Pasen
Mattheüs 28 : 1-10
Van de paas-evangeliën is dat van Mattheüs het meest directe. Daar zien wij Gods macht regelrecht ingrijpen in de kerkering, waarmee het graf Jezus gevangen houdt. "En zie, er kwam een grote aardbeving, want een engel des Heren daalde uit de hemel neder en kwam nader, en hij wentelde de steen weg en zette zich daarop. Zijn uiterlijk was als een bliksem en zijn kleding wit als sneeuw. En de bewakers werden door vrees voor hem bevangen en zij werden als doden." Wel is ook hier niemand getuige van 's Heren opstanding zelve en blijft het te-niet-doen van de dood een geheimenis van de overzijde. Maar wat ons medegedeeld wordt, behoort tot de onmiddellijke begeleiding en wij lezen, hoe het hemelse geweld het graf schudt en dwingt om zijn prooi los te laten. De bewakers van het graf worden nu op hun beurt als doden.
Zo dicht brengen ons de andere evangelisten niet bij het wonder van Pasen. Bij Markus en Lukas is de steen reeds afgewenteld, als de vrouwen komen, en Johannes heeft zelfs de engel niet en toont ons alleen de indruk, die het ledige graf op Maria Magdalena en op Petrus en Johannes maakt. Daarom heb ik ditmaal aan Mattheüs de voorkeur gegeven.
Wij hebben er wel behoefte aan, Gods macht tegenover het onverbiddelijke te horen verkondigen. Hij is dat zelf niet, Hij laat zich verbidden. Zoals Jezus met de Kananese vrouw, zo laat ook de Vader zich afbrengen van zijn voornemen door een beroep op zijn hart. Wij herademen als wij lezen dat dit geen zwakheid is, maar kracht, en dat Hij de onverbiddelijke dood weet neer te slaan en onder zijn voeten te leggen. Hij is dus niet doof gebleven voor de angstroep van zijn Zoon aan het kruis: Waarom hebt Gij Mij verlaten? Laat - zo wil het ons voorkomen -, maar des te triomfantelijker is het antwoord gekomen op de paasmorgen.
De drie dagen waren lang. Zij legerden zich op het lichaam van de Heer, zoals de drie donkere uren van de namiddag van Golgotha op zijn ziel. Zij dekten het toe met een zwarte vergetelheid, langer en banger dan de verduistering op de middag. Zij wilden bewijzen, dat hij waarlijk gestorven was en het zegel zetten op zijn dood. In de kilheid van het graf duurde de verlatenheid, die bij de helse pijnen en het schroeien van de dorst aan het kruis nog vertolkt kon worden in de felle woorden van een psalm. Achter de toorn van God kon zijn liefde blijven staan; maar hoe kon Hij drie dagen lang vergeten? Kon Hij het dan ook niet voor eeuwig? En had Hij de geest niet aangenomen, die de Zoon in zijn handen bevolen had? Wie had die geest dan in handen? Kon hij, die het geweld des doods heeft, daarmee doen wat hij wilde? Elia, de dienstknecht, had, op de berg Karmel, op dezelfde dag nog, "als de middag voorbij was", het bliksemvuur van de hemel zien nederdalen. De Zoon niet alzo; het was "thans reeds de derde dag". En nog was er "gene stem en geen antwoorden". Was er geen onderscheid meer tussen de Here en Baäl en was de "God Abrahams, Izaäks en Israëls" nu op zijn beurt "in gepeins", "of had Hij wat te doen of een reis"? Had hij geen 'geesten' meer voor 'engelen', en geen 'vlammend vuur' voor 'dienaren'?
Op deze vragen antwoordt het paasevangelie. Het kwam zoals in de oude psalm:
"Toen stond God op met gunstige gedachten,
Als na 'n slaap ontwaakt met nieuwe krachten;
Ja als een held ontzaglijk in zijn gangen."19
"En zie, er kwam een grote aardbeving, want een engel des Heren daalde uit de hemel neder en kwam nader, en hij wentelde de steen weg en zette zich daarop. Zijn uiterlijk was als een bliksem en zijn kleding wit als sneeuw." Het wachten van de zoon was langer dan dat van de dienstknecht. Zoals ook zijn bidden in Gethsemané sterker geweest was dan dat van Elia op Karmel. Deze had "zijn aangezicht tussen zijn knieën gelegd" maar Jezus wierp zich "met het aangezicht ter aarde". Doch Pasen is ook veel meer dan het 'vuur des Heren', dat 'die stenen' verteerde, die aan het altaar van de profeet waren. Nu werd ook de dood verslonden, die Elia overgeslagen had, en de weggewentelde steen was slechts het uiterlijke teken. Er staat elders in de bijbel niets, wat ook maar vergeleken kan worden met die laatste hoofdstukken, waarmede de evangelisten hun verhaal eindigen. Zij zetten het Evangelie op de toon, waarop het gepredikt moet worden.
De Vader is altijd en overal de oorzaak, de oorsprong en het begin van alle dingen (art. 8 NGB.). Maar de hele bijbel door lijkt het toch dikwijls alsof Hij er lust aan heeft zich terug te trekken. Als Abraham pleit voor Sodom en de grenzen van een verhoring nadert, is Hij er plotseling niet meer. Wanneer in Israëls profetie het beeld van de Messias zijn voltooiing nadert, breekt de geschiedenis ineens af en de bijbel zwijgt honderden jaren. En als Jezus optreedt en de scharen hem volgen; als hij dan opgaat naar Jeruzalem en het Evangelie zijn ontknoping tegemoet gaat, dan is de Vader er weer niet en Jezus moet Hem vragen, waarom Hij hem verlaten heeft. Totdat de Zoon in het graf ligt. Dan blijkt weer, dat de Vader de oorzaak, de oorsprong en het begin van alle dingen is. Op de paasmorgen is Hij de eerste, de vroegste, de Schepper. Gethsemané en Golgotha zijn niet tevergeefs geweest. De prediking van zijn Koninkrijk is geen illusie.
Dit Evangelie zal ons deugd doen en op dit begin van de paasgeschiedenis, die Mattheüs op de meest directe wijze vertolkt, hebben wij te letten. Daaromheen staan vrouwen met specerijen; Petrus en Johannes, die het ledige graf inspecteren. Iets verderaf de Emmaüsgangers, die de profetieën niet begrepen hebben en Thomas, die trots is op zijn eigen twijfel. Maar Pasen zelf, dat is de Vader, die zijn Eerstgeborene uit de doden opwekt en de afgetrokkenheid, waarin Hij telkens schijnt weg te zinken, van zich afschudt. Zulk een opwaken Gods was Pasen reeds onder het Oude Testament, ofschoon daar nog slechts bij gelijkenis. Want de eerstgeborenen waren daar slechts bij gelijkenis dood, toen het bloed op de deurposten gestreken werd.
Wanneer dit Pasen is, dan moet het ons niet verwonderen, dat wij niet regelrecht getuigen van de opstanding van Jezus kunnen zijn. Men heeft zich wel eens willen wijsmaken, dat wij haar geloven, omdat wij haar beleven. Dat is een misverstand. Zelfs onder de nieuwtestamentische getuigen van de opstanding is er niemand, die haar beleefd heeft. Allen zien, om met Paulus te spreken, door een spiegel Die zijde van Pasen is bij de andere evangelisten duidelijker tot uitdrukking gekomen. Markus en Lukas beschrijven, zoals we reeds zagen, niet de nederdaling en de nadering van de engel en de opening van het graf, maar tonen ons alleen de afgewentelde steen, en de engel(en) die daar bij zit(ten). En bij Johannes gaat het verhaal omtrent het ledige graf dadelijk over in dat van Jezus' verschijningen. De werking van de Vader gaat hier schuil achter de openbaring van de Zoon. En Jezus zegt het nog eens met zoveel woorden tot Thomas, dat zalig zijn degenen die niet gezien en nochtans geloofd zullen hebben. Zo blijft het er dan bij: 'Niemand heeft ooit God gezien', ook op Pasen niet.
Het is dan ook geen wonder dat op Pasen, waar de werking van de Vader meer naar voren komt dan op enige andere plaats in het evangelie of zelfs in de hele bijbel, de menselijke zwakheid ook het duidelijkst uitkomt. Wanneer wij hier, op de achtergrond van Pinksteren, de eerste beginselen der gemeente moeten zoeken, dan blijkt ons wel hoe zwak wij zijn, en hoe sterk God is. Op het Kerstfeest zijn de herders de eerste evangelisten en zij wedijveren met de engelen om Jezus' geboorte alom bekend te maken. De Wijzen uit het oosten brengen geschenken aan. Op Pinksteren zijn Petrus en de anderen dadelijk apostelen en zij geven met grote kracht getuigenis. Niet alzo op Pasen. Hier is alles vreze, aarzeling, ongeloof, twijfel. Pas de verschijningen van Jezus, die toch niet duren kunnen en die plaats moeten maken voor de uitstorting des Heiligen Geestes, brengen de ontstelde harten weer enigermate in evenwicht, en ook dan nog niet volkomen. ⚑Zo is Pasen dan het feest, waarop wij om zo te zeggen uitgeschakeld worden. De oudtestamentische kerk is er niet meer, en de nieuwtestamentische is nog niet gekomen. De Vader is in het midden getreden en heeft een nieuw werk gedaan, als in den beginne. Israël is afgetreden en de nieuwe kerk is nog niet aangetreden. Zelfs de Zoon heeft geen vaste voet meer op de aarde. Hij kan niet anders dan verschijnen en weer verdwijnen. De profeten, de priesters en de koningen houden op. De apostelen, de evangelisten en de leraars zijn nog niet gekomen. Er is alleen maar de Vader, de oorzaak, de oorsprong en het begin van alle dingen. Het is de dag van zijn opwaken, de dag waarop Hij niet ontwijkt, maar naar voren komt; als de profetieën vervuld worden en Hij zijn woord waar maakt, zoals niemand het had kunnen denken. Nu moet men de bijbel ten tweeden male gaan lezen om te zien wat er eigenlijk staat. Nu alle mensen leugenaars geworden zijn, nu zal Hij zich bewijzen als God der waarheid en geen tittel of jota van zijn Woord zal op de aarde vallen. Nu alles uit schijnt te zijn, nu allen zijn uitgeschakeld, nu is de Here God.
Pasen schijnt in de kerk dikwijls het feest van de jubel. Dat is het ook wel, maar dan is het een ingehouden blijdschap met vreze gemengd. Bij Mattheüs, die het meest directe paasevangelie heeft, is de vreugde nog het meest aanwezig. De vrouwen gingen terstond weg van het graf, "in vreze en grote blijdschap". Het is alsof de evangelist ook op haar iets heeft overgebracht van de jubel des Vaders, die zijn Zoon opwekt. Bij Markus, die de vrouwen meer afzonderlijk beziet, lezen wij alleen van "siddering en ontzetting. En zij zeiden niemand iets, want zij waren bevreesd". En Lukas vertelt, dat de apostelen haar verhaal voor zotteklap hielden en dat zij haar niet geloofden.
Het is goed dat wij ons deze dingen herinneren. Het kerkelijk jaar, met zijn drietal feesten, zou ons van de werkelijkheid kunnen vervreemden. De kerk moet altijd weer op het Evangelie teruggezet worden, op het gebeuren zelf. Het is niet goed als wij in onze kerkdiensten leren over de werkelijke dingen heen te lopen. Het is gemakkelijk genoeg eigenmachtig de toon te verhogen, maar niemand vindt daarbij achteraf veel baat. Het is niet voldoende hier en daar een Halleluja! te plaatsen en door viering de vreugde op Pasen kunstmatig te vermeerderen. Daarmee heeft de opstanding nog niet in het leven ingegrepen.
Jezus zelf heeft ook vurig begeerd het Pascha met zijn discipelen te eten, maar Hij zei er bij: "eer ik lijd." Bij Hem was het een voorbereiding voor de vervulling. "Want ik zeg u, dat ik het niet meer eten zal, voordat het vervuld is in het koninkrijk Gods." Bij de Heer is het dus niet enkel een viering; het zijn geen vrije uren in de lijdensgeschiedenis, geen pauze op de weg naar Golgotha. Het is een wezenlijk bestanddeel daarvan en wanneer Jezus met zijn jongeren de hete in de schotel indoopt en de beker drinkt of de lofzang zingt, dan is dat een voorbereiding voor zijn dood.
Wel doemt daarachter het koninkrijk Gods op en is het ook voor Hem een uittocht zoals voor Israël uit Egypte, maar daarin schuilt geen afwijken van de lijdensweg. Eer dient het om Hem midden op die weg te houden. Want ditmaal zal voor het eerst weer het oude feest geen viering zijn in de heilsgeschiedenis; het zal de voltooiing daarvan brengen en het lam, dat geslacht werd, zal nu de Heer zelf zijn, die zijn leven zet tot een rantsoen voor velen. De viering is hier tegelijk een weg naar een meer wezenlijk Pasen; zij is een middel om van het feest tot de werkelijkheid van Gods raad terug te keren. Elke post op het feest wordt nu bezet met een figuur, die daaraan eeuwige betekenis zal geven. Iedere psalm, die er bij gezongen werd, zal zijn woorden lenen om aan de zin van die raad uitdrukking te geven en waar te worden als nooit te voren. En zo zal de weg gevonden worden naar de morgen van Mattheüs 28, waarop God zijn Zoon uitleidt uit zijn kerker om Hem te zetten aan zijn rechterhand. Daarnaar heeft de Heer "vurig begeerd". Om daartoe te geraken is Hij gewillig geweest om aan de viering zulk een diepgang te geven, dat de schaduwen restloos achterbleven en de Vader, als op de scheppingsmorgen, ontwaakte uit zijn eeuwige gedachten om weer oorzaak, oorsprong en begin te zijn van een nieuwe schepping.
Daarbij vergeleken zal nu ons Paasfeest weliswaar niet anders kunnen zijn dan een viering. Wij moeten erkennen, dat wij nergens zo zeer worden uitgeschakeld als hier. Op dit feest sprak de Vader weer als op Sinaï: "Ik ben de Here, uw God, die u ... uit het diensthuis uitgeleid heb." Hij stelde, als toen, ook zijn vierdag in, de paasdag, de zondag. Maar deze dag is toch, omdat hij de nieuwtestamentische sabbat is, minder schaduw en meer werkelijkheid. Het is niet een dag aan het einde, om te rusten als het werk gedaan is, doch aan het begin, om krachten voor het geloof en het leven te vergaderen. Hij is gericht op de realiteit van het leven; op de zes dagen van de week, die nog komen moeten. In zover is de zondag geen vakantiedag in het leven maar een werkdag bij uitnemendheid.
Er is dus tweeërlei reden waarom Pasen geen feest van enkel jubel mag zijn. In de eerste plaats staan wij bij dit grote werk van de Vader, bij dit nieuwe begin, zo vol 'vreze', ja met 'siddering' en 'ontzetting', dat gedachtenloze juichkreten ons wel in de mond zullen besterven. En ten tweede draagt dit Nieuwe Testament, in onderscheiding van de schaduwen van het Oude, te zeer het karakter van werkelijkheid, dan dat wij er niet dagelijks bij betrokken zouden zijn. Het werk van Jezus heeftjuist daarin bestaan, dat Hij zijn discipelen uit de schaduwen getrokken heeft en hen in het daglicht heeft leren wandelen. Hij heeft hen er aan gewend Gods schepping te zien, zoals die is, en uit de ellende, die zij daarbij zouden gewaar worden, niet weg te vluchten. Hij is zelf dwars door die ellende tot de Vader doorgebroken en heeft hen, toen zij rondom Hem stonden op de Olijfberg, bij zijn hemelvaart, daarin teruggezonden.
Op deze weg zijn zij allen aan Hem geërgerd geworden. Petrus heeft Hem verloochend; Judas Hem verraden. Na de paasmorgen heeft de Heer hen één voor één bijeen moeten brengen. Maar de weg en de richting zijn dezelfde gebleven. Hoe moeilijk het ook is en hoezeer zij aanvankelijk weinig anders kunnen doen dan vrezen en sidderen, dan zullen zij toch, wanneer zij als christenen de zalving van Christus deelachtig willen worden, met de realiteit en de ellende dezer wereld in aanraking moeten blijven. Zij zullen zijn Naam hebben te belijden, zichzelf tot een levend dankoffer Hem offeren en met een vrij en goed geweten in dit leven tegen de zonde en de duivel hebben te strijden. Dan zullen zij ook op hun beurt de Vader als oorzaak, oorsprong en begin van alle dingen achter zich weten en zij zullen hiernamaals in eeuwigheid met Christus regeren.
Zo heeft Paulus het paasevangelie ook opgevat. Hem is het te doen om de gerechtigheid "welke uit God is ... om Hem te kennen en de kracht zijner opstanding en de gemeenschap aan zijn lijden, of ik, met Hem in de dood gelijkvormig wordende, zou mogen komen tot de opstanding uit de doden" (Fil. 3). De apostel wist wel, dat wij op Pasen zijn uitgeschakeld. Hij vermaant de gemeente te Filippi, de eerste in Europa: "Blijft.. . uw behoudenis bewerken in vreze en beven, want God is het die om zijn welbehagen zowel het willen als het werken in u werkt" (Fil. 2). Maar juist daarom staat hij op de gelijkvormigheid tussen Gods werk voor ons en Gods werk in ons. Bij beide gaat het om een verdwijnen van de schaduwen en om de openbaring van de genade en de waarheid des Vaders in verband met de realiteiten des levens en de noden der wereld.
Dat dit geen gemakkelijke roeping is, blijkt uit ons tekstverhaal genoegzaam. Het eerste wat de geweldige engel tot de vrouwen zegt, is dit: "Weest gij niet bevreesd; want ik weet dat gij Jezus zoekt, de gekruisigde. Hij is hier niet, want Hij is opgewekt, gelijk Hij gezegd heeft; komt, ziet de plaats waar Hij gelegen heeft. En gaat terstond op weg, en zegt zijn discipelen, dat Hij is opgestaan van de doden. En zie, Hij gaat u voor naar Galilea; daar zult gij Hem zien. Zie, ik heb het u gezegd."
Zoals telkens in de opstandingsverhalen, zo staat ook hier eerst een vermaning om niet bevreesd te zijn. Op Pasen moet dit wel zo zijn. Mensen zijn, zegt de bijbel, gedurende hun ganse leven, door angst voor de dood, tot slavernij gedoemd (Hebr. 2 : 15). Het zal wel moeilijk zijn dit te ontkennen. Het is een van die felle bijbelwoorden, waarop het antwoord als vanzelf uitblijft. De hele bijbel door is het eerste, wat hemelingen opvalt, de aanwezigheid van deze vrees. En hun eerste zorg is, deze vrees te verminderen.
Dat zij er op uit zijn de vrees in iedere vorm te bannen, zou ik niet durven zeggen. De gezindheid tegenover God, die in de bijbel wordt aanbevolen, heet toch ook de vreze des Heren. Pasen moet gekenmerkt blijven door een heilige schroom, een stemming die bijzonder past bij de vroege morgen, de prille uren, waarin het zijn oorsprong nam. Hier is een nuchterheid des geestes, een afwezigheid van de frivoliteit des levens verder-op-de-dag, een geschiktheid om te bidden, terwijl men nog bezig is te vasten. En het zijn deze uren, die de Vader heeft uitgekozen om zijn Zoon op te wekken. - Dan naderen langzamerhand van alle kanten degenen, die Jezus de gekruisigde zoeken. En door alle verhalen uit die laatste hoofdstukken van de evangeliën, hetzij het de vrouwen geldt of Petrus en Johannes of de Emmaüsgangers of de andere discipelen, overal heerst de kinderlijke bevangenheid, dat kijken met ontzag, dat een van de blijvende bestanddelen van de paasvreze moet blijven en daarmee van het gehele christelijk geloofsleven. - Het is niet zonder meer vanzelfsprekend, dat Jezus uit de doden is opgewekt. Het moge dan bij de profeten geschreven staan, de lijdensgeschiedenis had het bewezen, hoeveel angsten en smarten het kosten moest, om de weg van die oude teksten te gaan en ze te dwingen waar te worden. Deze weg had buiten het gezichtsveld van de discipelen gelegen en nu zij aan het einde staan en de uitkomst zien, nu is het voor hen allereerst een oorzaak van vreemde verwondering. De afstand tussen hun eigen wegvluchtend bestaan en het neder- en naderkomende werk Gods was zo groot, dat een gewoon verkeer voorlopig niet mogelijk was. De woorden die de jongeren in, de opstandingsverhalen spreken, dragen meer het karakter van tussenwerpsels dan van gewone zinsdelen. Voor hun stotterend spreken weer tot een gebonden rede zal kunnen worden, moet eerst de Heilige Geest komen om de afstand tussen Gods komen en hun vluchten te overbruggen. En het eerste waarover hun tong dan loskomt, is juist de opstanding. Het paasevangelie moet eerst overgezet worden in onze eigen taal. Het moet gepredikt kunnen worden, gehoord, geloofd. Pasen is weinig geschikt om gezien te worden.
Maar ook dan gaat die heilige schroom, dat bevangen zien van de paasmorgen, niet geheel verloren. Wij zullen dat weliswaar niet vast moeten houden door achter Pinksteren de verwonderde houding der discipelen terug te zoeken voor ons zelf. Maar in de heiligheid van de Pinkstergeest, in de afstand tussen de Vader en tussen ons, die door de bemiddeling van de Trooster in onze harten geschapen wordt, blijft de goede vreze van de paasmorgen bewaard.
De kwade vrees echter, het bang zijn voor het werken Gods, moet worden bestreden. Moge de jubel van het kerkelijk feest onder de tucht der nieuwtestamentische bedeling al versoberd worden tot de nuchtere aanpassing aan de morgen des Vaders, midden in de werkelijkheid en de ellende van deze wereld, toch zal de liefde, die de vrouwen en de discipelen op de paasmorgen aandrijft om Jezus, de gekruisigde te zoeken, ook in ons moeten werken om de vrees uit te drijven. Die liefde van Christus zegt ons dat de onverbiddelijke dood onze koning niet kan zijn. Het is een koning der verschrikking, die ons hart niet erkent. Wij zullen moeten inzien, dat wij de verkeerde kant uit vluchten, als wij bang zijn voor het geweld van God, wanneer Hij bezig is alle dingen weder op te richten. Het is waar dat Hij beide, ziel en lichaam, kan doden en verderven in de hel, maar Pasen zegt ons juist, dat Hij geen lust heeft in de dood des zondaars, maar daarin dat hij zich bekere en leve! Voor ons is het wel niet gemakkelijk de angst voor God te overwinnen. De stille ordelijkheid van het graf, waar niemand van zijn plaats komt, is ons bijwijlen liever dan de onzekerheid van de opstanding. De dode Jezus kan men terugvinden. Men kan iets voor hem doen en specerijen kopen. Hoe onze liefde werkzaam moet zijn als zijn plaats ledig is, weten wij minder zeker. Het graf is zo klein en gemakkelijk te overzien; de wereld is zo groot en de Heer is zo 'ontzaglijk in zijn gangen'. Waar zullen wij onze liefde moeten plaatsen om Hem bij te houden? Pasen wil ons helpen deze vrees te overwinnen. Ook de ledige plaats moet dienen om het geloof in zijn opstanding te wekken en de vrees te verdrijven. Het is Gods eerste argument; de engel wijst de vrouwen, waar Jezus gelegen heeft. Dit kunnen zij alreeds vaststellen, dat de onverbiddelijke orde van de dood verstoord is. Hoe het dan ook verder moge zijn, er is plaats gekomen voor de kans, dat God is opgestaan 'met gunstige gedachten'. Iedere verandering bergt de mogelijkheid, dat de Vader zijn Koninkrijk naderbij brengt.
Het tweede middel, dat de engel gebruikt om de vrouwen tot rust te brengen is, dat hij haar een opdracht geeft. Zij moeten niet bij het graf blijven staan, dat zou tot niets nut zijn. Zij moeten terstond weggaan en het aan Jezus' discipelen zeggen. Zo zijn deze vrouwen de eerste evangelisten geworden en hoewel de Heilige Geest nog niet gekomen is en de eigenlijke prediking van de opstanding nog niet kan beginnen, moeten zij toch reeds voorbereidend werk doen en in de paasgemeente werkzaam zijn. Wanneer zij daar mee bezig zijn en terwijl zij de Heer dienen, zal haar vrees minder worden en haar liefde tot Jezus zal van het graf afgetrokken worden om zich op het leven te richten.
Deze omzetting van de aandacht zal vaak een krachtig middel blijken, om ons leven in de richting van de gelijkvormigheid met Christus' dood en opstanding te brengen, waarover wij Paulus horen spreken. Wanneer Jezus het graf verlaten heeft, dan is toch het minste, wat de vrouwen kunnen doen, dat zij er niet bij blijven staan. Daarin kunnen zij toch Jezus volgen, hoe gering die prestatie ook moge zijn op de morgen, waarop de kluisters van het graf verbroken werden. Jezus zou haar voorgaan naar Galilea; zij kunnen toch ook die weg inslaan, in de hoop Hem daar te ontmoeten. Wie zulke aanwijzingen volgt, zal de zegen daarvan ondervinden. Het zijn wel niet allen Paulussen, die met de rug naar Christus' graf, zijn toekomst tegemoet gaan en die Pasen als het einddoel van hun leven hebben gesteld. Maar, dat de dood zijn prikkel verloren heeft en de hel haar overwinning, daarvan zullen zij toch iets leren verstaan met de apostel. Iedere dienst die zij verrichten in Christus, 'die ons leven is', zal iets wegnemen van de werkingen van de angst voor de dood, waardoor zij 'tot slavernij gedoemd zijn'. Wie in Christus is, die is 'een nieuw schepsel', en dit schepsel is 'tot vrijheid geroepen'. Pasen is het feest op de scheidslijn tussen dood en leven, slavernij en vrijheid. Iedere stap, die wij doen in de zin van het paasevangelie, brengt ons iets dichter bij de ontmoeting met de opgestane Heer. En iedere dienst, hoe klein ook, die wij vervullen in het verband van Christus' lichaam, brengt ons iets van de vrijheid der kinderen Gods.
De vrouwen hebben zich daarnaar gedragen en hebben de raad van de engel opgevolgd. "En zij gingen terstond weg van het graf, in vreze en grote blijdschap, en liepen haastig voort om het zijn discipelen te berichten. En zie, Jezus kwam haar tegemoet en zeide: 'Weest gegroet.' Zij naderden Hem en grepen zijn voeten en zij aanbaden Hem. Toen zeide Jezus tot haar: 'Weest niet bevreesd. Gaat heen en bericht mijn broederen dat zij naar Galilea gaan, en daar zullen zij mij zien."'
Dit is het derde deel van Mattheüs' verhaal, waarin ons de verschijning aan de vrouwen, die nergens elders staat, wordt medegedeeld. Daarin is, als in een notedop, ons de hele toekomst der kerk gegeven. Pasen predikt ons, dat de gemeente haar Heer zal ontmoeten, als zij zich de voeten laat schoeien met 'de bereidvaardigheid van het evangelie des vredes'. Wie zich begeeft op de weg van de dood naar het leven, van de onverbiddelijke naar Hem, die het gebed hoort, zal niet beschaamd worden. Het zal niet blijven bij de kleine diensten die van discipel tot discipel worden verricht, het zal geen Pasen blijven, maar het zal Pinksteren worden, zodat alle volkeren zullen horen. De weg zal niet alleen tot Galilea gaan, maar tot aan de einden der aarde. En dan zal het ook niet altijd Pinksteren blijven; de paasboodschap, die ieder in zijn eigen taal zal horen, en die door het geloof moet worden aangenomen, zal worden vervuld in de aanschouwing. De Heer zal wederkomen en de ring van Pasen zal zich sluiten. Dit alles ligt opgesloten in het paasevangelie naar Mattheüs. En zo geven deze verzen niet alleen de meest directe beschrijving van de opstanding, maar zij zijn ook de meest omvattende. De bliksem, die de steen van het graf wegwentelt, verlicht ook een ogenblik de wereldeinders en wij zien Christus komende op de wolken des hemels.
Wat wij daarvan in de tekst lezen, is zeer gemengd van inhoud. Aan de ene kant blijft alles bijna gelijk. De vrouwen zijn wel teruggekeerd van het graf en zij hebben opgehouden het te bezien. Maar haar vrees duurt nog; wij lezen er nog tweemaal van in deze verzen. Alleen de richting van haar pad is veranderd, zij zelf schijnen nog bijkans dezelfden gebleven te zijn. Zij zijn mensen van vlees en bloed en het geweld van de gebeurtenissen is haar te machtig. Wel spreekt Mattheüs - hij alleen - ook van 'grote blijdschap', maar, zoals ik vroeger reeds opmerkte, het schijnt meer een aan de Vader toebehorende en in haar nog gedoken blijdschap te zijn. Ze durven het nog zo weinig.
Het bijwonen van een nieuwe schepping gaat boven het vermogen van een zondig mens. En de afstand tussen Schepper en schepsel zou ook blijven, al was er geen zonde. De hele houding van alle discipelen, vóór Pinksteren, draagt daarvan het kenmerk. Zij maken de indruk van mensen, die niets te doen hebben. Het is of zij de Vader alleen maar in de weg staan. De kleine diensten, die zij verrichten, komen niet uit boven een heen-en-weer lopen in afwachting van wat er volgen zal. Bij het directe ingrijpen Gods zijn alle gewone verhoudingen verstoord en men weet niet hoe men God - indien het al mogelijk ware - zou kunnen helpen. Pasen laat ons getuigen zijn van dit tot een minimum teruggebrachte werken van Gods kinderen. Hun haast blijkt soms al even weinig doel te hebben als hun traagheid.
Wij zien dat laatste bij Mattheüs. De vrouwen lopen weg van het graf, "haastig om het zijn discipelen te berichten". Deze haast komt echter plotseling tot stilstand. Pasen zelf gaat voort, onafhankelijk van het werk, dat zij er aan doen, en zij komen de gang van het werk Gods tegen in een verder stadium dan toen zij eerst tot het graf kwamen. Plotseling kwam Jezus haar tegemoet. Hij zou haar ook ontmoet hebben, als zij minder snel gelopen hadden.
Intussen blijft er wel een verhouding tussen de haast der vrouwen en het komen van Jezus. Er is weer wat Paulus gelijkvormigheid noemt. Een eigenlijke oorzaak voor Jezus' komst is het niet. De Vader is altijd en allermeest op Pasen de oorzaak, de oorsprong en het begin van alle dingen. Haar haast is, wat ik zou willen noemen, geleende haast, zoals haar blijdschap een glans is die Pasen, het blijde werk des Vaders, op haar eigen vreze werpt. Zij kunnen niet anders dan met bereide voeten lopen. Zij zijn figuren geworden, die op de morgen der opstanding thuis horen; zij zijn leden van het lichaam van Christus en wat in het Hoofd is, dat werkt ook in de lidmaten.
Deze verhouding heet genade. Het is de meest gezegende betrekking die op aarde denkbaar is. Zij komt tot uitdrukking in het 'Weest gegroet', waarmee Jezus haar tegemoet treedt. Daarmee wordt in de bijbel de begenadigde aangesproken. Het is de blijde en vriendelijke uitroep gebleven, waarmee men elkaar op de paasmorgen tegemoet treedt. Hier, bij Mattheüs, heeft het zijn hoogste betekenis; het is de uitdrukking voor de vrede in het Godsrijk, de samenstemming tussen Hoofd en leden, de gelijkvormigheid. Maar, zoals de blijdschap en de haast op de paasmorgen geen eigen, maar verkregen goed zijn, waaronder de siddering en de ontzetting bedekt worden, zo gaat het ook hier: in de groet komt de gave der genade tot de vrouwen.
Dat blijkt ook ten duidelijkste uit haar antwoord. Het is geen wedergroet, die wij vinden opgetekend. Dat zou in dit geval een onheilige handeling geweest zijn. "Zij naderden Hem en grepen zijn voeten en zij aanbaden Hem."
De aanbidding van Jezus behoort in de evangeliën bij het begin en bij het einde. De herders en de koningen hebben het kindeke aangebeden. De vrouwen en de discipelen de opgestane Heer. Daar tussenin gaat zijn heerlijkheid schuil in zijn dienstknechtsgestalte. Een enkele maal wordt dan de grens genaderd, maar nauwelijks overschreden. Pasen echter predikt ons, dat Christus naar zijn Godheid, majesteit, genade en Geest nimmermeer van ons wijkt. Hij is de vernederde, de vernietigde; de dienstknecht, de lijder; Hij is de overgeleverde, de geslagene; de bespotte en gehoonde. Maar onder dat alles en om dat alles is Hij de Heer en daarom is Hij opgewekt en heeft God Hem 'de naam boven alle naam geschonken'.