Verzoening1
Ik kan er niets aan doen, dat ik u moet teleurstellen: voor een nieuwe studie over de verzoening ontbrak mij de tijd. Ik kon niet meer doen dan een redigeren van voorhanden gedachten en materiaal.
Laat ik beginnen met het beperken van mijn onderwerp. Ik zal - althans thematisch - niet spreken over de christologie, de naturen en de staten van Christus, maar over het werk van Christus. En ook weer niet over het hele werk, zijn profetisch, priesterlijk en koninklijk ambt; niet over Jezus' leer en regering - maar wel over zijn lijden en het kruis. Deze beperking is vrij willekeurig en de terminologie, waarin ik ze gaf, vrij ouderwets, maar om ons vlug te oriënteren toch ook niet ongeschikt.
Nu we zo op het standpunt van de voorwetenschappelijke waarheid in catechismustaal, in de categoriale vormen van die voorwetenschappelijke waarheid het onderwerp hebben omschreven, moeten we ons er dadelijk rekenschap van geven, dat we voor de wetenschappelijke en dogmatische bezinning daarmee nog niet gereed zijn. Ons onderwerp staat in verband met drie relaties, die we in het oog moeten houden om niet te versmallen: 1. verzoening is een werk van de drieënige God; 2. openbaring is verzoening; Christus' werk is één met zijn wezen, wat Christus doet is één met wat Hij is; 3. de verzoening is actueel en staat in verband met het geloof en de Heilige Geest. Deze drie relaties zijn de laatste tijd met nadruk naar voren gebracht. Ik wil hier de namen noemen van Barth (openbaring is verzoening), Brunner (Christus' persoon is zijn werk), Gogarten (verzoening is nabij, praktisch; is geloofswerk in de mensenwereld, beslissing in het leven). Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Het is het Evangelie achter Paulus.
Wanneer we ons dit theologische verband blijven herinneren, is het nu toch geboden de aandacht te richten op het kruis - het kruis in direct verband met de opstanding, dwz. in eschatologisch verband. Dit kruis is niet gemakkelijker te verklaren dan de opstanding - evenmin als de bergrede gemakkelijker is dan het kruis. De bergrede is even moeilijk te doen als het kruis te ervaren, te gevoelen is en als de opstanding te geloven is. Hier vinden we bijeen: doen-gevoelen-weten. Schleiermacher koos het midden en daarmee het kruis. Men kan zeggen dat de drie accenten waarop ik wees, alle drie bedoelen de keus van Schleiermacher te corrigeren. Geen moralisme, geen supranaturalisme. Openbaring is verzoening. Nog eens: geen Thun en geen Wissen. Verzoening is komen van God: geen doen van ons, maar van God; geen leren van God, maar komen van God. Het Woord zelf komt. En nog eens: geen weten en geen doen, maar beslissing, waarvan we tevoren niet weten hoe die zal vallen. Hier geldt de waarheid: zij weten niet wat zij doen. Onze geloofsbeslissing is de beaming, dat de beslissing voor ons gevallen is. De theologische maat keert hier terug.
Gunning heeft soms gevoeld, dat de voorliefde voor het kruis niet altijd zuiver is.2 Dan is het een voorliefde uitgaande boven die voor Christus’ regering in de opstanding. Het kruis als gevoelsmoment in onderscheiding van weten en doen kan romantiek zijn. Zo gevoelsmatig spreekt Schleiermacher over de zaligheid.3 Weten en doen lijden dan schade.
Het moeilijke van het kruis is geen troebele mystiek; geen gevoelige ervaring. Luther heeft in zijn voorrede voor De servo arbitrio grote nadruk gelegd op dat klare in de openbaring. Deze helderheid is voor de natuurlijke mens moeilijk, maar zij is klaar in de bijbel geopenbaard. Dat houdt niet zozeer verband met onze zwakheid des geestes, dan wel met de schalksheid des duivels. Voor de zwakken is Christus juist gekomen. Zo zegt ook Augustinus, dat hij de spijs der sterken niet kon eten tot hij Christus aangreep; toen at hij wel.a Het is een klaar geheimenis.
Het kruis is ook niet een geheimzinnig stuk van Jezus' leven, zoals ook bij ons de dood het geheimzinnigst is. Eerder is Jezus' leven als object voor het geloof (en ook voor de theologie) een geheimzinnigheid. Het 'wordt in de Twaalf artikelen overgeslagen. Het kruis is minstens even klaar als Jezus' woorden, omdat het gepredikt wordt door de apostelen. Als onderwerp van de prediking is het zelfs klaarder dan Jezus' woorden. Enerzijds is dus het kruis het meest acceptabele voor de prediking. Het is nog een stuk van Jezus' leven en valt als zodanig binnen de kring van humane belangstelling. Bij de prediking der opstanding te Athene echter zeggen de mensen: wij zullen u later wederom daarover horen (Hand. 17 : 32). Het kruis is echter de keerzijde van de opstanding. Het kruis heeft alle transcendente trekken, zoals deze zich in deze wereld, in het mensenleven, geopenbaard hebben. Dat is het weten van Paulus over Christus en die gekruisigd. Vanuit dit weten sprak ook J. H. Gunning jr. in Amsterdam over het kruis als grondslag voor kerk en wetenschap beide.b Vergelijk daarmee Ritschl, die meent dat wij door het kruis genezen worden van de gedachte, dat God ons vijandig is.4 Er hoeft niets te gebeuren. Volgens Ritschl neemt Christus ons mee in het bewustzijn van de zaligheid, 'ook in de dood'.
Men kan dus het kruis als het centrale op heel verschillende wijze kiezen. ⚑Het kan als de fijnst gesublimeerde romantiek plaats vinden: het gevoelsleven van de meest verfijnde christelijke geest. Hier ligt het centrale niet in weten of doen. En inderdaad: geen doen, maar Gods drama. Geen weten, maar prediking. Idealisme staat hier tegenover realisme. Daarin onthult het kruis zijn ware betekenis als een zaak van ergernis.
Wat is de betekenis van het kruis? En waarin zit de ergernis? De ergernis is tweeledig. Ze zit in de eerste plaats in wat Bierens de Haan in zijn boek over de levensleer van Spinoza de 'metafysische dramatiek' noemt.c Hij schrijft, dat de christelijke theologie naast haar subjectief gedeelte ook een objectief deel heeft. Het heil is vrucht van 'metafysische dramatiek'. De wereldschepping is het eerste moment; de zondeval het tweede. Een transmanente orde van Godsgedachten, ingesteld op een doel: het nieuwe Jeruzalem. Daar tegenover plaatst Bierens de Haan dan de immanente orde van Spinoza's ethiek. Het transcendente is hier ook wel aanwezig, maar het is niet metafysisch, doch kentheoretisch bedoeld. Het wil zeggen: de kennis te boven gaand.d5 De christelijke theologie kent echter in het verzoeningswerk de trinitarische rechtshandel, die niet de kennis maar de wereldorde te boven gaat. Bavinck zegt in zijn Dogmatiek, dat voldoening en verzoening een Logos buiten ons zijn.e En Brunner spreekt in zijn boek Der Mittler van 'gegebener Logos'f6. Hiertegen nu ontwaakt inderdaad veel verzet. Een drama, waarvoor hemel, aarde en hel het toneel vormen, wekt (vgl. Ps. 118) te grote verbazing bij de beschouwers. Deze verwondering is bij hen geen begin meer van wetenschap. En als goddelijke personen daarbij als dramatis personae optreden, dan is dat voor hen mythologie. Het pactum salutis, de goddelijke besluiten, waren voor de moderne gedachte antiquiteiten geworden. Ook La Saussaye Jr. spreekt in zijn Christelijk leven wat uit de hoogte over de lijst der uitverkorenen, die God voor of na de schepping zou hebben opgemaakt.g Ook La Saussaye Sr. gelooft in de identiteit van de Logos binnen en buiten de mens.h En dr. A. H. de Hartog doet het ook.i
Dit is de ene ergernis; maar de zwaarste is het niet. De tweede ligt in het synthetisch karakter van de rechtvaardiging. Is de rechtvaardiging van de zondaar een synthetisch oordeel Gods, zodat God de zondaar rechtvaardig spreekt, dan is het een echte verzoening en rechtvaardiging is gevolg van verzoening. Is daarentegen rechtvaardiging een analytisch oordeel, zodat God de gelovige rechtvaardig moet spreken, dan is er eigenlijk alleen rechtvaardiging7 en de rechtvaardigheid is niet transcendent.
Er is overeenkomst en verschil in deze beide ergernissen. De eerste is meer intellectueel van aard, de tweede is zedelijk. Maar beide verzetten zich tegen het transmanente, tegen de Logos buiten ons. Bij Spinoza grijpen beide ergernissen in elkaar: geen wonder en geen berouw. Maar soms ook zou de scheurlijn tussen antiek en modern in het ene geval heel anders lopen dan in het andere. De symbolen van de Griekse kerk brengen het eerste tot uitdrukking, de dogmen van de Westerse kerk het tweede. Voor ons gaat het tweede verschil het diepste.
Sommige vragen bij de verzoening houden meer verband met het eerste, andere met het tweede. Met het eerste houden verband de satisfactie, de toorn en de liefde Gods, het offer en de betekenis van Christus' dood. Met het tweede: de synthetische rechtvaardiging, de particuliere genade, de plaatsbekleding.
We moeten beginnen op te merken, dat de boven-kosmische dramatiek meer in het geheel van het Symbolum uitkomt dan in de verzoening. De Twaalf artikelen zijn indrukwekkend door de kosmische schreden van Christus - tot in de nederdaling ter helle toe. Over toorn, satisfactie, offer, liefde, genade, rechtvaardiging, plaatsbekleding, verzoening horen wij geen woord. Hier is het 'komen', waar Emil Brunner over spreektj - het griekse van de dramatiek -, gehandhaafd. Op de persoon komt het aan, evenzeer en meer dan op het werk. Het gaat in de christologie om de naturen van Christus. Het is de Logos, die komt, de Zoon. De Logos buiten ons wordt ons gegeven.
De westerse beschouwing brengt alles meer in de sfeer van de ethiek en het recht. We denken aan Tertullianus en Anselmus. Beiden staan niet tegen elkaar over. Het Logos-verband is een geheel ander dan het aristotelisch logisch verband. De ethische en rechts-gedachte trekt ook door in het bovenkosmisch Logos-verband. In dat opzicht is Calvijn belangrijk. Hij gaat verder. Als hij in de Institutie de Twaalf artikelen verklaart, dan komt alles meer in de verzoening, in de rechtvaardiging te staan. Het zwaartepunt ligt bij de rechtvaardiging.8 De verzoening wordt traditioneel overgenomen; dat in verband met de tijd. Maar Calvijn is ook in de tijd. Hier staan Calvijn en Spinoza tegenover elkaar.
Calvijn stelt de vraag: hoe kan God bezig zijn zondaren te redden en tegelijk toornig zijn? Zei men tegen iemand: als God u gehaat had, terwijl ge nog zondaar waart, dan zoudt ge omgekomen zijn en dan zou de mens zeker voelen hoeveel hij Gode schuldig was. Maar nu is er Gods accommodatie ad vivum.9 Liefde en toorn gaan in God ineffabili quodam modo samen.k10 Geen bewust contrast raad Gods - drama. Spinoza haalt de dramatiek er uit; Calvijn bewaart ze. Maar Christus is instrument der verzoening.l Het had ook anders gekund. Midden in de Twaalf artikelen plaatst Calvijn de verzoening. In het mannelijk Credo bracht hij de vrouwelijke verzoening aan.
De grens tussen oost en west is een andere dan tussen antiek en modern. Het verschil tussen oost en west heeft te maken met het onderscheid tussen beeld en geest. De grens tussen antiek en modern is die tussen bijzonder en algemeen, feit en idee, God en mens. Bijbels is: aan Jezus ziet en doet God iets. Modern is: aan Jezus zien wij wat. Hij is een beeld in onze geest of een kracht in onze geest.
Nu gaan we over tot de bijzondere trekken: de objectieve verzoening. Men moet op God kunnen rekenen, zodat zijn recht liefde is. Het kruis verkondigt, dat er iets gebeuren moet en dat de schuldvergeving iets kost. Quodam modo. Het gaat om redding van een reële wereld en niet om gedachten over die wereld. En wat voor wereld! Bij Bavinck rusten de hilasmos en de katallage beide in de buiten de wereld gestichte rechtsorde.m⚑ De weldaden, die daaruit voor de wereld voortvloeien, zijn van juridische, mystische, ethische, morele, oeconomische (heilshistorische), fysische aard; maar de verzoening buiten de wereld - en dat is belangrijk - heeft plaats op zedelijke wijze, in de weg van het recht. Het is geen fysische handeling. Tussen Christus' persoon en zijn werk bestaat ook geen fysisch of magisch verband, zoals de theosofen willen.- De vruchten zijn dus niet enkel religieus-ethisch. Maar wel bij Bavinck! De handeling Gods is zedelijk. Christus' komen is zedelijk. Naar Gods kant weert hij een naturen-leer af, naar onze zijde weert hij het eenzijdig zedelijke af. Dat is zeker terecht. God ligt niet geheel voor ons open. Wij wel voor Hem. Wij komen met Gods wil in aanraking en niet met zijn natuur. Maar anderzijds schept Gods wil wel onze natuur. Ook Augustinus zegt in zijn Enchiridion: non miseranda necessitate, maar miserante voluntaten11 heeft Christus ons verzoend.
Toch moeten we hier voorzichtig zijn. Het is waar, dat de subjectivering van de verlossing en verzoening bij Schleiermacher en Ritschl de inhoud daarvan verloren doet gaan. Maar deze subjectivering is daarom fataal, omdat het logische verband aristotelisch is geworden. Het is dan partieel. In het oosterse christendom en ook weer in onze tijd is het Logos-verband verticaal. Het omvat het goddelijk ethos. Zo worstelt bij La Saussaye Sr. Christus tegen de necessitas, de wereldfataliteit. Dan wordt Christus in de wereld getrokken. Dit leidt tot een nadruk op de voluntas.o
Het moet omgekeerd: de schuld als realiteit ligt in de goddelijke Logos. Wij geloven de schuld. De helderheid is een gepredikte helderheid en niet een te doorleven helderheid. Maar in dit Logos-verband worden wij opgenomen als nieuwe schepselen. De fysische en de morele wereld zijn dus niet die van de aristotelische logica, maar zij zijn aspecten van het christelijk Logos-verband. Dat wil ook Calvijn zeggen met zijn ineffabili quodam modo.
Men kan dus zeggen, dat in de geschiedenis van de Westerse kerk over het komen van God-in-Christus nog meer gezegd is dan de vroege kerk deed. Pelagius wilde dogmenvorming tegenhouden.12 Maar door hetgeen meer gezegd werd, is de prediking verrijkt. En de ergernis aan de openbaring der verzoening wordt zedelijk reëler. Daarom is de lijn, die het Evangelie laat uitlopen op wedergeboorte en moraal, niet goed.
Dit blijkt vooral bij de gereformeerden met hun leringen over de synthetische rechtvaardiging en de particuliere genade.13 De verzoening door het kruis is een eschatologische waarheid, dwz. de opstanding voltrekt zich dramatisch en poneert een nieuwe wereld. Maar dit alles wordt ons in de Geest toegeleid. Het is wel een realiteit van deze wereld, maar in het Woord gekleed en in geloof gehuld. Dit is de betekenis van het jaar dertig. De Palestina-reiziger zoekt het graf.14 Hier werd het pleit beslecht: alles is in het geloof gehuld - ineffabili modo. Wat God synthetisch samenvoegt, is zelf niet in het geloof maar wordt aan het geloof gegeven. Maar toch is het eenmaal en hier. Is het geaccommodeerd aan ons kenvermogen (Calvijn15) of is het een hoger liefde-ethos (Luther16)?
Jezus' persoon is geheimenis.17⚑ Deze is niet uit de wereld-fataliteit verlost, maar eschatologisch geopenbaard. Jezus' mislukking is: zijn offer en persoon.18 Zo ook het koninkrijk Gods, omdat het van God komt. In de verzoening klinkt het 'het is geschied' in zijn volle kracht. Het gaat om de zekerheid. Christus' lijden voltrekt zich incognito19 en de immanente God is de toornige God.20 In het geloof is de verzoening realiteit: particuliere genade! Daarin gaat het niet om de omvang der genade, maar om de zekerheid, het effectieve, het scheppend karakter. Door het werk van de Heilige Geest vallen Christus-in-ons en Christus-voor-ons samen. De waarheid der verzoening draagt een trinitarisch karakter.