O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Micha 6: 9bSuameer (1910-1923)Mattheüs 26 : 6-13 →

Verzamelde Werken, deel 7 · Suameer (1910-1923) · p. 115–118

Mattheüs 7 : 21-23

Met de naam 'Here, Here' wordt Jezus aangeroepen, door degenen die geloven dat Hij degene is, die het koninkrijk Gods kan openen en sluiten. Wie dat zegt: 'Here, Here', ziet in Jezus meer dan menselijke macht; hij gelooft met Petrus dat Hij de Zone Gods is (Mt. 16: 16). Wie Jezus z'n Heer noemt, is onder de indruk van z'n woorden en werken gekomen. Dat moet een overweldigende indruk geweest zijn, die Jezus op de mensen maakte. Vissers verlieten hun netten en volgden Hem. Anderen verlieten vader en moeder en liepen Hem na. Jezus zei, ze moesten wel weten wat ze deden, want de Zoon des mensen had geen hoofdkussen om z'n hoofd op neer te leggen (Mt. 8 : 20). Er waren er echter, die dat er gaarne voor overhadden, om in het Koninkrijk der hemelen in te gaan.

Dat 'Here, Here' is ook hulpgeroep. Men hoort het uit der blinden mond, die aan de weg zitten. Van de discipelen, als ze in nood zijn van de baren. Het 'Here, Here'-geroep zal ook weerklinken in de oordeelsdag, als de beangsten en benauwden Hem te hulp zullen roepen.

Het is een hulde aan Jezus' persoon. Jezus wijst die hulde niet af. Hij zegt niet: Gij moet Mij niet als 'Here, Here' aanroepen. Hij accepteert die hulde. Toch is het Jezus niet in de eerste plaats daarom te doen. In elk geval moet de aanbidding bij Hem niet blijven staan. Maar Hij wil dat men door Hem de Vader die in de hemelen is, zal leren eren en dienen. Hij wil de Middelaar Gods en der mensen zijn. Daarom is alle 'Here, Here'-geroep Hem onaangenaam, als het niet gepaard gaat met gehoorzaamheid aan de Vader die in de hemelen is. Slechts dan neemt Hij het met blijdschap aan, wanneer Hij het tot ere des Vaders kan afdragen. Ere en hulde aan Jezus, die gepaard gaan met ongehoorzaamheid aan de wet Gods, met onoprechtheid, leugen, list, bedrog, geldgierigheid, ongerechtigheid, al zulke hulde is Jezus niets waard en Hij wijst haar van de hand.

Hoe luider dat 'Here, Here'-geroep is en hoe meer men daarmede op de voorgrond komt, hoe scherper Jezus de eis stelt dat de wil des Vaders, de gehoorzaamheid, zal betracht worden. Hij had blijkbaar ook enkele van die wilde discipelen, die zeer ijverig waren in het profeteren van Jezus' naam, die z'n naam dagelijks op de lippen hadden en die er de duivelen mee uitwierpen (vgl. vs. 22); maar waarbij men de gehoorzaamheid aan de wet en de wil Gods niet zag. Hun leven zal met hun geroep niet overeengestemd hebben. Jezus wijst hen van de drempel van het koninkrijk Gods weg. Deze waarschuwing van Jezus is hoogst ernstig en zij behoort ons bij te blijven en ons leven te vergezellen. Wanneer wij ons rekenschap geven van de zaak, weten we waar er gevaar ligt.

Jezus' verschijning maakte een zekere oploop onder de mensen. De één nam de ander mede. Het vuur sloeg van de één op de ander over. De één riep al luider dan de ander. Profeteren en duivelen uitwerpen, het was alles het werk van geestdrift en opgewondenheid. Op zichzelf steekt daarin niets kwaads. Geestdrift is goed. Maar het gaat ermede als met een offerande; de vlam slaat soms een ogenblik hoog op en dan is 't vuurtje weer uit. Daarom zegt Jezus: Gehoorzaamheid is beter dan offerande, en dat had Samuël al tegen Saul gezegd (1 Sam. 15 : 22). Gehoorzaamheid, dat is: de wil doen des Vaders, die in de hemelen is (vs. 21). En de gehoorzaamheid is geen vlammetje dat dooft, maar de gestadige vervulling van Gods geboden. Het is hetzelfde onderscheid als tussen een ijverig werkman en een luiaard. Ook een luiaard kan wel eens flink werken. Als er een brand geblust moet worden, of wanneer z'n ongestadige geest op andere wijze in beroering komt. Hij werkt echter niet gestadig door. Wie echter werken geleerd heeft, werkt de ganse dag tot dat de nacht komt.

Zo is het ook met de belijdenis van Jezus. Er zijn veel mensen, die aan de dagelijkse gehoorzaamheid geen lust hebben. Een dienen van God, dat bestaat in de geregelde vervulling van z'n geboden, trekt hen niet aan. Dan laten ze 't liggen. Ze zijn slordig in hun leven. Om hun christendom hierin te zoeken, om steeds de waarheid te spreken, nooit met listige streken om te gaan, nauw van geweten te zijn, geen bedrieglijke handelingen te plegen, ieder het zijne te geven, en dan verder heel gewoon te wezen, dat trekt hen niet aan. Zo'n christendom vinden ze eigenlijk de moeite niet waard. Een leugentje op z'n tijd, als 't zo te pas komt, daarover willen ze geen opmerking horen. In de scherpe tijd wat smokkelen. 't Is ook zo moeilijk om dan eerlijk te zijn. Zulke dingen achten ze kleinigheden. Hun christendom is een halleluja-christendom. Een bron van oploopjes en vuurtjes, van hoera-geroep en Here-geroep. Wij zijn het volk!

Wij hebben de laatste vijfentwintig jaar te veel van dat christendom gekregen. En het is vooral de laatste vier jaren gebleken, wat daarvan de gevolgen zijn. Het zout is smakeloos geworden, en waarmede zal het gezouten worden (Mt. 5 : 13)? Wat zijn de vruchten geweest van de beproevingen, die God ons zond? Hebt gij verootmoediging gemerkt? Hebben de mensen zich bekeerd tot een ander leven? Heeft de aardsgezindheid plaats gemaakt voor hogere gedachten? Hebben de ontzettende oordelen de eeuwige dingen doen bedenken, recht en gerechtigheid bevorderd? Wie er iets van gemerkt heeft, mag 't zeggen. In menig opzicht was de geest onder de mensen in geen tijden zo ellendig. En de geldgierigheid heb ik met name nog niet zo erg gezien.

Wat is de christelijke gemeente? Wat zijn de lidmaten der gemeente? Vaak grote kinderen, een troep kwajongens. Tot enig goed werk onwillig. Voor de zending onverschillig. Voor armenzorg met de haren erbij te sleuren. Voor sociale gerechtigheid doof. Maar wakker en dapper als jongens in de donker, als er eens een streek uitgehaald moet worden. Dat is de christelijke gemeente.

Ik denk ook aan de laatste geschiedenissen in ons land. Ieder herinnert zich die spannende week, die nog niet zo ver achter ons ligt. Thans zoekt een ander deel des volks zich te organiseren. Dat kan burgerplicht zijn. Wij houden echter ons hart vast. Voelt men niet, dat men een schrede doet in de richting naar de burgeroorlog? Ik hoorde onlangs zo velen over het volk des Heren en Oranje. In sommige kerken vindt een soort werving plaats. Dat vinden sommigen 't echte christendom. Zou dat het zijn om jaloers op te zijn? Ik denk aan onze bid- en dankstonden voor 't gewas, waar we wel eens ernstig gewezen hebben op de sociale gerechtigheid. De landbouwers zijn daar zo bang van, dat er bijna niemand meer bidt en dankt voor 't gewas in de kerk. En we hadden de kapitale som van fl 9,- aan dankoffers in 1918. Velen die doof zijn voor de prediking van maatschappelijke gerechtigheid, zouden graag zien dat de kerk zich bezighield met het uitreiken van sabels voor de burgeroorlog. Dit schijnt hun 't christendom.

Zou 't zo wezen? Zou dat in de goede richting gaan, wanneer de kerk het zwaard greep, in plaats van de gerechtigheid te dienen? Ik waag een voorspelling. Wanneer men 't nu daarin gaat zoeken, in plaats van in de sociale gerechtigheid, dan is dat de laatste schrede van het halleluja-christendom en dan is het voorgoed op de fles. Wij wensen van harte dat God ons Oranje-huis voor ons beschutte en behoude. Maar geen Oranje<... > kan vervangen de gerechtigheid. Hij dient het Oranje-huis het best, die zo ijverig mogelijk zoekt de klove te dempen, die door ons arme volk loopt.

De wil mijns Vaders, die in de hemelen is. Wat is dat? Wie is de Vader, die in de hemelen is? Hij doet z'n zon opgaan over bozen en goeden; Hij regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen (Mt. 5 : 45). Hij werkt altijd. En wat is de wil des Vaders, die in de hemelen is? Dat is een zeer ernstige en eenvoudige zaak. Eerlijk zijn, de waarheid spreken, liefdadig zijn, rechtvaardig, gerechtigheid lief te hebben. Gods koninkrijk te helpen uitbreiden. Op God vertrouwen.

Sommigen: dat is ons te gewoon. Welk een program. Vrede, blijdschap door de Heilige Geest. Christus' koninkrijk is een gestadig stil koninkrijk, dat doorwerkt, dat standhoudt.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Micha 6: 9bSuameer (1910-1923)Mattheüs 26 : 6-13 →