Het einde der wet
Van alles wat gehoord is, is het einde van de zaak: Vreest God en houdt zijn geboden, want dit betaamt alle mensen.
Prediker 12 : 13 (St.V.)
In het boek Prediker gaat het Oude Testament ter ruste. Het is misschien het jongste van alle boeken daarvan. Maar zo bedoel ik het toch eigenlijk niet als ik zeg dat het ter ruste gaat. Ik wil er mee zeggen, dat in dit boek niet meer is de volle majesteit van de wet, die op Sinaï gegeven werd en ook niet de verhevenheid van de profetieën van een Jesaja en Jeremia. Als men dit boek leest wordt men blij, dat wij een Nieuw Testament hebben en dat het Oude niet steeds ouder geworden is.
Er is een ledige ruimte tussen de ene en de andere helft van de bijbel. Met Prediker houdt de ene op en met de evangeliën begint de andere weer. En het eerste stuk van de bijbel gaat niet in het andere over. Zoals ons aardse leven niet zomaar overgaat in het toekomende leven. Het Oude Testament sterft uit, gaat uit, en als God niet een Nieuw Testament had ingesteld, zou er geen evangelie geweest zijn om te prediken en te geloven.
De Prediker geeft op z'n eigen manier getuigenis aan Jezus Christus. Niet op de manier van Abraham, die de belofte van God uit de sterren afleest en in het offeren van z'n zoon een schaduw laat zien van Golgotha. Ook niet op de wijze van Mozes, die over de rand der wereld in het hemelse Kanaän kijkt. Of van Jesaja, die de gemeenschap der heiligen mee viert voor de troon van God in een gezicht. De Prediker getuigt van Christus door z'n twijfelmoedigheid. Hij predikt, dat Christus moet komen en dat anders het grootste geloof, het wijdste uitzicht en het diepste inzicht ophouden. In het boek Prediker zijn zij er nog wel. Vreest God en houd zijn geboden, dat is de wet en de profeten, Mozes en Elia. Maar wij zien er het einde van de zaak. En als het Oude Testament al maar ouder geworden was, dan hadden ze opgehouden te bestaan. Dat is het getuigenis, dat dit boek aan Jezus Christus en het Nieuwe Testament geeft, juist door z'n twijfelmoedigheid.
De Prediker heeft lang en scherp in de wereld en onder de mensen rondgekeken. Zijn wijsheid is, dat het allemaal niet veel is en niet veel geeft. Het is ijdelheid der ijdelheden. Het blinkt wat en het schijnt wat; maar als het over de zeef der eeuwigheid gegoten wordt, dan blijft er niets liggen. Ja, toch één ding blijft er liggen; de vreze Gods en het houden van zijn geboden. Daar liggen nu de wet en de profeten. Bijna waren ze ook mee door de zeef gegaan. Dan was alles, alles ijdelheid geweest. Gelukkig zijn ze er nog als het Oude Testament gaat zwijgen tot Christus komt. Maar hoe zijn ze ineengekrompen, het geloof van Abraham en het zien van Mozes en de mystiek van Jesaja. Hier zijn ze een bezinksel van het leven geworden; een laatste rest van iets goeds bij alle kwaad dat er in de wereld is; een korreltje eeuwigheid in de ijdelheid der vergankelijkheid van alle dingen. Hier zijn ze het einde van de zaak. Straks is ook dat uit en dan is alles uit.
"In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God." - Zo begint het evangelie. Dat is het Nieuwe Testament. Dat is de inhoud van de prediking. Daar horen we ineens niet meer het einde van de zaak maar het begin. Dat hebben wij nodig.
Hoe sterk moet de ontgoocheling der wereld zijn, de draaikolk van de twijfel in het leven, als wij bedenken, dat de bijbelheiligen van het Oude Testament in het boek Prediker op Petrus gelijken, toen hij met Jezus op de zee probeerde te wandelen. Zij zijn in de golven verzonken en het laatste wat wij van hen horen, het einde van de zaak, is, dat het toch nog het veiligste is God te vrezen en zijn geboden te houden. Het is of we hen de handen naar Jezus zien uitsteken en roepen: Heer, help ons, wij vergaan.
Wanneer dit aan het groene hout geschiedt, wat zal aan het dorre geschieden? Als dit de gang is in de heilige orde van het verbond Gods, wat zal daarbuiten gebeuren? IJdelheid, twijfel, wankelmoedigheid, ongeloof worden geboren uit 's levens loop. Als het geloof en de profetie zich niet kunnen handhaven buiten Christus, als zelfs het Oude Testament oud wordt, wat zal dan wel plaats hebben met de wereld daarbuiten? ⚑Hoe heerlijk is de klank van dat woord nieuw in het Nieuwe Testament. Hier is alles begin en geen einde. Hier is de wereld geen stof voor de twijfel, geen reden tot ongeloof, geen ijdelheid meer, maar wordt alles gebouwd op het fundament van apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus de uiterste hoeksteen is.