O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Mattheüs 27 : 27-30Suameer (1910-1923)Lukas 2: 1-7 →

Verzamelde Werken, deel 7 · Suameer (1910-1923) · p. 126–129

Mattheüs 28 : 1-8

Het eerste vers van Mattheüs 28 schildert ons de vroege morgen: Laat na de sabbat, als het begon te lichten, tegen de eerste dag der week. Natuur en genade sluiten wel bij elkander aan. En elke morgen die God over ons laat aanbreken, is het symbool, de afbeelding van opstanding. De Ouden hielden slaap en dood voor tweelingbroeders. En wat wij na de slaap, die de broeder des doods genoemd wordt, doen, heten wijzelve: opstanding. Zo is het niet geheel toevallig dat wij spreken van het nachtmaal en de opstandingsmorgen. En wanneer wij denken aan de opstanding der doden, dan denken wij onwillekeurig aan de morgenstond, waarin de doden uit de graven zullen verrijzen. Mocht die hoop maar sterk zijn in onze harten en de verwachting gespannen; dan kan de dood ons geen kwaad doen en is de prikkel des doods geweken.

In de morgenschemering gaan Maria Magdalena en de andere Maria om het graf te bezien (vs. 1). Markus noemt nog Salome (Mk. 16: 1). Wat willen deze vrouwen en wat gaat er in hun harten om? Mattheüs zegt: Ze wilden het graf bezien. Markus spreekt van hun voornemen om Jezus te zalven. Lukas spreekt van specerijen (Lk. 24 : 1). Uit geen dezer opgaven blijkt, dat ze opstandingsgedachten hadden. Doodsgedachten, waarvan ze ook de ganse sabbat vervuld waren geweest. En zo blijkt ons dat de opstanding een verrassing is geweest, waarop de mensen niet gerekend hadden. Niemand had erop gerekend. De discipelen konden het weten, maar ze rekenden er niet op.

Als we de evangeliën goed lezen, dan waren eigenlijk de enigen die erop gerekend hadden, de vijanden van Jezus, de Joden. Zij vreesden ervoor en bestelden een wacht bij het graf. Dit is een wonderlijk verschijnsel, dat onze aandacht wel verdient. Maar er staat ook in de bijbel dat de duivelen ook geloven, maar zij sidderen (Jak. 2 : 19).

Waar merkt men het meest van in de wereld: van het geloof der vrees of het geloof des vertrouwens? Merken doet men 't meest van het geloof der vrees. De angst voor de dood en de vrees voor het eeuwig oordeel openbaren zich veel duidelijker dan het oprecht vertrouwen op de opstanding ten eeuwigen leven. En in uw eigen hart, wat is het sterkst? Wat merkt ge 't krachtigst werkende in uw leden? Zo maakt ook hier het Evangelie de dingen niet anders dan ze zijn.

De opstanding zal een verrassing zijn, ook voor de gelovigen. Wanneer in de dag der dagen hun lichamen zullen verrijzen tot een onverderfelijke erfenis (1 Petr. 1 : 4), als ze uit hun vlees God zullen aanschouwen (Job 19 : 26), als het verderfelijke het onverderfelijke zal hebben aangedaan (1 Kor. 15 : 54), en voor de aardse tabernakel de hemelse zal zijn verwisseld (vgl. 2 Kor. 5 : 1), dan zal de Psalm waar worden: Toen werd onze mond vervuld met lachen. Toen was het ons als droomden wij. Onze tong werd vervuld met gejuich (vgl. Ps. 126: 1 v.). Wie zal dat kunnen beschrijven? God doet grote dingen. Zo zal het ook moeten, anders kan het niet. De laatste vraag en antwoord van de catechismus: Amen. Zo is het: wij kunnen de dingen des geloofs niet uitredeneren. Het duurt niet lang en dan staat het verstand stil en uw redenering zit vast. Dan komt de raad Gods; zijn waarheid, die tot de wolkenboog is.

Wanneer onze schreden tot het graf komen, dan kunnen wij niet meer dan het graf bezien. Ja, daaraan is niet veel te bezien. Dat een mens daarin moet, dat is ontzettend, en wij zien niet verder.

Dan geloven wij, maar wat is dat bij ons een zwak beginsel. Wij bezien het graf en hebben het voor ogen. En dat geloof, dat is toch ook een zekere kennis en een vertrouwen, waardoor ik het voor waarachtig houd. Zien is het niet. Het aanschouwen komt later. Maar toch een kennis en voor waar houden. Maar hoe zwak is dat beginsel. Welk een onduidelijke kennis. Denk maar eens over de opstanding. Spreek er eens over. Vraag er zelfs Paulus naar. Welk een gebrekkige kennis is het. Hoeveel beter kennen we het graf. Daarom zal de opstanding een verrassing zijn, zoals ze het voor de vrouwen was.

Er moet ook heel wat gebeuren, voor alles is wat wezen zal. Er kwam een grote aardbeving. En die aardbeving werd veroorzaakt door de nederdaling van een engel van de hemel, die de steen van het graf kwam afwentelen (vs. 2). Wanneer er zulke dingen bijkomen, aardbevingen en engelen, van wier vermogen wij geen begrip hebben, dan kan er in korte tijd heel wat veranderen. En dat zal ook wel moeten, wanneer er van opstanding iets komen zal. Zoals wij het gewend zijn, houdt het graf vast wat het heeft. Maar wanneer de hemel in de aarde begint te grijpen, dan kan er veel anders. Gods daden zijn wonderbaar. Wanneer we dat niet geloven, dan is het leven een troosteloos ding. Dan zitten we in een grote gevangenis, een vergulde kooi. Het doodvonnis ligt gereed.

Maar nu verkondigt het Evangelie grote blijdschap, die al den volke wezen zal: de Zaligmaker (Lk. 2: 10 v.). Het wondere gebeurt: de geest grijpt in de raderen van het vlees. De hemel grijpt in het aardse gebeuren. En alles wordt anders.

Het is een felle gedaante, die ons hier getekend wordt, die engel. Eigenlijk te scherp voor mensenogen, als de bliksem en de sneeuw, die verblinden. De vrouwen vrezen dan ook. Als een overwinnaar zit deze engel op de zware steen, op de zwarigheden der mensen. Welk een heerlijk gebeuren: de zwarigheden der mensen weggewenteld door hemelse gestalten; ze zitten erop als overwinnaars. Laten wij dan goede moed hebben.

En uit vrees van hem zijn de wachters zeer verschrikt geworden, en werden als doden (vs. 4). Hier zien we dat deze wachters meer bevreesd zijn dan de vrouwen. Wanneer Gods daden komen, zullen de kinderen Gods het kunnen uithouden, nauwelijks zalig worden (vgl. 1 Petr. 4: 18). 't Goddeloze volk smelt dan als was voor gloênde kolen. Als doden, als God komt met z'n heerlijke verlossing. Een treurig beeld: deze wachters vluchtende van het graf.

De vrees der gelovigen wordt weggenomen. Ook hun vlees heeft het zwaar in de dag der vernieuwing. Maar hun geest is gewillig. Vreest niet, want ik weet dat gij zoekt Jezus, die gekruisigd was (vs. 5). God zoekt het verborgene op in het hart. Hij kent hetgeen er leeft. Wie in oprechtheid Jezus zoekt, kan ook bestaan in de dag der omkering aller dingen. Want wie zal anders bestaan, wanneer alles veranderd wordt? Maar het zoeken van Jezus is de band, de schakel tussen aarde en hemel.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Mattheüs 27 : 27-30Suameer (1910-1923)Lukas 2: 1-7 →