Johannes en Jezus
Mattheüs 11 : 2-6
Johannes en Jezus behoren op zeer bijzondere wijze bijeen. Mozes en Christus, dat is de hele bijbel. Jezus en Paulus, zo kan het Nieuwe Testament heten. Johannes en Jezus, dat zouden wij als titel boven de evangeliën kunnen zetten. Daar staat niemand naast Jezus, dan alleen de Doper.
Samen staan zij tegenover wet en profeten. Hoor maar de spreuk van Jezus:
"De wet en de profeten zijn tot op Johannes, ⚑van die tijd af wordt het koninkrijk Gods verkondigd."
Samen vullen zij het geweldige tijdsgewricht van het Koninkrijk der hemelen. Jezus noemt dat:
"De dagen van Johannes de Doper tot nu toe."
Samen zijn ze meer dan de profetie; zij zijn inhoud daarvan. Jezus zegt van zichzelf:
"Meer dan Salomo is hier."
en van Johannes:
"Veel meer dan een profeet." ⚑Beiden houden hun uitgang uit de profetie als bovennatuurlijke gestalten, op de laatste bladzijden van het Oude Testament: de engel en de Heer. En beiden worden door bovennatuurlijke geboorte ingeleid in het Evangelie, op de eerste bladzijden van het Nieuwe Testament.
Deze saamhorigheid, ik zei bijna: deze tweeëenheid, maakt de perikoop, die ik boven deze overdenking aangaf, buitengewoon belangwekkend. Want dit is de enige plaats, waar wij de voorloper en 'degene die komen zou' tegenover elkaar zien. Welk een motief is daarmee gegeven! Een gedachte, die wij ons nauwelijks durven realiseren. Hoe op deze eenzame geesteshoogte Johannes zich half tegen Jezus keert.
De verleiding is groot, om ons de psychologische zijde van het geval in te denken. Welk een stof voor de verbeelding, als we ons Johannes voorstellen, met het oor aan zijn kerkermuren, met ingehouden adem luisterende naar de voortgang van het bovennatuurlijk gebeuren, de storm des Geestes, waarin hij zelf gestaan heeft en die thans een andere toon schijnt aan te nemen dan voor zijn gevangenneming. Dan dringt zich aan ons op een vergelijking met zijn profetische naamgenoot Elia op Horeb, wiens oor eveneens beter was ingesteld op het waarnemen van aardbeving en storm dan van een zachte stilte; meer op het catastrofale dan op het geestelijke. De vrees bekruipt ons, dat de ziel van Johannes, in de gedwongen ontspanning der gevangenschap, niet meer gestemd is op de zuiverheid van de grote momenten in zijn leven en dat ook hem heeft achterhaald het noodlot veler grote figuren, dat het hoogtepunt niet samenvalt met het einde. Daartegenover staat dan Jezus in de volle ontplooiing zijner ambtsbediening en het volkomen evenwicht zijner goddelijke krachten. En tot Hem, op dat hoogtepunt, richt Johannes, die samen met Hem voorwerp is der profetie, de enige, die naast Hem staat in de evangeliën, zijn twijfelmoedige vraag. Hier schijnt de profetie gedeeld; het Evangelie gescheurd; de grond van het Koninkrijk der hemelen gebarsten.
Ik herhaal: de verleiding is groot om deze zijde van onze perikoop te belichten. De nieuwere uitleggers wijzen bijna zonder uitzondering in deze richting en hebben van Johannes' twijfel gesproken. De ouderen hebben dat niet gedaan en gemeend, dat de Doper de vraag slechts stelt ter wille van zijn discipelen, om hen nog eens naar Jezus te leiden.27 De eersten hebben schijnbaar tegenover de tekst gelijk. De laatsten komen, niettegenstaande hun fout, toch dichter bij de strekking van het verhaal. Er is in Mattheüs 11, ten opzichte van de verhouding van Johannes en Jezus, een verheven rust. En wij mogen die niet verstoren door met onze romantiek in het hart van het Evangelie te dringen. Het verhaal leidt niet van Jezus naar Johannes' kerker, maar van Johannes naar Jezus. Hier is niet de kerkerlucht van het zielsgebeuren, het psychologisch geval, maar de berglucht van het leven des Geestes. Hoe zuiver, hoe subliem is die beoordeling van Johannes door Jezus, die op ons verhaal volgt. En hoe objectief is daar Jezus' beschouwing van die gestalte naast Hem, prediker van het Koninkrijk der hemelen als Hij zelf, meer dan de profeten evenals Hij, ambtgenoot in de hoogste zin des woords. Terwijl Johannes die korte, gevaarlijke vraag stelt, die, publiek uitgesproken, Jezus' betekenis voor het Godsrijk in de waagschaal stelt en de mogelijkheid oppert, dat Hij na Johannes, de Elia-redivivus, een andere Elisa, een mindere zou kunnen zijn, heeft Jezus, dadelijk daarop, in zijn heerlijke Johannes-rede, de ware betekenis van de Doper voor altijd vastgesteld en hem met zichzelf tezamen gevoegd, zoals twee sterren, onveranderlijk, in één beeld, aan het firmament.
Zo wordt het psychologische, waarin onze tijd zo grote neiging heeft zich te verdiepen, opgeheven in de sfeer des Geestes. Wij worden voortgeleid van de ziel tot de Geest, van Johannes tot Christus, van de engel tot de Heer, aan wie hij zijn licht ontleent.
Daar wordt het troebele van het psychologisch geval opgeklaard en zien we Johannes en Jezus in eeuwige constellatie. Zoals ze samen zijn voortgekomen uit de profetie, zo zien wij hen voortaan in blijvende verhouding. Zoals Maria en Martha in de middeleeuwen in de structuur van het geestesleven hun vaste plaats hadden als het beschouwende en het praktische element, zo Johannes en Jezus in het Koninkrijk der hemelen.
Hoe is die verhouding? Jezus' antwoord aan Johannes geeft het ons aan. Oppervlakkig gezien lijkt dat antwoord geschikt om Johannes te imponeren. Zal het feit, dat de blinden ziende worden, ja zelfs doden opgewekt, Johannes niet overtuigen, dat het geweld van het Koninkrijk der hemelen is toegenomen na zijn aftreden van het toneel? Jezus wijst zelf aan, dat Hij dit niet verwacht. Althans, Hij duidt op het gevaar voor ergernis, dat zijn antwoord meebrengt:
"Zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden."
Van de twee trappen des Geestes, waarop Johannes en Jezus staan, ligt de laatste dieper dan de eerste. De orde der volmaakte liefde ligt lager dan elke andere. Zij is de ware sfeer der ergernissen. Haar heerlijkheid is uit geen enkel hoger gelegen terrein te zien. Maar zij zelve is vrij van elke ergernis. Johannes kan zich ergeren aan Jezus. Maar Jezus ziet Johannes in heerlijke objectiviteit.
In deze orde is Jezus werkzaam. Johannes lijkt nog een wereldhervormer. Hij doopt sociale groepen: soldaten, tollenaars. Hij leeft in bewegingen voor een beschaafde oorlogvoering en zedelijke volkspolitiek. Er is gang, rumoer, geweld in zijn werk. Hij verschijnt tenslotte aan het koninklijk hof. - Jezus werkt in de stille gelederen der blinden, kreupelen, doven en eindelijk in de nog stillere wijk der doden. Deze groepen liggen geheel van de wereld af, zoals melaatsen buiten de stad.
Daar hoort men de 'zachte stilte' van het Evangelie.