Soberheid1
Men verzocht mij, iets te willen zeggen over de vraag, hoe wij de geestelijke nood van onze tijd moeten zien en op welke wijze wij daarop moeten reageren. Ik geloof daaraan het best te kunnen voldoen door het aanraden van grote soberheid. Ik beroep mij hier op de woorden van de Amerikaanse professor Elliott, aangehaald in een artikel van dr. J. R. Slotemaker de Bruine in Stemmen des Tijds van januari 1932 2Deze hoogleraar merkt op, dat de moeilijkheid er op neer komt om, als een familie aan 't verhuizen is, tegelijk te zorgen dat het eten op tafel komt en niemand honger lijdt. Slotemaker noemt dit zeer terecht een leuke zin. En iets van die leukheid zit gelukkig de hele wereld door. Van bovenbedoeld huismoederlijk kunststukje af tot aan de voorzienigheid Gods toe, waarbij, zoals onze Statenvertaling zeer juist heeft gevoeld, ook dikwijls een 'nochtans' te pas komt (Matth. 6 : 26). Het is niet zonder meer vanzelfsprekend, dat iedere mus, die we zien rondfladderen, ook voedsel krijgt.
Het is goed dit te bedenken, als we peinzen over de moeilijkheden onzer dagen. Ons geloof is nooit een conclusie, die we kunnen trekken uit de omstandigheden, waarin we verkeren. Het is geboren in de tenten van een familie van nomaden, die steeds weer op een andere plaats de pinnen van hun tent losjes in de grond sloegen en dan met verrassing ontdekten, dat God "ook aan deze plaats'3 was. Dat ons denken een eindpunt vindt, ons hart rust, ons handelen een begin, dat betekent in ons zwerversbestaan een zo groot mirakel, dat we het direct met God in verband hebben te brengen. Dat is het primaire, waarvan we moeten uitgaan. Wij kunnen wel van het geloof naar de probleemkant der dingen gaan, maar de omgekeerde weg staat ons niet open. Dat we het toch beproeven brengt ons in grote zwarigheden.
Nu kunnen we ons het ontstaan van deze toestand op twee manieren denken. Men kan menen: het geloof neemt af en daardoor nemen de problemen toe, of: de vraagstukken worden zo groot, dat het geloof er niet meer tegen op kan; zoals Burckhardt ergens zegt, dat de Romeinse geest tenonderging, omdat hij tegen het fatum niet meer op kon.4 Met een paar stichtelijkheden kunnen we ons van deze vraag niet afmaken. Onze tijd vertoont overwegend het beeld van het laatste lid van het alternatief en individueel kunnen we ons daarbij niet schuldig gevoelen. Wij hebben aan de wetenschappelijke en sociale vragen niet zelf die geweldige afmetingen gegeven, waarin ze nu voor ons optreden. Het probleem van de oorlog bijv. is heel iets anders dan in de tijd, toen het Nederlandsche Zendelinggenootschap5 'stukjes' uitgaf voor de soldaat, om ook voor deze 'gezegende' stand iets te doen. Het groeit snel boven Rode Kruis en Vredesconferentie6 uit. 't Is nauwelijks meer een zedekundige kwestie en de eschatologische afmetingen zijn er niet aan te miskennen. - Weinig minder is dat het geval bij de sociale vragen, waarin de moeilijkheden ook wijzen op zekere grenzen, waar de morele overweging iets van het einde in zich moet opnemen, wil ze met alle gegevens rekening houden. De afmetingen van onze kleine planeet komen daar een huishoudelijke beschouwing in verwarring brengen. Het is voor ons moeilijker om hier naïef gelovig te zijn dan voor vroegere geslachten. De probleemzijde dringt zich zo geweldig aan ons op, dat het ongeestelijk schijnt hier de persoonlijke zekerheid, rust en beslistheid te eisen, die er nodig zijn voor het christelijk leven. Voor mijn bewustzijn zijn deze half-eschatologische vragen bezig onze meer gewilde, opzettelijk opgezochte, theoretische moeilijkheden uit een vroegere periode naar de achtergrond te dringen.
De conflicten tussen bijbel en natuurwetenschap, geloof en psychologie, waarin Engelsen en Amerikanen zich nog zo graag mogen bewegen, lijken mij sterk in betekenis verminderd. Wanneer het ons gegeven mag worden in onze tijd aan het 'nochtans' des geloofs vast te houden, dan zullen we ons daarbij zeker niet laten hinderen door een of andere natuurwetenschappelijke bedenking of zielkundige voorzichtigheid. Wanneer we de mensen thans nog te veel lastig vallen met goed bedoelde apologetiek in die richting, dan verzwaren we hun ransel onnodig.
Eer zijn natuur en ziel bezig ons te hulp te komen door ons iets van die leukheid af te beelden, waarmee God ons, te midden van de verschuivingen op het gebied van geest en historie, toch nog de geestelijke tafel toericht. Vooral van de natuur geldt dat thans. Zij is niet meer de vijand van ons geloof, maar werkt mee. Zon en wind, zo merkt menige vermoeide ziel, blijven toch dezelfde. Het wetmatige, het verbond van God dat daarin uitkomt, betekent geen bestrijding maar een steun voor het geestelijk leven. Psalm 23, de pastorale, ontwaakt weer. - Met de zielkunde zijn we nog niet zo ver, maar zij zal wel volgen. De abstracties van Freud geven haar voor menigeen misschien nog een 'Nachtansicht', zoals de natuur in Fechners dagen,7 maar dit kan niet blijvende zijn. In de romanliteratuur hebben we 't ergste van de analyse al weer achter ons.
De geestelijke nood van onze tijd ligt niet hier. Het is niet een kwestie van theoretische of praktische aanpassing aan iets dat gegeven is. De meeste mensen zijn, als het daarop aankomt, bereid om over vele bezwaren heen te stappen. Door de dreiging, die er uitgaat van het geestelijk nihilisme, zijn zij murw geworden en bereid te erkennen, dat ze hun persoonlijke bezwaren onnodig hebben opgeblazen. Maar op de terreinen, waar de dialectiek der geschiedenis 't meest direct voltrokken wordt, staat zulk een bekering niet in onze macht. De idylle, die ons in de natuur en in de ziel lokt, is herhaalbaar en staat tot op zekere hoogte steeds tot onze beschikking. Op het gebied van de geest en de geschiedenis is dit niet het geval. Hele groepen tijdgenoten zien niet meer of nog niet, waartoe zij zich hier zouden moeten bekeren. Hun leven is uit het verband geraakt, waarin iemand zich cum grano salis - het geloof zelf kan afleiden. De grootste tegenstelling bestaat heden ten dage misschien tussen hen, voor wie het geloof iets geworden is, dat los van hun leven staat en als een absoluut 'nochtans' opnieuw moet worden geschonken, en die anderen, van wie men nog zeggen kan dat hun ziel 'van nature christinne'8 is, omdat zij in de wereld een plaats innemen, die hen predisponeert voor het geloof. Er bestaat nog een geestelijke bourgeoisie, maar het getal dergenen, die daar niet meer toe behoren, neemt steeds toe.
Voor de waardering van deze dingen hangt er inderdaad veel af van de kwantitatieve verhoudingen. De omtrekken, waarbinnen het geloof als idylle te beleven is, beginnen eilandjes te worden in een zee, niet van ongeloof; dat zal ik niet zeggen. Maar wel een zee, waarvan wij de kusten niet kennen en waar men op kompas moet varen. Buiten de kring van het gezin valt het niet gemakkelijk telkens weer een cirkel te trekken, die enige steun biedt aan ons denken over God. De verhouding van geloof en arbeid (fabriek), geloof en kapitaal, geloof en staat, is veel moeilijker met een vrome stemming te verbinden dan toen zich dat alles nog in het verlengde van de familie liet zien. De patriarchale levensbeschouwing ligt wel ver buiten onze gezichtskring. Het geloof vindt zo weinig aanknopingspunten, dat we weer geneigd raken aan ongoddelijke machten te denken.
Dat betekent een groot gevaar, als we van de probleemkant beginnen en de eis handhaven, dat God geheel of ten halve uit de wereld afleidbaar moet zijn. Want dan voert het tot de massale godloochening, waarvan wij de getuigen zijn. Maar zullen we die kunnen overwinnen met een alzijdig doorgewerkt personalisme? Staat het in onze macht de bressen, die in de omtrek der wereld geslagen zijn, te dichten en haar tegen eschatologie te beschermen? Prof. dr. Ph. Kohnstamm9 heeft heel duidelijk gezegd, op welke voorwaarden dit zou moeten geschieden, als hij schrijfta dat de personalistische beschouwingswijze voor alles voor dit probleem staat: "Hoe kan de mens steun ontvangen in een concrete situatie?" En als hij verder meent, dat het antwoord daarop niet alleen op het geloof kan berusten, maar ook moet "gefundeerd zijn in nauwkeurige kennis van de 'wereld' Het 'sola fide' wordt hier in een bepaalde zin bestreden en ook elders waarschuwt de schrijver er tegen om het geloof niet buiten het leven te plaatsen.
Ik heb grote eerbied voor deze poging om de harmonie in de schepping dienstbaar te maken aan het geloof en op die wijze vast te houden aan het eerste van de Twaalf artikelen. De waarschuwing, die dit hele werk wil zijn, om zich niet eigenwillig in het ledige te storten en God de Heer niet te verzoeken, verdient ongetwijfeld ernstige overweging. Wanneer wij uit Rusland horen, dat men daar de laatste cel, de familie, zoekt op te lossen, omdat zij steun biedt aan 't geloof, dan geeft dat te denken.
Zal het echter mogelijk zijn voor het geloof steun te zoeken in een concrete situatie ver buiten het gebied van de natuur en de ziel, die samen weer op zo heerlijke wijze in het gezin verbonden, een soort vluchtheuvel in de wereld scheppen, zoals Augustinus reeds de familie noemde?10 Zal het ook daar mogelijk zijn, waar de geestelijke storm raast in de historie? - Ik meen met deze vraag de geestelijke nood van onze tijd te raken. Wanneer het geloof min of meer buiten het leven geplaatst wordt, dan is dat niet het werk van mensen, allerminst van theologen, maar een gebeuren, dat niemand verhinderen kan. Wanneer aan God een zekere onkenbaarheid wordt toegeschreven, dan is dat eenvoudig de beschrijving van het feit, dat men voor het geloof geen steun meer vindt in de situatie. Het sluit de mogelijkheid van een meer directe openbaring niet uit, maar postuleert die juist.
Het werpt een merkwaardig licht op het hedendaagse geestelijk leven, als wij de bekende Duitse filosoof Heidegger horen zeggen, dat het met die situatie zo'n eenvoudige zaak niet is.11 Hij ontkent niet helemaal de mogelijkheid, dat zij zich zou kunnen aftekenen. Maar dan slechts voor iemand, die het eigenlijke leven gevonden heeft en de moed heeft gegrepen de dood in 't aangezicht te zien. Ook hier de erkentenis, dat er iets van het einde mee gemoeid is en dat de zekerheid niet van de omtrek komt, maar omgekeerd. Een schaduw van het sola fide doet zich hier voor ons op.
Wij protestanten zijn gelukkig in deze richting niet helemaal ongeschoold. Wij hebben in het persoonlijk geloofsleven geleerd, de zekerheid omtrent Gods genade onafhankelijk van onze morele situatie te grijpen. Wij bouwen die ook niet op uit beide tezamen, maar door, met het geloof, dwars door onze zonden heen naar Gods belofte te grijpen. - En als gereformeerden kennen we die houding ook tegenover de wereld reeds een weinig. Ik geloof niet, dat het sterk nadruk leggen op de scheppingsordinantiën, dat bij het neocalvinisme valt op te merken, een noodzakelijke aanvulling is van Calvijns Institutie.12 Het gebeurt meer ten bate van een christelijke wetenschap dan van het christelijk geloof. En het is lang niet zeker, dat de daarmee samenhangende expansie van de gelovige persoon op ieder levensterrein tot het doel zal leiden. In dat opzicht gaf de figuur van het Réveil met z'n originele, hoofd voor hoofd op God ziende mannen, een betere greep naar het eeuwige te zien.
Aan het openliggen van de wereld, haar steeds haastiger veranderende situatie, haar betrokken-zijn op het einde, moet ieder christen zich gewennen. Dit is niet iets wat nu voor 't eerst van hem wordt gevraagd. Het christendom is onder die voorwaarden ontstaan en al z'n grote momenten en gedachten dragen daarvan het stempel. Zou het nu ineens in onze tijd niet meer vat kunnen krijgen op de harten? Eer moeten wij 't omkeren en zeggen, dat slechts het geloof enige tekening kan zien in de toestanden, waarin wij leven. De aantrekkingskracht, die de kerk opnieuw hier en daar oefent, wijst ook in deze richting.
Dat alles wil niet zeggen dat wij deze kijk op de dingen de mensen moeten opdringen. Overal waar iets is blijven bestaan van de idylle des levens; waar God gekend wordt aan de wind des daags en de hele situatie steun biedt voor het geloof in Hem, daar hebben wij dat in z'n wezen te laten. De zonde heeft al genoeg verstoord en we behoeven haar niet opzettelijk te helpen. De liefde voor de open lucht bij onze tijdgenoten is een positief goed en overal elders, in zieleleven of samenleving, waar iets daarvan te vinden is, zullen we het dankbaar hebben te erkennen en met kracht te verdedigen.
Maar wij leven niet meer in 't paradijs. De grote verhuiswagen der geschiedenis is voor de deur en we zullen de volle harmonie niet terugvinden, vóór de eeuwigheid is aangebroken. Zolang is een zekere soberheid geboden, een intellectuele en zedelijke ascese, een leven bij wat de pot schaft, dat de mens toch eigenlijk 't best staat. En hier ontmoet ik tot m'n vreugde ook prof. Kohnstamm. In een merkwaardig hoofdstukje over 'ascese en heiliging' in z'n bovengenoemd werk geeft hij de mogelijkheid toe, dat de nieuwe harmonie, het nieuwe evenwicht van vitale spanning en zedelijke wil op een verhoogd niveau" ook wel niet zou kunnen worden bereikt, ofschoon hij 't hoopt.13 In afwachting daarvan breekt hij dan een lans voor ascese, in de zin van christelijke tucht. En voor een antithese-ad-interim tegen die ongoddelijke machten, welke in de historische situatie zijn op te merken, en waarmee geen synthese mogelijk is.
Het oude calvinisme had deze tucht als permanent bestanddeel van christelijk leven aanvaard. Ik zie daarin een der hoofdtrekken van dit historische type. Ook Augustinus kende de ascese wel van deze zijde. Een mens wordt een demon, als hij niet onder de strenge controle der eeuwigheid staat en zich op ieder levensterrein uitleeft.
Zou er in onze tijd, met zijn vervaarlijke openheid naar alle kanten, zijn sterke bijspraak van het einde, niet alle reden zijn om zich deze levensmogelijkheid te herinneren? Daarbij is zelfs nog wel een zekere geslotenheid in de vorm denkbaar. Prof. dr. C. Gerretson heeft eens gesproken over dit "neen-zeggen tegen alles wat nodeloze weelde, vermaak, opzichtigheid en afleiding van de strenge levenstaak is", bij de calvinisten.14 Hij wees er op, dat wij tot verlaging van levensstandaard moeten komen òf door nog straffere gebondenheid (door de staat), òf door een nieuwe independentie.15 Hij hoopte het laatste. Ik sluit mij daarbij aan en denk daarbij allereerst aan geestelijke independentie. Dat betekent dat wij, zonder veel steun voor ons geloof in de wereld die ons omgeeft, in afwachting van de harmonie der eeuwigheid, in strenge geestelijke versobering, ons tevreden stellen met de toch maar weinige artikelen van ons Credo. Dat is een positie, die wij niet zelf kunnen scheppen maar die, hoe eenvoudig haar structuur ook schijnt, een grondslag in de eeuwigheid vereist. De roeping en verkiezing, die daarvandaan komen, gelden echter niet alleen onze geestelijke bourgeoisie.
Die kan desnoods het geloof uit haar omgeving afleiden - Maar zij betreffen allermeest hen, die geen steun vinden en die het van het geloof alleen moeten hebben.