O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Een open levenZondaar en bedelaarStille tijd →

Verzamelde Werken, deel 8 · Zondaar en bedelaar · p. 63–66

Plaatsbekleding

Maar Jezus antwoordende, zeide tot hem: Laat nu af, want aldus betaamt het ons alle gerechtigheid te vervullen.

Mattheüs 3 : 15 (St.V.)

Wanneer wij alleen het evangelie van Markus hadden, zou Jezus' doop het eerste zijn, wat ons van Hem verteld werd. Bij Mattheüs vormt het verhaal de inleiding tot de beschrijving van 's Heren optreden in het openbaar. Wat voorafgaat is de tijd van het 'toenemen in genade bij God en de mensen'. De geheimzinnige jaren, waarin Jezus gevormd wordt tot zijn ambt. Van die jaren weten wij niets.

Men heeft soms getracht in de evangeliën aan te wijzen, hoe Jezus langzamerhand zich zijn roeping bewust wordt. Van die pogingen is niet veel terechtgekomen.

De tijd van voorbereiding ligt achter de evangeliën. Voor ons in het duister. Meestal zien wij God niet in zijn werkplaats. Hij verrast ons, als Hij gereed is.

Zo ook bij Jezus' eerste optreden in het openbaar. Uit zijn eerste woorden spreekt reeds het volle bewustzijn van zijn roeping. "Alzo betaamt het ons alle gerechtigheid te vervullen." Straks aan het kruis zal daarop het wederwoord gehoord worden: Het is volbracht! Dan is alle gerechtigheid vervuld.

In die dagen kwam Johannes, predikende in de woestijn. Velen komen tot hem. Hij zegt hun harde waarheden. Zonder omwegen. Sommigen verdragen zijn woorden niet. Anderen wel. Die zijn woord aannemen, worden gedoopt in de rivier, die langs hen heen stroomt naar de Dode zee. Zij worden begraven door de doop in de dood, om daarna in nieuwigheid des levens te wandelen. Zij worden gedoopt op schuldbelijdenis en belijdenis des geloofs.

Onder degenen, die tot Johannes komen, bevindt zich ook Jezus. Wij merken Hem voor 't eerst op een plaats, waar de mensen hun schulden belijden en gedoopt worden, om een nieuw leven te beginnen.

Dat tekent onze Heiland. Pontus Wikner zegt ergens in zijn mooie boekje Gedachten en vragen voor het aangezicht van den Zoon des mensen, dat hij zich kan voorstellen, dat iemand tot de Vader komt zonder daarbij aan Jezus te denken. Maar, zegt hij, dan komt Jezus er dadelijk bij.23

Het ligt niet in mijn bedoeling deze opmerking van Pontus Wikner, uit zijn eigen zielservaring gegrepen, te wegen. Dit treft mij er in: Jezus dringt zich niet tussen de Vader en de zondaren in. Hij is geen lastige scheidsrechter, maar een vriendelijke Middelaar. Hij helpt bij de toenadering. Hij staat haar niet in de weg.

Deze gedachte heeft twee kanten. Enerzijds zou ik willen waarschuwen, dat onze geloofsleer de bekering en de boete niet ingewikkeld mag maken door een lastige heilsleer tussen de Vader en de zondaar te schuiven, waarin de zielen verstrikt kunnen raken. Het Evangelie moet eenvoudig blijven.

Dit gevaar is niet denkbeeldig. Er zijn mensen, die zich bekeren zouden, wanneer men het hun niet onmogelijk maakte door een ingewikkelde dogmatiek.

Maar anderzijds overschatte niemand zichzelf. Zonder Jezus zal 't niet gaan. Hij is de Middelaar Gods en der mensen. Waar een zondaar de Vader zal ontmoeten, behoort Hij er bij. De Zoon hoort in het Evangelie. En overal, waar men de Middelaar wil terzijde schuiven, verliezen boete, berouw en bekering hun diepgang en betekenis.

Jezus' eerste optreden heeft plaats, waar de mensen hun zonden belijden en zich bekeren. Daar mengt zich de Zoon in 't midden. Daar zal Hij voorgaan en alle gerechtigheid vervullen.

In deze woorden ligt, wanneer we 't zo mogen uitdrukken, Jezus' 'program' besloten.

Johannes voelt, dat 'Hij' de doop niet nodig heeft. Hij behoeft geen schuldbelijdenis te doen en zich niet te bekeren. Evenmin als Hij behoeft te sterven, behoeft Hij bij gelijkenis in de dood ondergedompeld te worden. Jezus behoeft niet gedoopt te worden. Er is echter een rijk, waarin wat niet behoeft, toch betaamt. Waar men wat niet behoeft, toch doet.

Het Koninkrijk der hemelen.
Onder de genade geschiedt, wat onder de wet achterwege blijft.
Onder de wet heet het: "De ziel, die zondigt, die zal sterven."

In 't Koninkrijk der hemelen draagt de onschuldige de straf. "Door zijn striemen is ons genezing." "De straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem."

Aan de rivier de Jordaan stond menig zondaar, die Johannes liet praten en prediken. Die het hard nodig had zich te bekeren en gedoopt te worden. Maar die zich niet liet dopen. Er waren en zijn vele onboetvaardigen, die zich niet willen laten dopen. En er waren en zijn vele Farizeeërs, die menen, dat zij zich niet behoeven te bekeren. Ze willen hun zonden niet laten. Of menen ze niet te hebben.

Johannes predikt er tegen in, of jaagt ze toornig weg.

Er is echter nog een andere weg. Jezus laat zich dopen.

Of gij u bekeren wilt of niet, is uw zaak. Intussen lijdt echter de Onschuldige onder uw zonde. Hij neemt de gevolgen op zich. Alle gerechtigheid moet vervuld worden. Wilt gij het zelf niet doen, dan zal een ander het doen. Zo betaamt het.

Ieder denkt er zo niet over.

Diakenen zijn soms bang op het terrein van het burgerlijk armbestuur te komen, uit vrees, dat de kerk iets te veel zal doen. Of, wanneer A zijn gemeentelijke plicht niet volbrengt, dan wil B ook niet. Want zo zou men eens anders deel er bij gaan doen.

Het is bijna niet te begrijpen, hoe zulke redeneringen kunnen bestaan, waar het Evangelie gepredikt wordt. Want het Evangelie zegt duidelijk dat de onschuldige de straf draagt en dat, wie te weinig doet, een plaatsvervanger moet hebben.

Dat is de hoge regel in het Koninkrijk der hemelen. Dat is de aard van de arbeid van onze Here Jezus Christus. Zo betaamt het.

Sommigen schamen zich dan. Zij worden door het Evangelie overwonnen. Ze worden veranderd door de wondere, beschamende gang van zaken in het Koninkrijk der hemelen. Lijdt een ander hun straf, dan krijgen zij berouw. Doet een ander hun werk, dan gaan zij toepakken. Dat is de christelijke boete en bekering, die inniger, die dieper is dan die van Johannes. Waarom ook te Efese Paulus de Johannes-jongeren doopt in Christus' naam, zodat ze tot dieper leven komen en de Heilige Geest ontvangen.

Zouden er ook in onze dagen nog niet velen zijn, wier leven nog verstoken is gebleven van de diepe, innerlijke aanraking door het beschamende en verootmoedigende Evangelie van Christus, die alle gerechtigheid volbracht heeft, omdat het betaamde, ofschoon het niet behoefde?

Mensen, waarvan het jammer is, dat ze leerlingen van Johannes willen blijven, omdat hun bedoelingen oprecht zijn, en hun ijver prijzenswaardig, maar die zich door een dienstknecht naar de Vader willen laten leiden en niet door de Zoon! De Trooster, de Heilige Geest, kan alleen geschonken worden en uitgaan van de Vader met de Zoon, naar het diepe, vaak onbegrepen aangenomen leerstuk der Westerse kerk.

Wie de Zoon niet kent, verliest tegelijk de Heilige Geest, en daarmee de werkmeester van alle nieuw leven, dat die naam dragen mag.

Alleen de prediking van Christus drijft het ploegijzer diep genoeg in de harten om daar de mogelijkheid van een nieuw leven door de Heilige Geest te scheppen. Alleen de Christus-prediking beschaamt de mensen diep genoeg en werpt alle hoogheid in hen neer. Alleen de kennis van Hem neemt de laatste voorwendselen weg, die aan de overgave van het hele hart in de weg staan. Ongehouden goedheid kweekt ongedeelde overgave. Alleen het evangelie van de Gekruiste maakt bereidwillig tot alle goed werk, dat is werk, waartoe gij niet verplicht zijt. Werk, dat uit de vrijheid van het geroerde en geraakte hart opkomt, wanneer het zijn ontzaglijke achterstand gewaar wordt.

Ik denk nu aan Heldring, die op een vakantiedag, terwijl hij een voetreis maakte, een deel van zijn levenswerk ontdekte, de stichting van Hoenderloo.24 Hij behoefde niet te werken, maar zag iets, dat wel betaamde en wat anderen nalieten. En hij deed het.

Jezus Christus leed voor ons.
Jezus Christus stierf voor ons.

Deze overtuiging alleen vermag diep genoeg het hart aan te grijpen, om de lauwheid en de traagheid des levens te verbreken. Die ontdekking alleen bereidt het hart toe, om de Heilige Geest te ontvangen.

De jongeren van Johannes moeten nog gedoopt worden met de christelijke doop. Paulus wist wel, waarom het nodig was. Het is het geheim van zijn eigen leven. Hij jaagt er naar, of hij het grijpen mocht, waartoe hij ook van Christus gegrepen is. Hij vervult in zijn vlees de overblijfselen van de verdrukkingen van Christus. Hij heeft de Heilige Geest ontvangen.

Eindnoten

  1. 23

    Uitgegeven bij N. V. Egelings Boekhandel, 1902, p. 41. Pontus Wikner (1837-1888), Zweeds filosoof, bewoog zich in zijn geschriften en levensgang tussen filosofie en theologie, tussen pantheisme en theisme.↩

  2. 24

    Vgl. A. van der Hoeven, Otio Gerhard Heldring, Amsterdam 1942, p. 56 vv.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Een open levenZondaar en bedelaarStille tijd →