. Bonn ook begrip voor de uiterlijke figuur van Hitler zelf. Van moederszijde was de schrijver een Oostenrijker, uit Vorarlberg. Daar waren hem de gezichten van de Sloveense venters vertrouwd geworden, die allerlei staaldraadwaren om hun hals droegen en het land doortrokken. Zij werden er 'muizevalkooplui' genoemd. Ik herinner mij dat ze, onder dezelfde naam, in mijn jeugd ook hier te lande kwamen. - Dr. Bonn, die Hitler een paar maal van dichtbij had kunnen waarnemen, vindt dat hij grote gelijkenis vertoonde met deze venters. Dezelfde hoge jukbeenderen, het strakke, stijve paardehaar en de starre grijs-blauwe ogen. - Ik ken geen tekening van Hitler, waarin het sluike, dat aan zijn figuur eigen was, zo goed werd getroffen. Dr. Bonn houdt hem dan ook voor een typisch produkt van Oostenrijkse rasmenging.i

Wij hebben gezien, hoe omineus de verhoudingen tussen Frankfort, Berlijn, München en Wenen waren. Frankfort had echter ook vensters naar het Westen. Reeds vanouds was het een financieel centrum.j De oude bank- en handelshuizen waren in de laatste helft van de negentiende eeuw vooral door Joodse firma's, die betrekkingen onderhielden met Londen en New York, in de schaduw gesteld. Ook kwam de industrie hier betrekkelijk vroeg op. Ook daarin speelde het Joodse element een rol. Steeds meer vermengden de Joden zich met de andere bevolking. De meeste neven van dr. Bonn huwden in de Engelse aristocratie.k

Aan deze Westerse gerichtheid gaf de Frankfurter Zeitung uiting. Dr. Bonn wijdt een apart hoofdstukje aan het blad.l Hij laat zien, hoe het, doordat de stad geen regeringscentrum was, veel onafhankelijker was dan de andere grote bladen. Het blad kreeg, als orgaan van het liberale Duitsland, een continentale allure. Het fungeerde ook als een onafhankelijke stem in de geld- en handelswereld, ook buiten Duitsland.

Dat dr. Bonn, na zijn promotie te München, in 1896 naar Engeland ging, om er op het Brits Museum zijn economische studiën af te ronden, is mede een teken van het bestaan van een, ten dele latente, solidariteit tussen het Continent en Engeland. De volle ontwikkeling daarvan had aan de geschiedenis van ons werelddeel een andere richting kunnen geven. De Duitse liberalen zagen wel dat het leven in het Roomse rijk te behaaglijk was geworden. Heine13 had er mee gespot:

"Auf Kackstühlchen sassen sie da,
Die sechsunddreissig Monarchen."m

Die liberalen wensten daarvan alleen maar niet verlost te worden à la Bismarck. Welnu, aan Engeland konden zij zien, dat het ook anders wel ging. Dr. Bonn is van mening dat alleen Engeland Rome's gelijkwaardige erfgenaam is geweest. Frankrijk, Italië en Spanje waren veel sterker gelatiniseerd; Engeland echter wist in de geest van Rome te regeren.n In verband hiermede moet hier nog op twee dingen gewezen worden: de Manchester School14 en Home Rule.

Dr. Bonn is van mening, dat de eerste meestal verkeerd beoordeeld wordt. Hij ziet meer de positieve kanten van het laissez faire15 dan wij dat meestal doen. Hij vindt in deze school een poging om het militaire geweld uit het politieke leven uit te schakelen. Dat zij tegen de beschermende rechten was, betekende dat zij het Engelse feodalisme beschouwde als drager van agressie naar buiten en monopolie naar binnen. Cobden16 wilde een internationale politiek: vrijhandel, een vrije zee, afschaffing van het blokkaderecht en afbouw van de vloot. Deze mensen predikten het einde van alle imperialisme en vrijlaten der koloniën; vervanging van annexatie door vreedzaam verkeer tussen de volkeren; van heerschappij door handel.o

Zo gezien is de Manchester School thans, honderd jaar later, weer aan bod, als program voor Europese solidariteit. Uit dat oogpunt is buitengewoon interessant, wat onze auteur zegt van het falen van die School in de negentiende eeuw. De vraag of de conservatieven daaraan schuld waren, beantwoordt hij ontkennend. De reden die hij opgeeft is verrassend. Het Engelse liberalisme zou verslagen zijn bij Königgrätz in 1866.17 Daar leed het Pruisische liberalisme, dat zijn ruggesteun had in Oostenrijk, de nederlaag. Sedertdien ging het liberalisme overal achteruit. Oorlog en machtspolitiek kwamen weer in ere, ook in Engeland. Binnenslands bleef het nog bij de liberale beginselen.p

De Europese solidariteit blijkt wel heel duidelijk door deze gang van zaken. Dat het liberalisme, genomen in zijn meest algemene Europese betekenis, die het heden bezig is te herwinnen, verslagen werd daar, waar het 't minst eerbiedwaardig was, in Oostenrijk, geeft veel te denken. Toch was dit het geval. Oostenrijk kon liberaal zijn en heten, omdat het een rijk-in-ontbinding was. Het Engelse liberalisme had het oog op een nieuw United Nations. Oostenrijk wist ook van 'laissez faire', maar uit politieke laksheid. Het Engelse had het oog op handelspolitiek-in-plaats-van-annexatie.

Dat Bismarck toch het Europese volkeren-liberalisme in Oostenrijk kon verslaan, bewijst wel op heel merkwaardige wijze, hoe solidair de Europese politiek is. De leus van Joe Chamberlain omstreeks 1900 luidde zo: 'You must learn to think imperially'.18 Dat was de leer van Bismarck.

3

Wie in de zeventiger jaren van de vorige eeuw geboren is, evenals dr. Bonn, herinnert zich de Ierse Home Rule en haar promotor Gladstone als een paar zware stukken op het politieke schaakbord.19 Samen met koningin Victoria,20 wier naam aan een halve eeuw zulk een merkwaardig stempel geeft. En Disraeli,21 Gladstone's tegenspeler. Het toenmalige leven is op onnavolgbare wijze beschreven in Forsyte Saga van Galsworthy.22

Het karakter van Gladstone, 'the grand old man', zoals hij tegen het eind van zijn politieke loopbaan vaak genoemd werd, is verschillend beoordeeld. Hij was een dynamische figuur, maar men verweet hem politieke humbug en 'cant'. Ook het christelijk gehalte van zijn overtuiging werd verschillend gewaardeerd. Een kritieke vraag daarbij is, welke beweegredenen Gladstone er toe gebracht hebben om Gordon in Khartoem op te offeren.23 Men heeft daarachter onbarmhartige politieke rancune gevonden, omdat Gordon tegen de wil van de minister de bezetting had doorgezet.

Wie echter rekening houdt met de ideeën en beginselen van de Engelse liberalen, zoals wij die in ons vorig artikel bij de Manchester School aantroffen en met de Home Rule-politiek een halve eeuw later, kan in Gladstone's houding tegenover Gordon ook iets heel anders vinden. Gordons doordringen in de Soedan was een uiting van het imperialisme, dat later door Cecil Rhodes24 in Zuid-Afrika zulke bittere vruchten zou dragen. Gladstone kan, in de affaire-Gordon, gezien worden als de liberaal, die zich tegen dat imperialisme verzet en men kan dan zijn houding tegenover Gordon als een bittere noodzaak opvatten.

Het is dan ook geen wonder, dat een Duitse liberaal als dr. Bonn toen hij in 1896 in Engeland kwam zich diep interesseerde voor de kiezers achter Gladstone. Hoe kwam het dat op het Continent het liberalisme reeds overal lag te zieltogen, terwijl het in Engeland nog hoopte uit de oppositie weer tot de macht te geraken? En hoe moest het worden verklaard, dat het liberalisme op het vasteland, anders dan het Britse, meer of minder anti-kerkelijk gezind was? Om daarop een antwoord te vinden, ondernam de schrijver een tocht door het midden en noorden van Engeland. Daar vond hij de mensen die hij zocht, de Engelse non-conformisten, de lieden buiten de staatskerk. "Zij konden" - schrijft dr. Bonn - "voor hun zieleheil zorgen zonder de hulp van een geestelijke bureaucratie en hun wereldlijke aangelegenheden ordenen zonder een wereldlijke bureaucratie"; dingen die men in Pruisen tot op zekere hoogte aan de jonker en de dominee wilde overgelaten zien. Gladstone vereerden zij als een soort plaatsbekleder Gods, maar tegen Joe Chamberlain, de imperialist en de verrader van hun partij,25 koesterden zij een politieke haat, zo groot als onze auteur nog nergens was tegengekomen. Hun leven ging op in arbeid; en deze reis openbaarde dr. Bonn de sterkte en taaiheid van de Engelse kleine middenstand. 's Zondags gingen zij meermalen ter kerk. Hun karaktervastheid, die soms tot geestelijke zwaarmoedigheid verviel, was - aldus dr. Bonn - een der meest vaste steunpilaren van het Britse rijk. Zij hadden geloof en ruggegraat.q

Ik heb dit getuigenis van onze schrijver enigszins uitvoerig weergegeven, omdat hier in een zo recente publikatie recht gedaan wordt aan een Engels volksdeel, dat zo vaak is miskend: de puriteinen. ⚑'Home Rule' komt prachtig uit tegen de achtergrond van de annexatie van Oranje Vrystaat en Transvaal.26 De geschiedenis van Ierland vormt in de Nieuwste Geschiedenis een merkwaardige episode, zonder parallel. Het land lijkt buiten Europa, haast buiten de wereld te liggen. Z'n positie treft iets mystieks, dat het verworven heeft door een lijden van vele eeuwen. Het land is de kruisdrager van Europa geworden. En zo kwam er een historische schemering over dit volk te liggen, waarin de dingen niet geheel werkelijk schijnen. De geografische ligging past daarbij. Het land ligt onwaarschijnlijk westelijk. Het lijkt op het allerlaatste, in der haast, bij ons werelddeel gevoegd te zijn.

Zulke dingen moeten in dr. Bonn zijn omgegaan, toen hij in de herfst van 1896 besloot om, in plaats van zijn studies in Engeland, de bakermat van de economie, voort te zetten, en in het Brits Museum de middeleeuwse staatshuishouding na te speuren, deze ter plaatse zelf, zoals zij in Ierland nog ten dele bestond, te leren kennen. Want de drijfveren daartoe waren niet geheel van wetenschappelijke aard. Er kwam een soort heimwee bij, dat ook blijkt uit de titel van zijn verhaal daaromtrent, als hij het noemt: het land van het verlangen.r Ierland was voor continentale liberalen als dr. Bonn een stuk romantiek, een soort politiek droomland geworden. Het was heel verleidelijk zich een wijle daarin terug te trekken. Men zou het kunnen noemen een schuilkelder voor twee wereldoorlogen; Elyzeese velden aan 't eind der wereld. Het spreekt ook uit de natuurbeschrijvingen die hij geeft: De hemel is bleek-blauw en ondoorzichtig, alsof hij bedekt is met een sluier van nevelen, waaruit de zonnestralen als draden van een spinsel uit ruwe zijde te voorschijn komen. Het land weet niet van zomer en winter. Er heerst een soort duurzame overgang tussen voorjaar en herfst. Nooit verdort het gras en de bodem bevriest zelden en de zomer is zo koel als elders het voorjaar. Nergens is het gras zo groen als hier. Het Ierse landschap lijkt een aquarel.s

In dit Ultima Thule27 heeft dr. Bonn drie jaren doorgebracht als gast van sommige Anglo-Ierse families. Daarna heeft hij nog zeven jaren zich beziggehouden met de oplossing van politieke en economische vragen, die de Engelse kolonisatie in dit land hem stelde. De resultaten heeft hij neergelegd in een lijvig werk in twee delen over die kolonisatie. En in een klein, in het Engels geschreven boek over het moderne Ierland en zijn agrarische problemen.t Er bestaat een raadselachtige tegenstelling tussen deze intense bemoeiingen en de primitiviteit van de Ierse economie. Het alternatief des levens schijnt hier immers te liggen tussen aardappelen en hongersnood.28 ⚑De meeste continentalen kennen de geschiedenis van Ierland dan ook niet anders dan als een sprookje van armoede en oproer. Wat heeft Dublin ons te zeggen in vergelijking met Frankfort, Berlijn, München of Wenen?

Daarom juist doet Ierland ons aan als een mysterie. Het ligt in wat onze schrijver een 'Keltische schemering'u noemt. Dit volk is vrijwel buiten de geschiedenis van Europa gebleven en het volhardt daarin. Terwijl het Latijn schier overal doordrong, hebben - aldus dr. Bonn - Romeinse legioenen nooit hun voet op het 'Groene Eiland' gezet; noch het Romeinse recht, noch het Roomse woord heeft er ooit geheerst.v Heel vroeg - in de vierde eeuw - reeds gekerstend, bleef het twee of drie eeuwen buiten het bereik van de pauselijke kerkelijke organisatie. De geestelijkheid leeft in kloosterlijke verbanden, die zich spontaan voortplantten en van waaruit een krachtige zendingsactie naar het Continent uitging.

Dat de leren de naam hebben bij uitstek rooms-katholiek te zijn, is toevallig. Het is een gevolg van de Engelse kerkhervorming onder Hendrik VIII. Dit typisch oud-christelijke volk heeft zich daartegen onder de Stuarts verzet. Maar het bleef daarbij zijn excentriciteit ten opzichte van Rome behouden, zoals het ook in de middeleeuwen tegenover het kerkelijk universalisme was blijven doen. Deze excentriciteit hebben de leren duur moeten betalen. Zij hebben lang vooruit geleden, wat Europa in de twintigste eeuw ondergaat, nu het in vele opzichten in zijn geheel buiten het Rijk is komen te liggen. Als Caesar pensioneerde Cromwell zijn klompenregimenten met boerderijen. Hij dreef daartoe na de grote opstand onder Karel 1 de leren samen in Connaught, de meest westelijk gelegen provincie, als in een kamp van 'displaced persons'.w29

Nu, eindelijk, aan het eind van de geschiedenis van het Romeinse rijk, zijn de staatsregelingen van dit mysterieuze volk de namen van 'Home Rule' en 'Vrijstaat' gaan dragen. Mag Europa, mag de christenheid daarin een profetie beluisteren?

Voetnoten

  1. a

    Vgl. het fragment over Cohen in dit deel, p. 173 v.↩

  2. b

    Zie voor deze alinea M. J. Bonn, So macht man Geschichte. Bilanz eines Lebens, München 1953, p. 371 v.↩

  3. c

    A. w., p. 41.↩

  4. d

    Zie voor deze tekening van de stad München a. w., p. 142 vv.↩

  5. e

    Een beschrijving van de ontwikkelingen in München in a.w.,hoofdstuk Xl en X11(p.178-218).↩

  6. f

    A.w., p. 239.↩

  7. g

    Vgl. a. w., p. 44.↩

  8. h

    A. w., p. 67.↩

  9. i

    Zie voor deze alinea a. w., p. 65-68.↩

  10. j

    A. w., p. 12.↩

  11. k

    Vgl. a. w., p. 21 v.↩

  12. l

    A. w., p. 39-45.↩

  13. m

    Waarschijnlijk citeerde N. uit zijn hoofd. De aangehaalde regels in andere volgorde in Der Tannhäuser. Eine Legende (1836), opgenomen in de bundel Neue Gedichte (1844),nr. 3: "Und als ich auf dem Sankt Gotthard stand, Da hört ich Deutschland schnarchen; Es schlief da unten in sanfter Hut Von sechsunddreissig Monarchen. In Schwaben besah ich die Dichterschul, Gar liebe Geschöpfchen und Tröpfchen! Auf kleinen Kackstühlchen sassen sie dort, Fallhütchen auf den Köpfchen." Zie H. Heine, Werke in vier Bänden, München-Wien 1982, dl. 1, p. 272.↩

  14. n

    Bonn, a. w., p. 363.↩

  15. o

    Zie voor deze alinea a. w., p. 76 v.↩

  16. p

    Zie voor deze alinea a. w., p. 77.↩

  17. q

    Zie voor deze alinea a. w., p. 77-80.↩

  18. r

    Das Land der Sehnsucht is de titel van hoofdstuk 5 (a. w., p. 88-109).↩

  19. s

    -Zie voor deze natuurbeschrijvingen a. w., p. 89 en 93.↩

  20. t

    Het tweedelig boek over de kolonisatie verscheen Stuttgart enz. 1906, onder de titel Die englische Kolonisation in Irland. Modern Ireland and her Agrarian Problem, Dublin enz. 1906, vert. uit het Duits door T. W. Rolleston, werd oorspronkelijk gepubliceerd in Archiv für Sozialwissenschaft und Sozialpolitik, W. Sombart, M. Weber en E. Jaffé eds., dl. 19, Tübingen 1904, p. 140-172 en in dl. 20, Tübingen 1905, p. 554-609 onder de titel Die arische Agrarfrage. Zie ook So macht man Geschichte, p. 109 en 111 -↩

  21. u

    A. w., p. 101.↩

  22. v

    A. w., p. 103.↩

  23. w

    Zie voor deze alinea a. w., p. 95↩

Eindnoten

  1. 1

    Tachtig jaar op de film verscheen in drie afleveringen in IdW. 8 (25.9.1953) nr. 50, p. 391 v.; IdW. 9 (2.10.1953) nr. 1, p. 1 v.; IdW. 9 (9.10.1953) nr. 2, p. 9 v. N. schreef deze artikelen naar aanleiding van M. J. Bonn, So macht man Geschichte. Bilanz eines Lebens, München 1953. Aan het slot van het laatste artikel plaatste N. het volgende P.S.: "Slechts enkele gegevens heb ik aan het boek van dr. Bonn ontleend, maar ik heb ze zó gegroepeerd, dat zij samen, naar ik hoop, kans geven op enig historisch perspectief."

    M.J.Bonn(1873-1965), Duits econoom en historicus, van Joodse afkomst. Vanaf 1910 was B.hoogleraar en later directeur van de Handelshogeschool te München, vanaf 1920 van de Handelshogeschool te Berlijn. Na de Eerste Wereldoorlog trad hij op als adviseur in herstelbetalingskwesties. In 1933vluchtte hij en werd hoogieraarte Londen (School of Economies). Daarnaast vervulde hij gastdocentschappen in de Verenigde Staten en Canada.↩

  2. 2

    Op de conferentie van München (29 en 30 september 1938), waar Mussolini fungeerde als bemiddelaar tussen enerzijds de Franse minister-president Daladier en de Engelse eerste minister Neville Chamberlain en anderzijds de Duitse Führer, werd besloten de Duitstalige gebieden van Tsjecho-Slowakije aan Hitler toe te wijzen. Onder druk van de westerse mogendheden bewilligde de Tsjechoslowaakse regering in deze beslissing. Chamberlain dacht met deze concessie aan Hitler de vrede in Europa gered te hebben.↩

  3. 3

    A. N. Chamberlain (1869-1940), Engels conservatief staatsman wiens kwaliteiten vooral lagen op het terrein van de binnenlandse politiek (soc. verzekeringen, woningbouw). Als opvolger van Baldwin werd hij in 1937 eerste minister. In zijn politiek van verzoening ('appeasement') bleek zijn gebrek aan inzicht in de internationale verhoudingen, m. n. bij de conferentie van München (zie noot 2). Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog volgde Churchill hem op. Bonn zegt van hem in So macht man Geschichte (p. 371): "Er war aus dem gleichen Holze geschnitzt wie so viele deutsche Oberbürgermeister, die sich verhältnismässig spät im Leben in den Irrgarten der grossen Politik verirrt haben und den Ausweg mit Hilfe einer städtischen Topographen zu finden hoffen."↩

  4. 4

    In 1806 had de laatste keizer van het oude Duitse keizerrijk (het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie), Frans 11 uit het huis Habsburg, zich door het optreden van de Franse keizer Napoleon moeten terugtrekken naar Oostenrijk. Het grootste deel van de Duitse natie kwam daardoor onder Franse invloed (op Pruisen en Oostenrijk na). Na 1862 begon Bismarck naar een Duitse eenheid onder Pruisische leiding en zonder Oostenrijk te streven. Door de rivaliteit om de macht in de Duitse landen ontstond in 1866 de Pruisisch Oostenrijkse oorlog die in datzelfde jaar ten gunste van Pruisen werd beëindigd (slag bij Königgrätz). De overwinning maakte Pruisen door de annexatie van Hannover, Keurhessen, Nassau en Frankfort a.d. Main tot een aaneengesloten geheel. De pruisificering leidde in 1867 tot de vorming van de zgn. Noordduitse Bond, in 1871, na een overwinning in de Frans-Duitse oorlog, tot de stichting van het (tweede) Duitse keizerrijk te Versailles door Bismarck, waarbij de Pruisische koning Wilhelm 1 Duits keizer werd.↩

  5. 5

    R. von Bennigsen (1824-1902), Duits liberaal politicus. Na de annexatie van Hannover in 1866 vertegenwoordigde hij de nat. lib. partij in de Rijksdag en was hij president van het Pruisische parlement van 1873 tot 1879. Tijdens de Kulturkampf steunde hij Bismarck; na diens wending naar een protectionistisch stelsel werd hij tegenstander van Bismareks politiek. L. Bamberger (1823-1899), Duits liberaal politicus en econoom, van Joodse afkomst. Hij bewerkte de oprichting van de Reichsbank en de overgang van Duitsland tot de gouden standaard. Toen Bismarck in 1878 de vrijhandel opgaf brak B. met hem en ging met de links-liberalen over tot de oppositionele vrijzinnige partij (1884), evenals de liberale politicus en jurist F. A. Freiherr Schenk von Stauffenberg (1834-1901). L. Windthorst (1812-1891), Duits katholiek politicus. Speelde een belangrijke rot als leider van de centrumpartij (in 1870 opgericht) die zich tijdens de Kulturkampf keerde tegen Bismarcks poging het katholieke kerkelijk leven onder staatstoezicht te brengen.↩

  6. 6

    'Junker' is de benaming voor de Duitse, m.n. de Oostpruisische adel en grootgrondbezitters. Doordat zich in Duitsland niet een sterke, onafhankelijke liberale burgerij ontwikkelde, zoals in Engeland, konden de 'Junker' tot 1914 een grote rol spelen in politiek, bestuur en leger.↩

  7. 7

    De abdicatie van keizer Wilhelm 11 had plaats op 28 november 1918.↩

  8. 8

    De Duitse Bond is de naam van de Duitse Statenbond die haar eerste zitting had op 5 november 1816 te Frankfort, kort na de napoleontische oorlogen. Zij beijverde zich voor handhaving van autonomie van de afzonderlijke staten en verzette zich tegen liberalisme en constitutionele stromingen. Na de oorlog in 1866 (zie noot 4) viel de Bond uiteen.↩

  9. 9

    In 1848 brak in Frankfort, in navolging van andere landen in Europa, een revolutie uit die in staat en maatschappij een constitutie en liberale hervormingen wilde invoeren, en bovendien van Duitsland een eenheidsstaat wilde maken. Na een kort succes kregen reactionaire krachten weer de overhand. Frederik III (1831-1888), Duits keizer uit het huis Hohenzollern was anders dan zijn vader Wilheim 1 en zijn zoon Wilheim 11 liberaal-humanitaire opvattingen toegedaan die hem in conflict brachten met Bismarck. Hij stierf in 1888 na slechts 100 dagen keizer te zijn geweest.↩

  10. 10

    November 1918 ontstond in München als reactie op het einde van de Eerste Wereldoorlog een revolutionaire beweging die de stoot gaf tot de zgn. republiek van Weimar, met als gevolg de ineenstorting van het keizerrijk. De keizerlijke regering werd vervangen door een raad van volkscommissarissen bestaande uit meerderheids- en onafhankelijke socialisten. Overal werden naar Russisch model arbeiders- en soldatenraden opgericht. Leider van de novemberrevolutie was Kurt Eisner (1867-1919), Duits soc. dem. politicus en schrijver, van Joodse afkomst. Hij was o.a. redacteur van het soc. dem. Vorwärts. Kort na de moord op E. werd in april 1919 door links-radicale revolutionairen in München een radenrepubliek geproclameerd. Enkele weken daarna maakten Pruisische en Zuidduitse vrijkorpsen een eind aan de radenregering.↩

  11. 11

    E. Ludendorff (1865-1937), Duits generaal en politicus, voornaamste medewerker van Von Hindenburg (zie noot 12). L. bracht in 1917 rijkskanselier Von Bethmann-Holiweg ten val en forceerde de onbeperkte onderzeebootoorlog. De nederlaag van het leger in 1918 herleidde hij tot de revolutie van de linkse groeperingen (dolkstootlegende). Van 1924 tot 1928 had hij zitting in de Rijksdag. L. was overtuigd antisemiet en promotor van het nationaal-socialisme.↩

  12. 12

    P. L. H. A. von Beneckendorff und von Hindenburg (1847-1934), Duits veldheer en staatsman, verwierf bekendheid door zijn overwinningen op de Russen in 1914. In 1918 leidde hij de terugtocht van het leger uit Frankrijk alsmede de demobilisatie. Als rijkspresident (1925) steunde hij de pogingen tot herstel van de economische depressie (19291932) en bevorderde hij de verzoeningspolitiek met het buitenland. Toen tijdens zijn tweede presidentschap geen rechtse meerderheidsregering kon worden gevormd, deed H . een beroep op de nationaal-socialisten. Op 30 januari 1933 benoemde hij Hitler als rijkskanselier.↩

  13. 13

    Zie voor Heine VW., dl. 1, p. 335.↩

  14. 14

    De Manchester School is een liberale richting in de Engelse economische politiek die, steunend op de klassieke economie (A. Smith), streefde naar staatsonthouding op economisch terrein. Leiders waren R. Cobden (1804-1865) en J. Bright (1811-1889). Hun Anti-Corn-Law-League slaagde erin dat in 1846 de graanrechten werden afgeschaft en geleidelijk ook andere invoerrechten werden verlaagd, waardoor de vrijhandel werd bevorderd. Met het zgn. Cobdenverdrag in 1860 ging ook Frankrijk over tot vrijhandel.↩

  15. 15

    'Laissez faire, laissez aller' is de door J. Stuart Mill geïntroduceerde uitdrukking waarmee het economisch liberalisme van de negentiende eeuw werd gekarakteriseerd.↩

  16. 16

    Zie noot 14.↩

  17. 17

    Zie noot 4.↩

  18. 18

    Zie VW., dl. 5, p. 207 v.↩

  19. 19

    W. E. Gladstone (1809-1898), Brits staatsman, was aanvankelijk Tory maar ging over naar de liberalen. G. was viermaal minister-president. In die functie zocht hij de belangen te behartigen van verdrukte naties en minderheden en keerde hij zich tegen de imperialistische politiek van Disraeli. Voor het grotendeels katholieke Ierland hief hij de Anglicaanse Kerk als staatskerk op. In 1870 vaardigde hij de eerste Land Act uit om de Ierse pachters in staat te stellen hun nationaal grondbezit opnieuw te verwerven. In 1886 poogde G. Home Rule (zelfbeschikking) te geven aan Ierland, wat door voorstanders van de Unie (unionisten) in zijn eigen partij onder leiding van J. Chamberlain (1836-1914) en door de conservatieven verworpen werd. Ook een tweede poging in 1893 mislukte. Ondanks het verzet van Ulster (Noord-Ierland) werd in 1921 de Ierse Vrijstaat (zonder Ulster) opgericht. In 1949 werd Ierland een republiek.↩

  20. 20

    Victoria (1819-1901) was koningin van Groot-Brittannië en Ierland van 1837 tot 1901. Bovendien keizerin van Brits Indië van 1876 tot 1901. Politiek lag haar sympathie bij de conservatieven (Disraeli) en hun imperialisme. contra Gladstone wilde zij de Anglicaanse Kerk als staatskerk handhaven.↩

  21. 21

    B. Disraeli (1804-1881), Brits conservatief staatsman en schrijver, tegenstander van Gladstone's politiek inzake Home Rule. Zijn buitenlands beleid was gericht op uitbreiding en versterking van het Britse rijk. O.a. verschafte hij koningin Victoria de keizerstitel van Indië (1876) en verwierf hij Cyprus voor Engeland op het congres van Berlijn (1878).↩

  22. 22

    In de romancyclus The Forsyte Saga, het hoofdwerk van de Engelse roman- en toneelschrijver John Galsworthy (1867-1933), wordt het verhaal verteld van een generatie van mensen uit de gegoede stand, wier leven gekenmerkt wordt door een conflict tussen bezit en persoonlijke ontplooiing. Het werk heeft evenals andere romans van G. een sociaalkritische strekking.↩

  23. 23

    Ch. G. Gordon (1833-1885), Brits generaal die o.a. werkte aan de verkenning en onderwerping van de Soedan, werd in 1884 door de regeringen van Engeland en Egypte naar de Soedan gezonden om de Britse garnizoenen en Egyptenaren te evacueren die aangevallen waren door islamitische rebellen, de Mahdisten. Pas aangekomen in de Soedan werd G. te Khartoem ingesloten en tien maanden belegerd door de rebellen. Toen eindelijk Engelse versterkingen kwamen opdagen, was G. twee dagen tevoren door de Mahdisten gedood.↩

  24. 24

    C. J. Rhodes (1853-1902), Brits kolonisator en bestuurder, stichter van Rhodesië (sinds 1980 Zimbabwe). R. wilde de verschillende republieken en koloniën van Zuid-Afrika tot één staat smeden onder Britse vlag. Daarin tegengewerkt door Paul Kruger, die de onafhankelijkheid van de Zuidafrikaanse Republiek (= Transvaal) wilde handhaven, bewerkte hij het uitbreken van de Tweede Boerenoorlog in 1899 tussen de Boerenrepublieken en Groot-Brittannië, die de Britse annexatie van Oranje Vrystaat en Transvaal in 1902 tot gevolg had.↩

  25. 25

    Zie noot 19.↩

  26. 26

    Zie noot 24. De annexatie van Oranje Vrystaat en Transvaal tot Britse kroonkolonie werd spoedig gevolgd door de toekenning van zelfbestuur. In 1910 verenigden de beide Boerenrepublieken zich met de Kaapkolonie en Natal in één zelfregerende staat, de Unie (vanaf 1961: Republiek) van Zuid-Afrika.↩

  27. 27

    'Uitima Thule' betekent in figuurlijke zin: afgelegen gebied.↩

  28. 28

    Van 1846 tot 1849 werd Ierland door de mislukking van de aardappeloogst geteisterd door hongersnood terwijl het Ierse graan naar Engeland werd uitgevoerd. Ruim 700.000 mensen stierven. Gevolg was nieuwe onlusten en een massale emigratie naar Amerika.↩

  29. 29

    De opstanden in Ierland begonnen nadat in 1560 de Anglicaanse Kerk staatskerk was geworden waardoor de katholieke leren verplicht werden anglicaanse godsdienstoefeningen bij te wonen en deze kerk financieel te steunen. In 1651 onderdrukte Cromwell de onder Karel 1 begonnen opstand op buitengewoon bloedige wijze en gaf vervolgens de Ierse landerijen ter bewoning aan zijn soldaten.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← De antropologie van een Sahara-vliegerInhoud1. De tegenwoordige positie van de predikant →