Mattheüs 26 : 57-68
Mattheüs 26 de tweede helft bevat twee tonelen, die het menselijk geslacht niet tot eer verstrekken. Het zijn de veroordeling van de Heer Jezus en de verloochening van Petrus. Dat zijn twee donkere bladzijden uit het geschiedboek. De onschuldige veroordeeld en de Meester verloochend.
Van deze dingen kunnen we ons niet afmaken. Men kan dat op verschillende manieren doen. De eenvoudigste wijze is te zeggen: Welke slechte overpriesters en welk een zwak discipel, alsof we er niet mee te doen hadden. Er is nog een andere wijze: het verhaal roerend te vinden en erin te delen: Jezus te beklagen. Van den beginne aan echter gaat ons de zonde aan: Adams zonde gaat ons aan. We kunnen niet doen alsof we er niets mee te maken hebben. Zo gaat het met alle donkere bladzijden in de bijbel. We mogen wat we hier lezen niet enkel uit de verte beschouwen alsof we erbuiten stonden. De wereld veroordeelt Christus. De kerk verloochent Christus. Dat is de droevige waarheid die we dagelijks tegenkomen.
Doch volgen wij ons tekstverhaal. Nadat Jezus gevangen genomen is, wordt Hij naar de hogepriester geleid (vs. 57). De Heer is zonder veel vorm van proces veroordeeld. Niet geheel. Enigszins is de vorm bewaard. Maar er is zeer weinig omslag gemaakt. In de nacht zijn zeker inderhaast enigen van de Joodse raad samengeroepen.
"Wat kan de blinde staatzucht brouwen
Wanneer ze raast uit misvertrouwen!
Niets luidt zo schendig, dat haar rouwt!"
Wat is het toch wonderlijk, dat nooit de hartstochten hoger worden opgezweept dan wanneer ze zich tegen het goede keren. Als de branding der golven. Welk een droevige aanblik levert de Joodse raad met de hogepriester. De Joodse wet kennen ze - hun werk is het om op wacht te staan of 't Godsrijk komt. Wezen van de godsdienst. Om er het volk gevoelig voor te maken. En nu 't komt, zien ze het niet. Wat is verblindheid ontzettend!
Daar staat Jezus voor hen. Wat heeft Hij hun gedaan? Wat kwaads heeft Hij gedaan? Wat kwaads komt ervan als men Hem geworden laat? Is er iemand door Hem benadeeld? Heeft Hij staatsgevaarlijke plannen? Ligt buiten de wereld. Jezus is onschuldig: zonder plan. Hij doet 't goede, wat zijn hand vindt om te doen. - Onschuld geldt hier niet.
Vanwaar het verzet tegen Christus? Het ongeluk van Christus op de wereld is, dat Hij beter is dan alle mensen. Hij doet geen zonde. Hij is lankmoedig, Hij is goedertieren; Hij is niet afgunstig; Hij handelt niet lichtvaardiglijk, Hij is niet opgeblazen; Hij handelt niet ongeschiktelijk, Hij zoekt zichzelve niet, Hij wordt niet verbitterd, Hij denkt geen kwaad (1 Kor. 13 : 4 v.). Hij bedekt alle dingen, Hij gelooft alle dingen, Hij hoopt alle dingen, Hij verdraagt alle dingen (1 Kor. 13 : 7). Hij is precies als de Vader, die in de hemelen is. Hij is de Zoon des Vaders. Hij is het beeld des onzienlijken Gods: het uitgedrukte beeld zijner zelfstandigheid (Hebr. 1 : 3).
Nu kan men zien dat het geen leugen is, wanneer de apostel spreekt van vijandschap des vleses tegen God en van haat tegen God en dat 't zich de wet Gods niet onderwerpt (vgl. Rom. 1 : 30 en 8: 7). Sommige mensen kunnen zo lief over zichzelf spreken. Mocht men hen geloven, dan hebben ze geen kwaad haar op hun hoofd. Ze doen naar hun beste weten altijd 't goede. Toch merkt men de vijandschap in hun hart. Ze bedekken niet alle dingen. Ze geloven niet alle dingen. Ze hopen niet alle dingen. Ze verdragen niet alle dingen. En daarom haten ze Jezus, die 't wel doet. Men kan ook heel donker over zichzelf spreken; veel spreken over de vijandschap, die in 't hart is; over de natuurlijke mens enzovoort. Of 't daarom altijd beter is... 't Beste zal zijn, wanneer we ervoor op onze hoede zijn en ons gewaarschuwd houden. Zo 't Jezus verging voor de Joden, kan 't Hem nog vergaan. De mensen haten de Heer, omdat Hij beter is dan zij: omdat Hij is als de Vader die in de hemelen is; omdat Hij de Zoon Gods is. - Iemand als de verloren zoon, zolang hij 't kwade doet, krijgt vele vrienden. Een metgezel in 't kwade te krijgen is gemakkelijk. In 't goede een metgezel te krijgen valt niet mee.
Wat zitten daar een oude en grijze mannen in de raad der Joden. Ze hebben al zo lange tijd gehad om 't goede te leren kennen. Ze hebben de beste kans laten voorbijgaan. Ze zijn mannen geworden in de boosheid. Dat wil niet zeggen, dat ze zo met opzet boos zijn. Dat zijn maar enkele mensen. Dat is het demonische, het duivelse. Maar ze zijn onwillekeurig boos. Ze hebben niet geleerd om aan 't betere toe te geven, God te wachten. Dat is een moeilijke levenskunst. Men zegt wel eens dat 't goede de vijand van 't betere is. Nu haten ze de Heer, omdat Hij beter is dan zij. Omdat Hij volmaakt is, zoals de Vader die in de hemelen is, volmaakt is (vgl. Mt. 5 : 48),
Nu moet er wat tegen de Heer ingebracht worden. Verschillende getuigen komen op. De een met dit, de ander met wat anders. En de overpriesters en de ouderlingen, en de gehele grote raad zochten valse getuigenis tegen Jezus, opdat zij Hem doden mochten en vonden niet. En hoewel er vele valse getuigen toegekomen waren, zo vonden zij toch niet (vs. 59 v.). En toch moet er wat tegen de Heer ingebracht worden. Behaaglijk is het op de wereld niet altijd; tenminste niet voor de Zoon Gods, die er zich niet inricht naar zijn genoegen. Wij denken nog weer aan de beschuldiging dat Hij door Beëlzebul, de overste der duivelen, de duivelen uitwerpt (Mt. 12 : 24). Er moet iets gevonden worden.
Valse getuigen tegen Christus. Leugens zullen het wel niet alle geweest zijn. Evenmin als bij 't volgende: dat de Heer de tempel zou afbreken en in drie dagen weer opbouwen. Maar alles wordt opgeraapt om de Heer te treffen. Het is erom te doen. Daarin ligt het valse der beschuldigingen. - Wonderlijk: Hij die niemand beschuldigde, wordt hier van alle kanten beschuldigd. Alles wordt opgeraapt om Hem te treffen. Een toevallig woord; een woord wordt verdraaid; een woord wordt opzettelijk misverstaan, om maar niet tot recht verstand te komen. Nooit wordt de geest der tegenspraak sterker, dan wanneer 't Koninkrijk der hemelen nabij komt. Wanneer de Zoon Gods komt, dan zeggen de landlieden: Laat ons hem doden, en de wijngaard zal de onze worden (vgl. Mt. 21 : 38). Wanneer God zijn recht laat gelden dan moeten er uitvluchten gezocht worden. Wie zal ze alle opnoemen: de uitvluchten, wanneer de drankzucht, de wereldsgezindheid, de zelfzucht enzovoort in 't gedrang komen? Veel vrienden heeft Jezus niet! Maar ook nooit vallen de verontschuldigingen zo weg!
Dan moet Kajafas de grote vraag doen: Ik bezweer U bij de levende God, dat Gij ons zegt, of Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. - En Jezus zeide: Gij hebt het gezegd (vs. 63 v.).
En dan volgt het: Hij is des doods schuldig (vs. 66). De Zoon Gods! Verlangt de wereld dan niet naar Hem? Verlangen de Joden niet naar Hem? Zeker in naam wel! Maar op een afstand. Zodra Hij komt, wordt het vonnis des doods over Hem uitgesproken. Reeds Jesaja had 't uitgeroepen: Wie heeft onze prediking geloofd (Jes. 53 : 1)?
Des doods schuldig! Dat oordeel uitgesproken over Jezus Christus. Wie had 't gedacht? Denk nu aan ons uitgangspunt. Zullen we zeggen: Slechte overpriesters? Arme Jezus? Laten we liever schrikken van onszelf. Als Jezus onder ons stond? Aan welke zijde zoudt gij staan? Bij de discipelen? Misschien zwak, maar toch zijn discipelen? Of in de raad der Joden? Zeg het niet te spoedig. Vraag het u telkens weer af. Elke dag! De Zoon Gods, die zo goed is. Laat ge u corrigeren? Denk eens terug.