O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Kolossenzen 3 : 4Suameer (1910-1923)Openbaring 14 : 14-16 →

Verzamelde Werken, deel 7 · Suameer (1910-1923) · p. 174–177

Hebreeën 11 : 6

Maar zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen. Want die tot God komt, moet geloven dat Hij is, en een beloner is dergenen, die Hem zoeken.

Hebreeën 11 : 6

Er is ontzaglijk veel ondankbaar werk op de wereld: werk dat niet loont. Gij kunt in uw tuin of veld soms de gehele zomer zorg besteden aan een gewas, dat toch niets oplevert. 't Gebeurt dat een veld weer omgeploegd moet worden en al de arbeid verloren is. Maar dat is niet 't ergste. Er zijn ouders, die hun kinderen opvoeden met zorg en gebed en die...; staatslieden, die verdreven werden na wat ze gedaan hadden. Trouwens, de profetie van de distelen en doornen is al oud, en dagtekent van het paradijs. We behoeven nu over het ondankbare van veel in de wereld en over het weinig lonende van veel moeite niet uit te weiden.

Ons tekstwoord noemt ons een werk dat wel lonend is en dat is het God-zoeken. God-zoeken. Welk een zeldzaam werk. De Schepper van hemel en aarde moet gezocht worden? De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel zijner handen werk (Ps. 19 : 2) en God moet gezocht worden? Zijn onzienlijke dingen worden van de schepping der wereld aan uit de schepselen verstaan en doorzien, beide z'n eeuwige kracht en goddelijkheid, opdat ze niet te verontschuldigen zouden zijn (Rom. 1 : 20). Is God dan niet allen openbaar? En z'n werk in de harten? Het is waar, niemand zal zich kunnen verontschuldigen: Ik kon God niet vinden. En toch moet Hij gezocht worden.

Niets is zo openbaar als God, niets zo verborgen als God. Wie merkt er wat van dat de adem der beesten naar beneden gaat en de adem der mensen naar boven (Pred. 3 : 2 l)? Zijt ge God tegengekomen als Jakob en hebt ge Hem op een troon zien zitten als Jesaja?

Op de straten komt ge Hem niet tegen. En niets is gemakkelijker dan Hem te ontkennen, zich niet aan Hem te storen. Zijn wetten kunnen overtreden worden en het schijnt, dat gij niet gestraft wordt. Zijn wil geschiedt niet en nochtans blijft de wereld staan. Er is opstand tegen z'n regering en de rebellen lopen vrij rond. Soms bidt gij en Hij antwoordt niet. Gij zijt bedroefd en wordt niet getroost. Gij roept en er is geen stem en geen opmerken (1 Kon. 18 : 29). Gij denkt na en er is geen uitlegging. De raadselen der voorzienigheid gaan uw begrip te boven.

God is werkelijk een verborgen God, die gezocht moet worden en wil worden. Gij zijt een God, die zich verborgen houdt, zegt de profeet Jesaja (Jes. 45 : 15). Heilig! Liefde! Dat wil echter niet zeggen, dat God niet gaarne gekend wordt. Hij openbaart zich aan ons, maar Hij moet gezocht worden. Trouwens, men moet ook weinig verstand van geestelijke dingen hebben om dat niet te voelen. Geestelijke kennis moet altijd gezocht worden. En hoe geestelijker de kennis is, hoe meer er gezocht moet worden. Geestelijke schatten liggen niet zomaar voor 't oprapen, maar moeten gedolven worden. Uw eigen hart is het werktuig, dat gij daarbij nodig hebt. Dat hart is nodig om gebruikt te worden, opdat gij kennis verkrijgt. Dat arme hart wordt ook wat gebruikt om te zoeken. Wat zoekt het, wat zwoegt het, wat weent het menigmaal; hoe droevig wordt het vaak teleurgesteld. Zoeken om een weinig vreugde, werkelijke vreugde, schoonheid, leven! Daar hebt ge ze gevonden. Een weinigje opent de hemel zich voor u. Een lichtstraal, een verkwikkende beker. Maar hoe spoedig vallen er schaduwstrepen in het licht. En welke bittere droppels vallen in de beker.

Er is slechts één zoeken in deze wereld, dat het hart niet afmat. Het is het zoeken van God. Daarom kan het hart naar Hem dorsten, zoals een hert schreeuwt naar de waterstromen (Ps. 42: 2). Het is zulk dankbaar werk God te zoeken. Hij is een beloner dergenen, die Hem zoeken.

Er zullen wel mensen zijn, die het niet kunnen toestemmen dat het dankbaar werk is om God te zoeken. Zij zullen zeggen dat ze God al lang zoeken en Hem niet vinden kunnen. Zij zoeken en bidden en vinden niet, jaar in, jaar uit. Maar wilt gij God wel werkelijk vinden? Misschien is het erom te doen om God te genieten. En Hij is een heerlijk God. Het licht de zoom van zijn kleed; het geluid het ritselen van zijn Geest; het woord een weerklank van zijn waarheid. Maar toch, het zoeken van God is geen genot in de gewone zin van het woord. Nee, God is in het kruis, in de wedergeboorte, in zelfverloochening. Wie Hem zoeken, kunnen niet van buiten inklimmen. Het kruis, de wedergeboorte is de deur waardoor zijn kinderen binnengaan. Zonder kruis geen kroon, geen loon.

God is een verborgen God, niet omdat zijn werken niet klaarlijk schijnen, maar omdat zijn hart klopt in 't verborgene, achter de dingen. Dat hart is in het lijden. Maar Hij is een beloner van die Hem zoeken. 's Levens hoogste goederen zijn geen paradijsappelen, die zomaar te plukken zijn. Maar 't hoogste goed is als een verborgen stralenkrans, die schijnt om het hoofd van de kruisdrager. Gij doet uw hand erdoorheen en zegt: 't Is niets, en toch, Hebreeën 11: de grote gelovige kruisdragers. Wanneer gij vraagt: Wat hebben deze mannen verkregen?, dan zegt de schrijver: Sommigen zijn in stukken gezaagd (Hebr. 11 : 37). Dat is een zonderling loon. En toch, als al het kaf verstoven is, dan blijven zij er over. Zij zijn het koren. Bij de profeten uitgebeiteld in een rij. De verstilde, vereeuwigde wereld. Dat is het loon: dat er iets wezenlijks ontvangen wordt. Men kan dat gevoelen bij alle mannen van betekenis in de geschiedenis. Het is niet dat en dat wat God schenkt, maar zichzelf. Ik ben uw schild, uw loon zeer groot (Gen. 15 : 1). En dat is het enige wat een mens, naar Gods beeld geschapen, kan doen wassen. Zo wordt God niet een genotmiddel, maar Hij wordt ziel en kracht en merg en pit voor het leven. Leven als van een wassende boom.

Dit wordt betoond in de weg der gehoorzaamheid. Jezus' weg. Dat kunnen wij niet precies nadoen (zedenleer); ook niet van buiten leren (ingeleid in een leer). Het wezen van de zaak - is persoonlijk. Er zijn rare potentaten onder de christenen.

Het loon. Niet rust hier, maar vastheid. Daarin is verschil. Een eik in de storm. Geen pret, maar blijdschap. Maar over dat loon zal alleen recht kunnen gesproken worden in de eeuwigheid, als God alles in allen is (1 Kor. 15 : 28). De waardebepalingen hier zijn zo zonderling. De zielen hebben zulk een moeite om zich als waarde voor te stellen wat hun onaangenaam is. Het kruis is zo'n raar en onchristelijk ding in de wereld, dat de meeste christenen er stichtelijk voor bedanken en samen een aangenaam zaakje oprichten. Dan floreert dat zaakje en ze zijn tevreden. God is hun niet een verborgen God. Ze behoeven Hem niet te zoeken. Ze kennen Hem dwars en door. God is een beloner dergenen, die Hem zoeken. De Godzoekers zijn geen jolige christenen. Maar zij zoeken God en Hij is hun loon. Deze wereld goochelt zo sterk. 't Is te hopen dat er ook steeds enige niet-goochelaars zullen blijven: gewone mensen, die dat verborgen, innerlijke, ware goed kennen. Dat loon is onuitsprekelijk.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Kolossenzen 3 : 4Suameer (1910-1923)Openbaring 14 : 14-16 →