Kolossenzen 3 : 4
Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.
Kolossenzen 3 : 4
Het eerste wat ons treft in onze tekstwoorden is dit, dat Paulus spreekt alsof het geen Pasen geweest is. Wanneer Christus zal geopenbaard zijn, dán... Een verborgen leven. Dit is een leven, dat in het duister ligt; met andere woorden: in een graf. Zo doet Paulus wel meer. Sommige Evangelische Gezangen kunnen zo vrolijk juichen:
"Triomf! wij zien op 't moordveld neer, maar Jezus hangt aan 't kruis niet meer. Reeds is de dood verslonden."
Wist Paulus dat dan niet? Paulus wist het even goed als wij, of nog beter. Hij was bijna een tijdgenoot van Jezus. En toch is de paasjubel bij hem getemperd. Zo onbezorgd als dat ietwat bombastisch gezang 141 zijn de tonen van Paulus' overwinningslied niet. Niet als een leeuwerik in de blauwe lucht, maar als het lied van een werkman bij de zware arbeid, of een ploeg bij het heiblok. Zijn zingen is tegelijk zuchten. Het lied moet tegelijk de adem erin houden. De arbeid gaat op de maat van het lied. De tonen van het lied zijn arbeidszuchten. Paulus heeft de opstanding in z'n leven opgenomen. Ze is hem adem en arbeid geworden.
Misschien denkt iemand, dat op die manier iets van het opgewekte van Pasen verloren gaat, dat de toon in de evangelische verhalen blijder is. Toch is dit niet geheel waar. Bij het graf is bij de vrouwen meer vrees en schrik dan blijdschap. Petrus en Johannes gaan niet vrolijk grafwaarts. Thomas is beslist ongelovig. De Emmaüsgangers kennen de bijbel zo goed, dat Jezus hun onkundig voorkomt. De discipelen in 't scheepke zien Jezus voor een spooksel aan. En wanneer Jezus een ogenblik hun voor ogen staat, is Hij terstond weer weg. En de jongeren herkennen Hem soms niet. Bij de hemelvaart nog staan de jongeren Jezus met een zekere teleurstelling na te staren. Zo opgewekt als wij ze soms maken, zijn de opstandingsverhalen ook niet. Dat wij ze zo maken, dat komt omdat wij zulke dogmatische christenen zijn. Wij nemen de dingen uit elkaar. Het kruis en de opstanding. 't Is echter een proces. 't Is als bij een geboorte.
Paulus verschilt dus in wezen niet van de evangelisten. Wel is er verschil tussen wat de opstandingsverhalen ons geven en wat de apostel beschrijft. De jongeren in het Evangelie zien van buiten naar het opstandingsfeit. De één vreest of beeft of is verwonderd of schreeuwt. Het is alles verbazing. Dat slothoofdstuk van de evangeliën beschrijft ons kortweg de eerste verwarde indruk, die de opstanding op de mens maakt. Precies als de tekenen op Pinksteren. Ons Paasfeest-vieren is misschien vaak te veel, dat we daarbij blijven staan. Het geweldige, het ontzettende nemen we er dan uit. We laten de taferelen aan ons voorbijtrekken. Wij houden ze vast en blijven erbij staan.
Zo kan men levenslang Pasen vieren zonder een stap verder te komen. Men raakt erin geoefend. Hier liggen de opgerolde doeken; daar de steen. Ginds zitten de engelen. Daar verschijnt straks de Heer. Ge raakt erin thuis. Met blijdschap ziet ge Pasen weer naderen. Op een afstand van tweeduizend jaren durft ge wel jubelend te kijken naar dingen, waar de eerste getuigen bevend bij stonden.
Dat was echter Jezus' bedoeling niet. Het is u nut dat Ik wegga, zei Hij (Joh. 16 : 7), en tot Maria Magdalena: Raak Mij niet aan (Joh. 20 : 17). Verschijnt Hij, dan verdwijnt Hij bijna even spoedig. Wij echter leggen die opstandingsbeelden vast. Blijf staan Heer, zeggen wij. Met Thomas roepen wij: Wij willen de hand in Uw zijde leggen en de vinger in Uw hand. Jezus antwoordt: Zalig die niet gezien en nochtans geloofd zal hebben (Joh. 20 : 29). Wij roepen: Verschijn Heer, verschijn. Jezus antwoordt: Het is u nut dat Ik heenga.
Wanneer wij echter de opstandingsverhalen goed lezen, dan blijft daar iets onbevredigends over. Er is een gedurig misverstand. Jezus wil weg. De jongeren houden Hem vast. Hij wil geestelijk in hen wonen. Zij houden Hem op een afstand door hun aanschouwelijke liefde. En deze toestand leggen wij nu vast. Wij zijn daarin rooms, en dienen de beelden. En wij plagen onze moderne medechristenen met deze onze liefde voor Jezus' schaduwbeeld. Wij zeggen: Dit is de opstanding: een gesloten deur, waar iemand door komt, een verschijning in een verschrikte kring. Wat weten we dan nog?
Om het u duidelijker te maken, vergelijk ik het met het Avondmaal. Dan zijn we niet tevreden met een gedachtenismaal. Dat Avondmaal moet inslaan, zegt ge, binnen in ons; geestelijk Christus' lichaam eten en zijn bloed drinken. Dan wordt het heel wat anders. Welnu, dat doet Paulus nu met de opstanding ook. Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid. Hier is de opstanding ingeslagen. Ons leven en Christus zijn hier verenigd. De opstanding is hier beginsel geworden - evenals het kruis.
Dan behoeft ge ook niet telkens te zeggen: Ik weet het niet. Maar hier is het: Wij spreken wat wij weten (Joh. 3 : 11). Daarmee moeten wij de proef nemen of wij werkelijk opstandingschristenen zijn. Onze tijd is er geschikt voor. Bij opstanding, dan worden de doeken opgerold en weggelegd. En Jezus ziet men niet. Geestelijke machten breken uit; stenen raken los. Welnu, de wereld is zulk een doek, die door God wordt opgerold. Durft gij ernaar te zien zonder schrik? De opgerolde doeken in het graf verschrikken u niet meer. De bijzonderheden van de opstandingsverhalen zijn onderwerp van theologische twisten geworden. Dat kan toch Jezus' bedoeling niet zijn. Christus en z'n kruis en z'n opstanding zijn een mosterdzaad, dat moet in de aarde vallen en vergeten worden en moet wassen en toenemen.
De kracht zijner opstanding.
Christus, die ons leven is - dat is Jezus' bedoeling. Hij zoekt na z'n opstanding een lichaam. Dat lichaam dat Thomas mag aanraken, dat is het echte niet. Hij zoekt een gemeente, om daarin te wonen en er het hoofd van te zijn. Pasen wordt pas begrepen, als het Pinksteren wordt. Zouden we dan niet meer het Evangelie leren kennen, zonder telkens de schouders te moeten ophalen?
Christus, die ons leven is, zal geopenbaard worden. Ligt Hij dan nog in 't graf? In de Psalmen wordt ergens gezegd: Hun keel is een geopend graf (Ps. 5 : 10). Dat is een ontzettend woord. De mensheid heeft soms veel weg van een leeg graf, in een hoek wat windselen, die aan Jezus herinneren. Het zou ontzettend zijn als de gemeente ook niet anders was: haar geloof het geloof aan een paar oude verschijningen, windselen in een verre hoek en Jezus eruit. Waar is Hij nu? Hij is ons leven, zegt de apostel. Daar hebt ge Hem. En zullen er nog wel zijn, die dit nazeggen?
Het is een heel ding. Want het graf reikt ver en er schijnt niets over te blijven. Alleen zweetdoeken en geen Jezus. Eerst al het grote wereldtoneel. Dat is zo deerlijk afgevallen, van 1914 af. 't Is of God de wereld oprolt en in een hoek legt. ⚑Zijt gij bang? Maar dat is nog maar heel uitwendig. Gij zegt: de kerk in de wereld. Wij zitten hier toch. Ach, en is de kerk misschien niet alleen buiten en onder de steen, maar ook van binnen een dodenakker, een graf? Waar houden slechte toestanden zolang stand als in de kerk? Windselen, windselen. Gij komt tot uw persoonlijk leven. Persoonlijk leven is echter eerst recht een benauwd ding. Durft ge wel te kijken naar hoe uw leven opgerold wordt en weggelegd? Hoe snel, hoe onnut. Zweetdoek, doodszweet. Wat blijft er over?
Het kan zijn dat gij trots alles verstaat wat Paulus zegt: Die ons leven is. Wanneer in 't dood'lijkst tijdsgewricht de ziel gered wordt, dan wordt Christus geopenbaard. Gij ziet niet en gelooft nochtans. Dat gebeurt toch nog wel? Wanneer uw ziel moedig en oprecht Christus' Woord en daarmede Hemzelve in zich opneemt, zodat uw hart de kweekbodem wordt van z'n Woord, en uw geest zijn lichaam.
Jubelen is dit altijd niet. Christus is hoeksteen, de apostelen fundamenten (Ef. 2: 20). Wilt gij dat? Gemengd nieuws. Wanneer uw werk wordt afgebroken, uw persoon gesmaad en geschaad, uw lichaam straks in uw christelijk beroep wordt verteerd, als gij gelijkvormig wordt aan Christus' kruis en opstanding, - dan leert gij Pasen verstaan, dan moet het blijken of Christus, die ons leven is, of die in staat is ons te verheerlijken en zich te openbaren. Dat predik ik u, dat Hij dat doet. Zonder dat Paasevangelie hebt gij geen adem en geen lucht. Wanneer Hij niet in u werkt, is uw leven niet dan sterven, een graf. Maar als in uw leven, in uw arbeid, al is het zwaar en moeilijk, Christus is, dan houdt Hij de adem, het leven, de kracht erin. Steunende, zwoegende, stervende komt de opstandingsadem eruit. Lied bij de arbeid.
Die verheerlijking blijft nooit uit. Wat ge er beslist van ziet, dat is weinig. 't Zijn blinkjes, zoals de verschijningen blinkjes zijn. De blinkjes zijn heerlijk, maar 't is het geweld van de zaak niet. Zalig die niet gezien en nochtans geloofd zullen hebben. Dit is het geweldige van Pasen, dat midden uit de dood en de ondergang van ons leven, uit het graf van politieke, kerkelijke en persoonlijke windselen, Christus, die ons leven is, altijd uitbreekt, Hij die de dood overwon.
Er is geen zaliger ervaring dan deze, dat dan, wanneer gij gebeukt wordt in het leven, als gij verbroken wordt als een fles, dat dan het leven, Christus, uitbreekt en z'n eeuwige geur verspreidt. Zijt gij zo al een reuk des levens ten leven geworden (2 Kor. 2 : 16)?