Rome en de Reformatie1
Als vaststaand bijvoeglijk sierwoord bij 'kerkhervorming' werd vroeger geregeld 'gezegend' gebruikt. Het klinkt mij nog in de oren uit de herdenkingstoespraken, die ik heb gehoord. Later is er ten opzichte van dat 'epitheton ornans' wel enige kentering gekomen. Het krijgt niet altijd meer dat zware accent, waaraan het gewend was. De oecumenische gedachte heeft er een zekere betrekkelijkheid in aangebracht, die meestal duidelijk merkbaar is. Het artikel van de heilige, algemene, christelijke kerk kwam weer meer naar voren en het verbreken van de éénheid, de katholiciteit, ging weer als een groter bezwaar en ook wel als een grotere zonde gelden.
Dit gebeurt niet alleen op theoretische gronden, maar het houdt ook verband met de praktijk. Bij het apostolaat in de moderne wereld hangt er veel af van het gezag, dat men aan Gods openbaring geldig kan maken en van de evidentie, die men er uit kan doen oplichten. En daarvoor is de éénheid der kerk van grote betekenis. De pluriformiteit kan de mensen sceptisch maken omtrent de waarheid en de onderlinge tegenspraak, die er mee samenhangt, kan er toe leiden, dat de klaarblijkelijkheid dier waarheid verdonkerd wordt. Kardinaal Newman, die met deze vragen zo lang geworsteld had, was sterk onder de indruk gekomen van die praktische moeilijkheden. In zijn prachtige Grammar of Assent schreef hij, dat de mensen eisen, dat Gods openbaring als op de zon geschreven zou moeten staan.2 Newman vindt, dat daar iets voor te zeggen is. Want de zichtbare kerk is, volgens hem, ook als de zon aan de hemel. Dat dit argument niet krachtiger inslaat, komt - aldus Newman - van de ellendige handelingen in de vijftiende en de zestiende eeuw. Met andere woorden, van de Reformatie en haar kerksplitsing.
Nu vind ik de Grammatica des Geloofs van Newman een prachtig boek, dat ook nog in onze tijd een zwaar tegenwicht vormt tegen veel oppervlakkig rationalisme en biblicisme. De geest van dat werk geeft gehalte aan veel wat van rooms-katholieke zijde in de nieuwere tijd tegen ons wordt aangevoerd. En wanneer straks een Engels-sprekende paus wordt gekozen, zou dat onder meer ook een erkenning moeten betekenen van de betekenis, die dit Angelsaksische denken voor Rome heeft gekregen.
Des te meer is het geraden, ons te bezinnen op het karakter van de éénheid, die de moderne rooms-katholiek voor ogen staat en om onze houding daartegenover te bepalen. Daarvoor moeten wij allereerst de historische betekenis van de Reformatie in het oog zoeken te vatten. Newman merkt op, dat Jodendom en christendom eigenlijk een éénheid vormen en dat zij samen de hele loop der eeuwen omspannen.3 Door deze twee is de mens dus met zijn Maker verbonden. Er is geen tweede lichaam op de wereld, dat daarmee vergeleken kan worden. Bovendien maakt dit corpus aanspraak op wereldheerschappij. Onze Here Jezus - aldus Newman in zijn Grammar - stichtte niet alleen een religie, maar ook een systeem van godsdienstige oorlogvoering, een agressief en militant lichaam, een heersende Katholieke Kerk, die het welwezen van alle naties op het oog had door middel van de geestelijke verovering van allen.4 Leo XIII bedoelt in een encycliek later hetzelfde, als hij schrijft, dat de kerk door haar Hoofd in slagorde geschaard is, om voor het heil van het menselijk geslacht te strijden.5
De visie van Newman herinnert sterk aan die van Augustinus in zijn hoofdwerk De Godsstaat.6 Met dit onderscheid, dat de kerkvader hetzelfde schema toepaste, niet op Israël en de kerk, maar op Babel en Rome, de beide grote wereldrijken. Deze tweemaal twaalf eeuwen wereldheerschappij vullen ook de wereldgeschiedenis, voor zover die aan Augustinus bekend was. Zij reiken zo ongeveer tot de schepping. Maar haar oudheid dient de schrijver niet als een argument voor haar waarheid en bestaan, haar goddelijkheid en heilzaamheid. Juist het omgekeerde is het geval. Hij leest er de nietigheid van de aardse burgerschappen uit af. Met zijn twee perioden van gelijke duur, die een zuivere herhaling te zien geven. Zij leveren een illustratie van de heidense voorstelling van de kringloop der geschiedenis. Babel is het eerste Rome en Rome het laatste Babel.
Wanneer de kerkvader echter over Israël en de kerk gaat handelen, dan doet hij dat op een heel andere manier. Dat moest hij ook wel doen. De christelijke kerk had nog niet zulk een imponerende duur, die met die van het Jodendom vergeleken kon worden. Zij telde geen twaalf, maar nog slechts vier eeuwen. - Augustinus kan het ook niet op dezelfde wijze gewild hebben. Hoe zou hij van de loop der godsopenbaring een voorstelling hebben willen geven, die wel geschikt was om de wenteling van het rad van het Noodlot uit te beelden, maar niet om ons de figuur van Gods openbaring te tekenen.
Wel komt hij soms op voor de oudheid van het christendom. Maar dat gebeurt dan niet op zo'n brutaal-historische wijze. Oudheid betekent dan eigenlijk waarheid. Het christendom is de ware, oorspronkelijke, preëxistente godsdienst, waarvan men ook elders de sporen ontmoet. Het is universeel.
Wanneer de kerkvader op zijn eigen, episcopale toon over de historie van Israël en van de kerk spreekt, dan doet hij dat juist andersom dan wanneer hij het heeft over Babel en Rome. Dan regeert God in de geschiedenis. Over het Jodendom spreekt hij dan profetisch en over het christendom apocalyptisch. Er waait dan Geest onder de eeuwen en daardoor verliezen deze dat massieve en zwaarwegende, dat Newman er toe brengt om ze zonder meer als argumenten te gebruiken. Zulk een figuur neemt God in de geschiedenis niet aan. Hij komt niet als een zwaargewapende, maar als David met een slinger en raakt ons toch, juist waar Hij wil. Zo is de openbaring in Jezus Christus.
In de dagen van de Reformatie begon dat grote lichaam, het zgn. corpus christianum, dat samen met het Jodendom als een bergmassief zich tot de schepping toe uitstrekte, tekenen van afbrokkeling te vertonen. Zulke gevaarten doen dat in de loop der eeuwen. Daarmee was echter de Zone Davids met zijn slinger, het Evangelie, niet uit het veld geslagen. - Het zijn de reformatoren, die daarvoor oog hebben gehad.
Hadden zij dat niet gehad, dan zou het er, menselijkerwijze gesproken, heden ten dage met het christendom slechter hebben uitgezien dan thans reeds het geval is. Ook de Roomse Kerk teert, om zo te zeggen, op de Reformatie. Zij vindt haar meest hechte steunpunten in landen, waar de Reformatie het meest heeft doorgewerkt. Ik weet niet, wat er van haar geworden zou zijn zonder die 'ellendige handelingen' in de vijftiende en zestiende eeuw.
Men kan de betekenis van de Reformatie vergelijken met die van de Westerse kerk vóór de tijd, toen het oude Rome onderging. Die kerk heeft Rome toen als het ware opgevangen in zijn val. Zij heeft de functies van het rijk deels overgenomen, deels verinnerlijkt. Door een sterke geestelijke concentratie heeft zij toen een vroege ondergang van het Avondland verhoed.
Iets dergelijks heeft bij de Kerkhervorming plaats gehad. Het kerkelijke Rome had zich in de loop der eeuwen te veel van het politieke Rome eigen gemaakt. In de vijftiende en de zestiende eeuw werden de gevolgen daarvan overal zichtbaar. In zulk een gestalte is een kerk allerminst een argument voor de goddelijke openbaring, indien zij het al ooit kan zijn.
Toen heeft dan de inderdaad gezegende Kerkhervorming plaats gehad. De leer en de praktijk der kerk werden daarbij uitermate vereenvoudigd. Het ging weer opnieuw, als bij Augustinus, om het hart der kerk: Gods vrije verkiezing en genade en niet om de monumentale omtrekken van een historisch lichaam.
Dat zulk een verinnerli king en vergeestelijking nodig is, weet de hedendaagse rooms-katholiek ook wel. Hoe zou hij niet, vier eeuwen na de Reformatie en een eeuw na Newman. Want Newman leerde aan Rome ook een weg der verinnerlijking, een pad der heiliging. Niettegenstaande zijn vergoding van de historie, zijn eerbied voor gestalte en rite, zijn grote liefde voor de figuur, was hij in de eerste plaats een leraar der innerlijke heiliging. Ook hij wilde Rome, ofschoon het in zijn beschouwingen vaak als een Roma aeterna voorkomt, opvangen, zoals de Reformatie dat gedaan had. ⚑Ook dit zou duidelijk uitkomen, als er een Amerikaanse paus werd benoemd. Het geografisch aspect zou slechts een symbool zijn van een wezenlijke verandering in het pausdom. Het zou een breuk met het antieke Rome betekenen, met al de gevolgen van dien. Zo komen de Reformatie en Rome langzamerhand anders tegenover elkaar te staan dan in de zestiende en de zeventiende eeuw. De roomse idee, dat de kerk een staatachtig lichaam is, zal noodwendig moeten verzwakken. Ook het massieve van Rome's historische gestalte, waar Newman nog zo graag mee speelde, zal minder betekenis krijgen.
Tussen de Reformatie en Rome zal het er in de toekomst om gaan, hoe de wankelende zichtbare kerk moet worden opgevangen. Met het concilie van Trente7 is die vraag reeds aan de orde gekomen. Maar in onze dagen begint het dringende daarvan eerst voor ieder duidelijk te worden.
Blijft er ook, als de kerk haar aanspraken op een aardse heerschappij opgeeft, nog een innerlijk bolwerk van heiligheid over? Geen corpus christianum in middeleeuwse zin meer, maar een corpus Christi, dat de regelrechte voortzetting is van de menswording van Christus? Is er zulk een lichaam, dat controleerbaar en administreerbaar groeit en waarvan de kerk het beginsel in haar leden kan laten invloeien? Kan dit bolwerk een dijk vormen tegen de vloed der zonde?
Tegen deze innerlijke secularisering van het heil, dat in Christus is, zal de Reformatie haar sola fide moeten blijven stellen. Niet de eeuwen, maar de Eeuwige.