Openbaring 14 : 14-16
En ik zag, en zie, een witte wolk, en op de wolk was een gezeten, des mensen Zoon gelijk, hebbende op zijn hoofd een gouden kroon, en in zijn hand een scherpe sikkel. En een andere engel kwam uit de tempel, roepende met een grote stem tot degene die op de wolk zat: Zend uw sikkel en maai, want de ure om te maaien is voor u gekomen, dewijl de oogst der aarde is rijp geworden. En die op de wolk zat, zond zijn sikkel op de aarde, en de aarde werd gemaaid.
Openbaring 14 : 14-16
Het tafereel, dat het boek der Openbaring ons hier voorhoudt, heeft betrekking op het eindgericht. Gemeente, staat het u wel helder genoeg voor de geest, dat alle dingen niet altijd zo zullen blijven als ze thans zijn? Er is wel een verbond Gods, dat zaaien en oogst en winter en zomer niet zullen ophouden (Gen. 8: 22). Van dat verbond waren de heerlijke zomerdagen na de schier eindeloze winter een verblijdend teken. Maar dat verbond Gods is slechts tijdelijk. Het is niet het eeuwige verbond. Aan deze bedeling zal een einde komen. Zij gaat haast voorbij...
Hoe dwaas is het daarom te leven, alsof alles voor de eeuwigheid is en nooit van veranderen zal weten. Onze tijd, waarin in niet veel dagen eeuwenoude tronen voorbijgaan, waarin het leven des mensen als een schaduw voorbijgaat, getuigt ervan als nooit een vorige. Gods oordelen zijn op de aarde.
De ziener van Patmos brengt onze gedachten naar een toekomst, die wel het heden schijnt te zijn. De Zoon des mensen, zo zeggen het onze Twaalf artikelen, zal komen op de wolken der hemelen. Hier is zulk een witte wolk, en op de wolk was een gezeten, des mensen Zoon gelijk, hebbende op het hoofd een gouden kroon, en in z'n hand een scherpe sikkel. Deze beschrijving doelt hier op de Zoon des mensen - als Hij komt om te oordelen de levenden en de doden. Zo leefde in 't oude Israël het beeld en de verwachting van de Messias. Een engel komt uit de hemelse tempel en roept met grote stem tot degene, die op de wolk zit: Zend uw sikkel en maai, want de ure van maaien is voor U gekomen, dewijl de oogst der aarde is rijp geworden. Wanneer wij die woorden van de oude ziener lezen, dan denken wij aan de wijze, waarop ons de dood soms wordt voorgesteld: gewapend met een zeis. Zo wordt hier de Zoon des mensen voorgesteld.
Onwillekeurig gaan onze gedachten naar het Johannes-evangelie, waar Jezus ons wordt voorgesteld, sprekende tot z'n discipelen; hij wijst hen op de mensenstroom die uit de stad naar hen toekomt. Hij zegt: Gij zegt: Nog weinig maanden en het is de oogst. Maar Jezus zegt: De velden zijn alrede wit om te oogsten (Joh. 4 : 35). Bidt dan de Heer des oogstes, dat Hij arbeiders in z'n wijngaard uitstote (Mt. 9 : 38). Aan dat messiasbeeld houden wij ons gewoonlijk in de prediking. Het is de Heer die zichzelve noemt een visser van mensen, een herder der schapen; als Hij spreekt van oogst en scharen, dan bedoelt Hij ook te behouden. Toch spreekt Jezus ook zelf in de evangeliën van engelen, die maaien zullen in de dag des oordeels (Mt. 13 : 39). Ook daar echter wordt met maaien niet een dodelijk werk bedoeld. Alleen het onkruid wordt in busselen gebonden en in het vuur geworpen (Mt. 13 : 30).
Hier in dit gezicht uit Openbaring 14 komt de donkere zijde van de Messias naar voren, komende ten gericht, onkruid maaiende met de engelen. En we worden herinnerd aan Psalm 2: Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne (vs. 12). Het beeld is aangrijpend. De sikkel wordt ditmaal niet geslagen in de halmen, maar in de mensen. Groen staan de halmen voor de sikkel nadert; dan liggen ze neder en verdorren.
Onwillekeurig doet onze tijd denken aan dit gericht. Het is of de onzichtbare machten elkander toegeroepen hebben, dat het tijd is om te maaien, dat de oogst rijp is, en dat de sikkel erin moet geslagen worden. Of naar het andere beeld, dat de druiven worden afgesneden en getreden in de wijnpersbak van Gods toorn (Op. 14 : 18 v.). Er zijn van die onhoudbare woorden en bevelen, die iedereen gehoorzaamt. Men weet niet vanwaar het bevel komt, maar iedereen doet het. En zo is wat in onze tijd geschiedt een treffende vervulling van het boek der Openbaring. Ook thans is het niet een enkel volk, maar de aarde. De oordelen worden gerichten over de aarde; de gerichten: eindgerichten. Over de ganse aarde werd deze roep gehoord, dat de oogst der aarde rijp was geworden, dat het jonge geslacht, dat opwies, rijp was geworden voor de dood. Hoe ontzettend, wanneer het rijpen is een rijpen voor de dood. De aarde wordt gemaaid.
Straks komt een andere engel en roept, dat de druiventakken van de wijngaard der aarde afgesneden zullen worden, want zijn druiven zijn rijp. Dan denk ik aan 't bijbelwoord, dat God de geest der koningen als druiven afsnijdt (Ps. 76: 13). En zo zien we 't ook in onze dagen, dat het leven en de tronen der machtigen der aarde worden weggenomen in een ogenblik. En wanneer wij eindelijk het beeld aan 't slot van ons tekstgedeelte nemen, het treden der druiven in de wijnpersbak en de stromen bloed tot aan de tomen der paarden (Op. 14: 20), dan komen ons voor de geest de ontzettende veldslagen, die thans in Noord-Frankrijk worden geleverd.
Dikwijls zijn we reeds herinnerd geworden aan de beklemdheid, die in onze tijd de gemeente bevangt. Hoe vreemd klinkt het Evangelie te midden van de veldslagen. Het is een voorproef van de beklemming der gemeente in het oordeel. Het past niet bij elkander. De zielen zitten gedoken onder het altaar (vgl. Op. 6: 9). Toch komen Gods oordelen en wij hebben ermede te rekenen. Zij komen over ons. Zo hebben wij dan ook te beschouwen wat God naar z'n voorzienigheid over ons brengt. Deze oordelen Gods voeren de mensen zelf uit. Het zijn geesten, die daarbij een rol vervullen. Toch zijn ze het zelf niet. Ieder graaft z'n eigen graf. Ieder bereidt z'n eigen verderf. Het is de geest, die in de mensen vaart. Een andere geest - een andere oogst. Dit oordeel brengt <... > uit het zoeken en trachten der mensen.
Wat begeren wij? Voor welke oogst maaiers te zijn en halmen en druiven tegelijk? Des Heren akkerland, des Heren wijngaard, of voor de dood? Bereid uw hart voor het Evangelie. Wil in werkelijkheid een arbeider zijn in Christus' wijngaard. Dan hebt gij niet te vrezen! In werkelijkheid. De gewoonten, de neigingen zijn zo sterk. Bedriegt uzelve niet! Wordt veranderd naar de geest des Evangelies. Want de oogst dezer wereld rijpt voor de dood. Toch ziet Jezus een oogst rijpen, die z'n discipelen niet zien. Gij kunt met Jezus die oogst verwachten, verzamelen. Bidt de Heer des oogstes, dat uw ogen geopend worden om die te zien.
In Frankrijk gaat een verhaal van een officier. Debout les morts! Staat op uit de doden en laat Christus over u lichten (Ef. 5 : 14).