O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← PlaatsbekledingZondaar en bedelaarKerk en schare →

Verzamelde Werken, deel 8 · Zondaar en bedelaar · p. 66–69

Stille tijd

Lukas 4 : 1-13

Er is in onze dagen veel sprake van stille tijd.25 In onze perikoop wordt daar ook over gesproken. En daarom willen wij heel aandachtig lezen wat de Schrift zegt.

'Stille tijd' heeft Mozes gehad op de berg Sinaï, toen hij de wet Gods ontving. Elia heeft haar beoefend op weg naar dezelfde berg Horeb, toen hij zijn profetisch ambt moede was. Nu gaat Jezus 'stille tijd' houden in de woestijn, om te leren hoe Hij zijn werk op aarde volbrengen moet.

Want daarvoor is het toch wel dat Hij daarheen gaat. De scharen die door Johannes gedoopt werden, vroegen aan de Doper: Wat zullen wij doen? ⚑(Luk. 3: 10). En dan zei Johannes het hun. Van Jezus, die toch ook gedoopt wordt, staat dat niet opgetekend. Wel vragen zijn voeten, als Hij tot de Jordaan komt: Wat zullen wij doen? Maar Johannes kan het antwoord niet geven. Het enige waarmee Jezus terugkeert van de Jordaan, is deze zekerheid: Ik zal het doen. Maar hoe?

Met die laatste vraag leidt de Geest Hem in de woestijn. In de 'stille tijd' zullen stemmen Hem moeten zeggen, op welke wijze Hij zijn werk als de Christus, de Zoon Gods, zal moeten volbrengen. Wij zullen zien dat de stilte geen ding is om mee te spelen. Het is een vreselijke plaats, die woestijn. En de stemmen die er gehoord worden, zijn niet zomaar, zonder meer, voor woorden Gods te houden. Johannes heeft de scharen er dan ook niet heengezonden. Hij zei hun wat zij doen moesten, midden in het leven. Maar Jezus werd door de Geest in de woestijn geleid. En Jezus is er ook niet heengegaan om er de Geest te ontvangen. Pas toen Hij die had, heeft Hij het gewaagd in de 'stille tijd'te gaan. En het bleek dat Hij die Geest er wel nodig had.

De stilte bleek heel anders dan wij zouden denken. De duivel nam er driemaal het woord en Jezus moest zich even vaak met alle macht aan een bijbeltekst vasthouden, om tegen de stemmen op te kunnen. Jezus heeft veertig dagen in de woestijn de vraag: 'Hoe zal ik het doen?' overdacht. In stilte, geestelijke overpeinzing heeft Hij neergezeten of op en neer gewandeld. En het einde is ... dat Hij honger heeft.

O Zoon des mensen, is dat het einde van uw veertig dagen stille tijd? Is dat het resultaat van uw luisteren naar een inwendige stem? Dat Gij aan eten begint te denken? Ja, zegt de Schrift, het Woord is vlees geworden. Dat staat er niet voor de stichtelijkheid, maar voor de waarheid en de werkelijkheid. Kan het treffender blijken dat Hij mens geworden is dan hieruit, dat de geestelijke bezinning aan lichamelijke honger blijkt te grenzen?

En nu komt de eerste stem. Waar komt zij vandaan? Uit Jezus' eigen binnenste? Is het eenvoudig de stem van de honger, die zich meester maakt van het onderwerp van veertig dagen overpeinzing? Aldus: gij wilt weten wat gij doen moet! Welnu, laat die hoge dingen, die u niet klaar willen worden, varen. Maak u zelf een stuk brood! Dan hebt gij toch niet helemaal voor niets veertig dagen stille tijd gehouden. Als gij Gods Zoon wilt zijn - uit een steen brood maken doen ze u toch niet allemaal na. Dat is iets heel bijzonders en men kan dan zien dat ge in de stilte toch vreemde dingen gezien hebt. Gij kunt toch niet uit de woestijniterugkomen zonder iets bijzonders beleefd of gedaan te hebben? Dat staat niet!

O Satan! hoe goed weet gij de mens nabij te komen. Waar is hier de grens tussen Jezus' eigen binnenste en tussen de Boze? Kunt gij het zeggen, lezer? Waar komt die stem vandaan? In de woestijn is niets te zien. Er zijn maar twee dingen: de honger en de steen. En nu komt de eerste, veertig dagen lang verwachte ingeving; de eerste stem. Moet dat dan niet het verlangde antwoord zijn op de vraag: Hoe zal ik het doen?

Maar het staat in geen profeet en het staat in geen psalm! Daarom zegt Jezus wat er wél geschreven staat: Dat de mens bij brood alleen niet zal leven, maar bij alle Woord Gods.

Weer wordt het stil in de woestijn en wacht Jezus op leiding en op stemmen. En dieper valt de stilte van de stille tijd en merkbaarder wordt de leiding. Eerst heet het de Geest die Hem leidde (vs. 1); nu echter de duivel (vs. 5). De eenvoud van de woestijn waar Jezus met één enkele steen samen is, wijkt. Maar waar is Hij nu? Op een hoge berg, waar Hij alle koninkrijken der wereld in een ogenblik tijds overziet. Dat is nog eens kennelijke leiding. Er begint tekening in de stille tijd te komen. En er komt ook een stem. De duivel zal Hem al deze macht en de heerlijkheid geven als Hij hem aanbidden zal.

Hier worden inderdaad de dingen duidelijk. Wij zijn hier ver van de eerste lichamelijke behoefte van de arme geschapen mens, van de honger. Wij staan hier op de toppen van de hoogmoed van de mens in de kracht zijner dagen, als hij de heerschappij wil hebben over de wereld. Daar is de stem van de duivel beter te onderscheiden dan bij die steen, die brood wou worden. Hier behoeven wij niet te vragen naar de grens tussen Jezus' eigen gedachten en de leiding van Satan. Zij staan duidelijk tegenover elkaar en Jezus noemt hem bij zijn naam: Ga weg van mij, Satan. En met grote kracht slingert Hij hem een Schriftwoord in het aangezicht: Gij zult de Here uw God aanbidden en Hem alleen dienen.

En met grote beslistheid bereidt Jezus zich er op voor om zonder antwoord uit de stille tijd te voorschijn te komen en genoeg te hebben aan de wet en de profeten.

En Satan leidde Hem verder. Maar men merkt dat hij reeds half overwonnen is. De leiding gaat weer over in de handen van de Geest. De stilte wordt minder diep. Satan moet Hem, of hij wil of niet, dichter bij de mensen brengen, voor wie Hij op de aarde gekomen is. Hij leidde Hem naar Jeruzalem en stelde Hem op de tinnen des tempels. Maar welke heuvel ligt daar, buiten de stad? Dat moet Golgotha zijn. Hier, op de tempel, staat Jezus in de stad, die de profeten doodt, wier woorden Hij telkens tegen de Satan gebruikt. Hier is het volk, dat 'Hosanna!' zal roepen en: 'Kruis hem!' Hier komt zijn ambt en werk in 't zicht. Hier zal Hij een antwoord krijgen op de vraag: Hoe zal ik het doen? Maar dat antwoord krijgt Hij niet in de stille tijd. Psalmen en profeten zullen het Hem geven, telkens als Hij het nodig heeft tot Gethsemané en Golgotha toe. ⚑Als Satan Hem hier brengt heeft hij het reeds meer dan half verloren. Wel zet hij Jezus te hoog, boven op de tinne des tempels, ver boven zijn arbeidsveld; ver boven zijn kruis. Wel raadt hij Jezus, met één sprong zijn werk af te doen en het aan God over te laten Hem door zijn engelen te laten opvangen. Maar deze laatste inblazing wijst Jezus reeds zegevierend af met de korte bijbelwoorden: "Gij zult de Heer uw God niet verzoeken."

Zo laat Jezus de woestijn achter zich, zonder een antwoord ontvangen te hebben. Welk nut hebben het ontzaglijke van de stille tijd, het geweldige van de leiding en het gevaarlijke van de stemmen voor Hem gehad?

Dit, dat Hij toen leerde om zich de antwoorden op de vraag: Hoe zal ik het doen? stuk voor stuk door de profeten en de psalmen te laten geven. Dat driemaal herhaalde: "Er staat geschreven!" is het begin van een reeks van bijbelwoorden, waarlangs Hij zich de richting aftastte door de duisternissen van zijn weg en ambt, tot aan de verlatenheid van het kruis toe. Ook dat "Eli, Eli, lama sabachtani" staat nog in een psalm en ook in die eigen klacht krijgt Hij nog een antwoord op de vraag, hoe Hij het doen moet.

Eindnoten

  1. 25

    De 'stille tijd' is vooral bekend geworden door de Oxford- of Groep-beweging, gesticht in 1921 door Frank Buchman (1878-1961).↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← PlaatsbekledingZondaar en bedelaarKerk en schare →