O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Het einde der wetZondaar en bedelaarVom Himmel hoch ... →

Verzamelde Werken, deel 8 · Zondaar en bedelaar · p. 55–56

Gojim

Psalm 2

Psalm 2 geeft ons geen idylle zoals sommige andere onder de zgn. Messiaanse psalmen en profetieën. Hij schijnt slecht te passen bij het kerstverhaal uit Lukas 2 met zijn engelen en herders. Wij staan hier niet onder een nachthemel met maanlicht en schapewolkjes. Het is een onweerslucht, zo donker en zwart als men zich maar denken kan. De Hebreeuwse tekst laat ons in vers 5 zelfs donder en bliksem horen. Is dat nu een adventslied, waarvoor het toch vaak gebruikt wordt?

Wanneer wij altijd Kerstfeest willen blijven vieren, zullen wij er aan moeten wennen, het ook van deze kant te benaderen. Liever zouden wij 't doen, gedragen door de heerlijke woorden van Jesaja 11: "De wolf zal met het lam verkeren en de luipaard bij de geitebok nederliggen; en het kalf en de jonge leeuw en het mestvee te zamen, en een klein jongsken zal ze drijven." Maar het andere is veel dichter bij ons en wij hebben het gevoel dat we er eerst doorheen moeten om het gezicht op het visioen van Juda's grote profeet vrij te krijgen. Wij hebben geen keus en zijn al blij dat Kerstmis ook nu weer aanbreekt, in het jaar van de weergaloze volkerenverwarring.

Welke volkeren in onze psalm bedoeld worden, is uit de aard der zaak moeilijk te zeggen. Het hangt af van de tijd waarin men hem plaatst. Maar in ieder geval is het toneel, waarop dit koorgezang weerklonken heeft, kleiner geweest dan dat, waarop wij staan. Wij hebben de einden der aarde in 't gezicht gekregen en kennen de omtrekken, waarbinnen het drama der geschiedenis moet worden afgespeeld. Daardoor krijgt de psalm voor ons iets absoluuts. Wij lezen hem, of wij willen of niet, nieuwtestamentisch en vertalen hem in de spraak van Paulus. Wat heeft die apostel een kijk op de wereld gehad, als hij toen al wist, dat 'de middelmuren des afscheidsels gebroken' waren en dat alle dingen aan Christus' voeten onderworpen zijn.

Wat dat inhoudt, beseffen wij nog nauwelijks. Wij spreken nog graag van uitbreiding van het koninkrijk Gods en bedoelen daarmee dan een verbreding der christenheid. En wij zien nog niet duidelijk dat we juist in een tijdsgewricht staan, waarin de uitwendige zending bezig is over te gaan in de inwendige. Jezus heeft het overigens wel gezegd: "Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld." En Paulus als hij schrijft: "De laatste vijand die te niet gedaan wordt, is de dood."

De Joden hebben de psalm sterk horizontaal gelezen. Ik kijk nog eens even in die prachtige Hebreeuwse tekst en ik zie op de eerste regel het woord gojim staan. "Waarom woeden de gojim?" Wat heeft de Jood, die in Jezus niet geloofde en Paulus niet las, in dat woord later een haat en verachting gelegd! En welk een verbittering spreekt er uit het wederwoord, als men de Joden de natie noemt. Natie - dat is geboorte buiten de incarnatie, de geboorte van Christus, om.

Wij kunnen de psalm zo niet meer lezen. Hij kan niet meer dienen voor uitwendig gebruik. Er zijn geen gojim meer. De psalm is naar binnen geslagen en men weet dat de toestand daardoor altijd erger wordt. Wij moeten nu lezen: Waarom woeden de christenen en bedenken de kerken ijdelheid? En het woord natie kunnen wij niet meer voor de Jood reserveren. Het vreet aan onze volkskracht, aan onze bestaansmogelijkheid, aan onze zaligheid. Wij moeten ons afvragen of er een volksleven mogelijk is zonder adventsverlangen; of er een staat kan zijn die niet tegelijk kerk is.

Zo wordt deze psalm voor ons steeds meer absoluut. Alles wordt er in betrokken. Advent is geen zaak van één volk, maar van de hele wereld. Het is geen kerkelijk spelletje, maar bittere werkelijkheid. Steeds dieper graaft het oude lied zich in het leven in.

Maar één ding blijft gelijk. En dat is de rust van vers 7: "Ik zal van het besluit verhalen." Het Evangelie, dat klinkt over 't rumoeren der volkeren. En de eigenlijke situatie blijft toch ook dezelfde. De laatste der gojim leeft nog aan gene zijde van de grens. Hij zal geen christen worden. Het is de dood, de laatste vijand die te niet gedaan zal worden. En de Zoon, dat is het Kind in de kribbe, de lach Gods over deze wereld. Ieder kind in de wieg is zulk een lach Gods, die de dood schijnt te bespotten. Maar wij weten dat het nog de echte, van Psalm 2, niet is. Natie is niet genoeg. Incarnatie moet het zijn.

Aangrijpend is 't slot van de psalm: "Nu dan, gij koningen, handelt verstandiglijk, laat u tuchtigen, gij richters der aarde. Dient de Here met vreze en verheugt u met beving. Kust de Zoon, opdat hij niet toome en gij op de weg vergaat, wanneer zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zij allen die op Hem betrouwen."

Het is als tot onze tijd gesproken.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Het einde der wetZondaar en bedelaarVom Himmel hoch ... →