De Wijzen uit het oosten
Mattheüs 2 : 1-11
De geschiedenis van de Wijzen uit het oosten is een heel aparte bladzijde uit de evangeliën. Die schriften blijven anders binnen het raam van het Joodse volk. Keizer Augustus en Pontius Pilatus komen er wel in voor, maar aan de buitenkant. Met het hart van het Evangelie staan ze niet in verband. De hoofdman van Kapernaüm en de Kananese vrouw worden als voorbeelden van een groot geloof wel tegenover de Joden gesteld, maar zij staan toch zeer dicht bij hen. Alleen de Wijzen uit het oosten worden als meteoren even zichtbaar, om daarna spoorloos weer te verdwijnen. Ze zijn vertegenwoordigers van een geheel andere wereld; afgezanten van onbekende miljoenen, die toch vertegenwoordigd willen zijn bij de kribbe des Heren.
Alles is raadselachtig aan deze mannen. Het land vanwaar zij kwamen, hun aantal, hun namen; van dat alles weten we niets. Wel stellen wij ons 't liefst een drietal voor, in aansluiting aan de overlevering, maar goede grond voor die veronderstelling hebben wij niet.
Wat wij van de ster te denken hebben? De beste uitlegger zal ons daarover wel niet veel zekers kunnen zeggen. Zij hoort bij de geschiedenis en werpt een lichtstraal in onze donkere wereld, maar zij spreekt meer tot ons gevoel en onze verbeelding dan tot ons verstand. Dat wij alles ook zo precies willen weten! Zouden wij soms niet te droog en te nuchter zijn om sommige bladzijden van de bijbel goed te lezen?
De hele geschiedenis is raadselachtig. Maar met dat alles is het een heerlijke bladzijde in het begin van het Evangelie van Jezus Christus. Zij staan daar toch maar, die mannen van verre, die geen Joden zijn en toch bij Bethlehems kribbe knielen. Met de engelen en de herders zijn ook zij getuigen van Christus' geboorte. Ze komen uit de donkerheid, waarin de heidenen zoeken en tasten of zij God mochten kunnen vinden. Hoe komen ze hier in het heldere licht van de openbaring?
Achter de geschiedenis van het Joodse volk is een diepe en donkere achtergrond. Daar woeien en woeden de heidenen. Hun rumoeren horen wij in de geschiedenis der koningen Israëls. Babel en Assur en Egypte, en daarachter onbekende namen van onbekende volkeren, waarvan slechts de naam en soms een geringe konde tot Israël is doorgedrongen.
Toch luisteren Israëls profeten. Zij stellen belang in het getuimel der volkeren, die door een geheimzinnige drang zich op elkander storten en geen rust kunnen vinden. Zij zijn gezanten van die God, wiens ogen de ganse aarde doorlopen; zij hebben een wijde en ruime blik. Waar dringen die volkeren heen, die over elkaar heen tuimelen? Het is de drang naar het licht, die hen geen rust laat (Jes. 60). God roept hen uit de duisternis tot zijn wonderbaar licht. Zelf verstaan ze het niet. Maar Israëls zieners weten het.
Op geheimzinnige wijze zijn de eerstelingen der heidenen tot Bethlehems stal gekomen. God vergeet de grote familie niet. De God van Melchizedek en Bileam is ook de God van de Wijzen uit het oosten.
De Drie koningen, staande bij de kribbe, maken bij ons verschillende gedachten gaande. Voor hen is geen zoeken te veel en geen reis te vermoeiend en te ver geweest. En toch, hoe gering en hoe onzeker is het licht, dat hen tot hun doel bracht. - Te Jeruzalem leest men dagelijks de wet en de profeten. Op elke sabbat worden ze voor het volk in de synagoge verklaard. Toch kan Christus ongemerkt in Bethlehem geboren worden. Enkele Joodse mannen hebben de geboren Koning aangebeden. Maar zij zijn door scharen des hemels opmerkzaam gemaakt op het feit.
Intussen komen uit het verre oosten enige mannen, zoekende en tastende. Hun kennis is uiterst gering. Geen stralende engel, maar het licht van een ster, waaraan wel het merendeel der mensen niets bijzonders zal hebben opgemerkt, brengt hen ter plaatse.
Een bijgelovige wetenschap, de sterrenwichelarij, heeft misschien aan hun reis part en deel gehad. Toch komen zij om de geboren Koning der Joden te aanbidden. Zij ontbreken niet. Goddelijke leiding trekt deze zoekende kinderen Gods uit de duisternis.
Wij zouden de Wijzen uit het oosten, aan de ingang van het Evangelie van Jezus Christus, naast de herders, niet gaarne willen missen. Het is merkwaardig, dat het evangelie van Mattheüs, waarin het geslachtsregister van Jezus' Joodse afkomst staat, de komst van de Wijzen uit het oosten beschrijft, terwijl Lukas het register van de grote familie heeft opgetekend en van de Joodse herders vertelt. De evangelisten hebben elk de beide zijden.
De herders en de Wijzen vullen elkaar aan. Gaarne gunnen wij aan de roomse kerk de traditie van de Drie koningen. En aan de Wijzen van het westen een ongelovige glimlach om de onwaarschijnlijkheid van het verhaal. Al te veel zouden we er liever niet van weten. En wanneer het wonderlijke van hun aankomst te Jeruzalem werd opgehelderd, zou ons dat geen winst maar verlies brengen. De Wijzen behoren tot de verrassingen in de bijbel. Zij behoren tot die laatsten, die de eersten zullen zijn. Hun aankomst in Bethlehem werkt moedgevend. ⚑Wij rekenen gaarne. Van de bewoners der aarde trekken we eerst de heidenen af. Daarna de joden en mohammedanen. Wij houden de christenen over. We gaan echter verder. Grieks-katholieken en rooms-katholieken staan vrijwel buiten onze gezichtskring. Wij houden de protestanten over. Van menige tak van het protestantisme gevoelen we ons vervreemd. Onze geestelijkefamilie is klein. Wij hebben niet vele geloofsgenoten.
Wij berekenen de kansen van de toekomst der christelijke kerk. Eerst moeten dezen nog voor het Evangelie gewonnen worden; daarna die. De taak schijnt wel onmogelijk. Even onmogelijk als het dempen van de zee. Soms bekruipt ons de vrees, dat onze geestelijke familie zal uitsterven.
In deze richting moet ons ook wel hopeloosheid overkomen. Het kan niet anders. God kan zijn koninkrijk laten komen; wij niet. Wij zullen het best doen met voort te arbeiden aan onze beperkte taak. Wat buiten onze gezichtskring ligt, kan ons niet dienen voor doelwit. Wij zijn er niet bij gebaat wanneer wij doorwoeien. Een goed gevestigde en goed omlijnde overtuiging is een bezit van grote waarde. Wij mogen echter in dit opzicht onze onmacht en onze beperktheid gerust zo nu en dan levendig voelen. En het is beslist nodig, dat we telkens weer herinnerd worden aan onze zondige bekrompenheid. Hoe gemakkelijk maken wij alles, wat buiten onze naaste gezichtskring valt, tot een blote achtergrond, die we slechts aangebracht menen om onze naaste kring beter te doen uitkomen.
Dat alles is, met welke schone namen misschien ook genoemd, Joods zuurdesem. Het is geen voordeel, maar een oordeel. Het maakt niet sterk, maar zwak. Paulus, Augustinus en Calvijn zijn goed katholiek geweest. Ze hebben met hun sterk hart geloofd aan een heilige, algemene, christelijke kerk.
Daar staan bij de kribbe de Wijzen uit het oosten. Ze komen over Jeruzalem. Maar de schriftgeleerden zullen wel geen tijd gehad hebben, van hen eerst jodengenoten te maken. Zij zouden het ook niet gewild hebben. Als vliegen zouden ze gevangen geworden zijn in het kunstig gesponnen web van mensen-inzettingen. Nu doen zij als Simson deed met de poorten van Gaza. Zij nemen wet en profeten op hun rug en gaan er mee naar Bethlehem. Ongecatechiseerd komen ze tot het licht, als duiven tot haar vensteren (Jes. 60 : 8).
God heeft sommige regelrechte methoden, die de onze niet kunnen zijn. Laten wij daarvan nog veel goeds verwachten, wanneer wij een gevoel hebben, dat we bezig zijn de zee leeg te scheppen. Gods familie is groot. Hij is de Vader, die in de hemelen is.