Mattheüs 26 : 6-13
Er zijn te allen tijde mensen geweest die oog hebben gehad voor Jezus' heerlijkheid. Die meer behagen hebben gehad in de heerlijkheid van de gekruiste dan in de heerlijkheid der wereld. Wie zijn doornenkroon dieper eerbied inboezemde dan kronen, fonkelende van edelgesteenten. En die gaarne hun goederen tot zijn beschikking hebben gesteld. Tot hen behoorde ook de vrouw uit ons tekstverhaal; later ook Jozef van Arimathea en Nicodemus.
Dan wordt de ziel eens mensen openbaar. Zoals de albasten fles, wordt dan alles wat koud en hard is aan een mens verbroken, en de geur der ziel, de zalving van de innerlijke mens treedt naar buiten. Dan wordt er gebroken met alles wat berekening is in het leven, wat uit mensenvrees en gewoonte voortvloeit. En het binnenste, de innerlijke mens treedt naar voren. Op zichzelf is dit nog niet altijd veel gewonnen. Het binnenste van een mens is soms nog minder dan het uiterlijke. Maar wanneer de ziel voor Jezus zich opendoet, zoals de bloem voor het zonnelicht, dan treedt de zonde op de achtergrond en die liefde van Christus reinigt het hart.
De vrouw die in ons tekstverhaal tot Jezus komt, en wier naam hier niet genoemd wordt, had ook in haar leven de duisternis des harten gekend. Haar innerlijk was door de zonde verdorven en aangetast. En een blik in haar hart te slaan, was niet op alle ogenblikken van haar leven een begeerlijk ding geweest. Lukas noemt haar een zondares (Lk. 7 : 37). Hier zien we haar echter in een gestalte des harten, waarbij zij te midden van een kring van respectabele mensen de beste figuur maakt, en door Jezus tot voorbeeld voor alle eeuwen gesteld wordt.
Stellen wij ons deze kring enigszins nader voor ogen. Eerst de gastheer, Simon de melaatse. Die schijnt een vriend van Jezus geweest te zijn, waarschijnlijk door Hem gereinigd van z'n ziekte. Hij behoort tot Jezus' Judeese vrienden, met Zacheüs, met Lazarus, Maria en Martha. Ofschoon Jezus' discipelen uit Galilea waren, heeft Hij z'n vrienden bijzonderlijk in Judea. Zij schijnen echter meer de buitenkant verzorgd te hebben: een maaltijd, een kleed, een graf. Apostelen zijn er niet uit voortgekomen. Zo is Simon een vriend van Jezus. Maar een rijke vriend. Water gaf hij niet tot Jezus' voeten (Lk. 7 : 44). Geen echte hartevriend. Een vriend ietwat uit de hoogte. Z'n tafel was voor Jezus, z'n hart echter bleef tot op zekere hoogte gesloten.
Daar zitten verder de discipelen van Jezus. Meest visserslieden, recht en slecht. Ernstig. Vertrouwd met de gevaren des levens. Gewend aan de nabijheid des doods. Dat geeft een zekere respectabele ernst aan 't leven, die vreemd is aan de wekelijke en zachte klederen aan 't koninklijk hof (vgl. Mt. 11 : 8). Zij hebben voor Jezus zeer veel overgehad. Ze hebben z'n schone woorden gehoord, z'n verwachtingen gedeeld. Zij hopen op 't koninkrijk Gods.
Maar behalve 't kaf dat hier onder 't koren is, is ook het koren nog niet gezuiverd. Men merkt het als die vrouw binnenkomt en de zalf uitstort, hoe ze nog in de enge verhoudingen van dit leven bevangen zijn. Ze tellen de stuivertjes en keren een muntstuk enige malen om, voor ze 't uitgeven. Welk een rijke vader ze hebben, weten ze nog niet goed. Wel hebben ze meebeleefd dat Jezus een stater vond in de bek van een vis (Mt. 17 : 27). - Zie hoe ze weten te rekenen over de waarde van de zalf en wat men ermee doen kan. Zij verstaan de huishouding als de beste huismoeder. En nu zijn ze nog niet eens van het gierige soort. Ze kunnen wel wat missen voor de armen. Ja, laten we 't zeggen: Ze hebben hun huishouding verlaten, ze denken alleen hier aan de armen.
Nu zouden we misschien denken: Beter kan het niet. Hoger kan het niet gaan. Maar toch wordt deze hele kring beschaamd door de binnenkomende vrouw. Dit is misschien de beste commentaar op Paulus' woord: Al ware het dat ik al mijn goederen tot onderhoud der armen uitdeelde en had de liefde niet, zo zou het mij geen nuttigheid geven (1 Kor. 13 : 3). Ook daar de vraag: Kan het hoger dan deze praktische liefde? Dezelfde vraag hier: Kunnen deze jongeren, die alles geofferd hebben voor Jezus, en alleen aan de armen denken, overtroffen worden?
Inderdaad, ze worden overtroffen. Niet dat Jezus hun bezwaar niet laat gelden! Als iemand tegen de praktische Jezusliefde deze geschiedenis zou willen gebruiken, zou Jezus zelf hem wederstaan. De armen hebt gij altijd met u (vs. 11). En zoveel gij dit aan één van deze kleinen gedaan hebt, hebt ge het Mij gedaan (Mt. 25: 40). Wie deze discipelen wil bestraffen, moet er bovenuit gaan. Hij moet de praktische Jezusliefde geoefend hebben; deze school hebben doorlopen; daarin reeds geoefend zijn. Dan pas kan hij de hogere trap van deze vrouw beschouwen met een bewonderend oog, als Jezus deed.
Deze vrouw heeft hier een ogenblik in haar leven, waarin de liefde tot Jezus haar grondig over de aardse berekeningen heen helpt. Zij telt niet meer de prijs van de nardus. Of wanneer ze die telt, dan leest ze daarop af de graden harer liefde tot Jezus. Het is de gradenschaal harer overgave aan de Redder harer ziel. Daar wijken de overwegingen van het praktische leven. Daar verdwijnen de zorgen ook der liefde tot de naaste. Daar verliest alles zich in de behoefte om te eren en te vereren, te bidden en te aanbidden, alles ter beschikking te hebben en te stellen van de Bruidegom der ziel.
De christelijke kerk heeft ze gekend, die enkele geestelijk doorgloeide zielen, die geoefend in de leerschool van het leven en het lijden en van trap tot trap geklommen langs de ladder van zelfverloochening en praktische betoning van barmhartigheid in Jezus' naam, tenslotte de aardse nedergebogenheid des geestes van tijd tot tijd hebben leren overwinnen. Dan is er geen maat noch perk meer. Geen tellen noch overwegen. Maar een offerande van lichaam en ziel en geest wordt op het altaar des levens opgeofferd. Zo komt Maria in Simons huis binnen: als een vuurvlam van aanbidding en liefde tot Jezus. Haar hart brandt als de braambos, waarin God woonde en die niet verteerd werd (Ex. 3: 2). Haar handen brachten geschenken aan een rijke, die gelijk werd aan de arme, die haar gehele leeftocht bracht.
Hoe vreemd en hol klonken daar die stemmen Jezus in de oren, die zeiden dat het onverstandig en onpraktisch was. Hoe koud klinken de stemmen der wereldse mensen in het koninkrijk Gods. Hoe koud klinken zelfs nog de stemmen van Jezus' discipelen in het binnenste heiligdom, waar het liefdevuur niet wordt gedoofd.
Hoort uzelve spreken! Let op wat uw redenen zijn! Zult gij kunnen aanzitten met Abraham, Isaäk en Jakob in het koninkrijk Gods? Abraham, die uit z'n land en uit z'n maagschap uitging. Met Paulus kunnen spreken over de liefde van Christus? Maar moet gij dan eerst volmaakt zijn? Was deze vrouw volmaakt? Een zondares, zegt Lukas. Maar het koude moet eraf. Hoe spreekt gij over de bijbel? Zegt gij dadelijk: Dat kan in onze omstandigheden niet? Of: Dat kan nu niet meer.
Zalig zijt gij, als gij Jezus zalft tot z'n begrafenis, niet tot z'n kroning, als de laatste zelfzuchtige motieven een ogenblik doven, uw hart als een vlam naar Jezus uitslaat.
Hoeveel hout, hooi en stoppelen moeten er dan verteerd worden (1 Kor. 3: 12), voor dit eeuwige vuur recht branden wil?