O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← De jaarwisselingPreekstudiesLezingen over preken →

Verzamelde Werken, deel 7 · Preekstudies · p. 511–513

Preekschets over Handelingen 2: 37-40

Onze tekstwoorden moeten in zekere zin van achteren naar voren gelezen worden. Want om het laatste - het ontvangen van de gave des Heiligen Geestes - daarom gaat het. De Joden hebben de bediening van de doop met de Heilige Geest en met vuur, waarvan Johannes had geprofeteerd, bijgewoond. En Petrus heeft het hun gezegd, dat Jezus die zij gekruisigd hebben, 'dit' uitgestort heeft (Hand. 2 : 33). Zijn getuigenis werd gegeven onder de volle 'praesentia realis' des Heiligen Geestes. Hij kon die Geest als met zijn vinger aanwijzen. Hij kon die richten op het vuur, waarmee zijn hoofd gedoopt was, terwijl de 'tongen' nog naklonken in de oren van de aanwezigen. Met deze situatie behoren de prediker over onze tekst, zowel als zijn gehoor goed rekening te houden. Het geldt eveneens van de verdere Handelingen der Apostelen. Ook de Heilige Geest heeft - om het zo eens te zeggen - zijn Evangelie. Ook zijn komst en werk is in een boek beschreven. En wat wij daarin lezen, heeft voor ons geloof een onmiddellijkheid en aanschouwelijkheid, die de werken des Geestes later in de kerk niet meer hebben.

Daarom mogen wij de gave des Heiligen Geestes niet vergeestelijken. Want de gave, waarover hier gesproken wordt, is de Heilige Geest zelf. Dat is iets anders dan de gaven des Geestes, geloof, hoop en liefde, waarover Paulus in zijn brieven schrijft. Als Petrus zegt: "Gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen" (vs. 38), dan tekent Bengel daarbij aan: "zoals wij". Zij zullen deel hebben aan wat zij pas gehoord en gezien hebben. Het zal ook voor hen in volle zin Pinksteren worden. Deze gave is God zelf, de Trooster, waarvoor Jezus plaats gemaakt heeft. Wij geloven ook in de Heilige Geest, zoals wij geloven in de Vader en in de Zoon.

Daarom moet de doop met de Heilige Geest en met vuur in de prediking blijven staan. Er is in onze tekstwoorden ook sprake van de doop in de naam van, op grond van, op gezag van de naam van Jezus Christus. Daarbij denken wij aan de doop met water. De verhouding tussen die beide dopen is in de Handelingen der Apostelen niet steeds geheel duidelijk. Hier krijgt men de indruk, dat Petrus de waterdoop voorop wil laten gaan. Ook in Handelingen 19 is dat het geval. Maar in Handelingen 10 bestaat de omgekeerde volgorde. Op Cornelius en de zijnen valt de Heilige Geest, terwijl Petrus nog sprak, en daarna spreekt Petrus: "Kan ook iemand het water weren, dat deze niet gedoopt zouden worden, welke de Heilige Geest ontvangen hebben gelijk als ook wij (Hand. 10 : 47)?" Dit moet de oorspronkelijke volgorde zijn. Ook Calvijn besteedde aandacht aan de volgorde, nl. van doop en vergeving in de woorden van Petrus, en hij vraagt of Petrus die orde mag wijzigen. Zijn antwoord is, dat de apostelen de pinkstergave ontvingen, maar dat wij de meer gewone geestelijke gaven ontvangen, die aan de doop verbonden zijn. Hij schijnt hier dus ook de doop des Geestes voorop te stellen.

Dit is van grote betekenis voor de prediking en voor ons geloof. Wanneer wij met het boek van de Handelingen der Apostelen te spoedig dalen tot het niveau der latere kerk, dan gaat de heerlijkheid van dit gedeelte van Gods openbaring verloren. Het derde artikel van ons Credo is ook een geloofsbelijdenis. Het zijn heilsfeiten, waarover het hier gaat, zoals de geboorte van Jezus, zijn lijden en zijn opstanding. Zo hier de uitstorting des Heiligen Geestes. Deze feiten zijn voor ons in de eerste plaats geloofsartikelen. Hun existentiële en zedelijke betekenis oefenen zij niet zo regelrecht. Wat Petrus hier zegt, zijn geen apostolische vermaningen, maar getuigenissen als die van de engel bij Jezus' opstanding. De hoorders van Petrus worden met de twaalve op eenzelfde niveau gezet. Gij zult de Heilige Geest ontvangen, "zoals wij" (Bengel). En dat blijft zo in de Handelingen der Apostelen (Hand. 10 en 19). Zij delen allen in de pinkstergave (Calvijn). Zij beleven allen min of meer de praesentia realis des Heiligen Geestes, zoals de getuigen van Jezus' opstanding dat hebben gedaan bij zijn verschijningen.

Zo onmiddellijk en aanschouwelijk kunnen wij de uitstorting van de Heilige Geest niet meer beleven, evenmin als Jezus' opstanding. Zelfs de gemeenten, waarvan in de Handelingen sprake is, worden later door Paulus gewaarschuwd tegen een overspannen van het pinksterwonder. Beter is dan maar, zegt hij, om in de gemeente vijf woorden te spreken, die verstaan worden (1 Kor. 14 : 19).

Er is derhalve een praesentia realis in de evangeliën en in de Handelingen, die de kerk niet meer kan meemaken, maar die voor ons wordt vervangen door een geloofsverhouding. Elke poging om dit nochtans te doen, is reeds door Paulus veroordeeld. De kerk heeft deze verzoeking later niet geheel kunnen weerstaan. Zij heeft eraan toegegeven in sommige vormen van haar leer van de incarnatie en van de sacramenten. De Reformatie heeft ten opzichte van de heilsfeiten weer afstand genomen. Wij kunnen ons niet op één hoogte stellen met de apostelen. Anders gaat de afstand tot het Evangelie voor ons verloren en blijft er geen ruimte voor het geloof. Dit mag ook niet vergeten worden als men zich heden ten dage vaak geforceerd in de positie en de houding der eerste christelijke gemeente wil plaatsen. Deze voortzetting der heilsfeiten op min of meer existentiële wijze brengt grote gevaren mee voor kerk en prediking en voor het geloofsleven.

In ons Credo is ook het zgn. derde artikel, dat van de Heilige Geest, in zijn geheel een geloofsartikel. Ook de artikelen van de kerk, de gemeenschap der heiligen, de vergeving der zonden, de wederopstanding des vleses, het eeuwige leven. Deze stukken horen bij de Heilige Geest, zoals de artikelen van vernedering en verhoging bij de Zoon horen. Wij mogen deze dingen niet vergeestelijken, niet spiritualiseren. Ook de vergeving der zonden heeft hier de betekenis van een heilsfeit. Zo komt zij ook voor in de rede van Petrus, in onze tekstwoorden. Dat is niet enkel persoonlijke schuldvergeving, maar, in verband met de hele situatie, de vergeving aan de Joden daarvoor, dat zij Jezus gekruisigd hebben. Het is een antwoord op de vraag: Wat zullen wij doen (vs. 37)? Deze zonde kan vergeven worden. Calvijn heeft dat hier te veel vergeestelijkt en komt dan in roomse perikelen bij Petrus, in verband met de doop.

Als wij onze tekstwoorden van achteren naar voren lezen, dan krijgt ook de doop hier een bijzondere betekenis. De Joden die de Heilige Geest ontvangen, mogen naar Christus genoemd worden. Zij worden tot de gemeente toegedaan. Lukas gebruikt hier hetzelfde voorzetsel bij de naam, als toen hij schreef over de naamgeving van Johannes de Doper. Bij de doop staat dat voorzetsel alleen hier in het Nieuwe Testament.

En zo komen wij tenslotte tot het eerste wat Petrus zeide: "Bekeert u (vs. 38)!" Ook deze bekering heeft, blijkens vers 40, een bredere betekenis. Het wil zeggen: Behouden te worden van dit verkeerd geslacht. Het is wat het Nieuwe Testament de gehoorzaamheid des geloofs noemt: het aannemen van het christelijk geloof. Alles moet hier blijven staan in de sfeer van Pinksteren. Niets mag vergeestelijkt en vervlakt worden. Alleen als wij de heilsfeiten laten staan, kan er straling van uitgaan voor prediking en geloof. De onduidelijkheden in de Handelingen zullen reeds een gevolg zijn van vermenging met latere gemeentelijke toestanden. Laten wij de afstand bestaan, dan is de prediking niet ijdel, noch ook het geloof. Vergeestelijking en versacramentisering beroven ons van de troost des Geestes.

Hoeden wij ons daarvoor, dan zal de uitstorting des Heiligen Geestes, zonder praesentia realis in de zin van Handelingen 2, maar door haar werkingen, ook Geest en vuur ontsteken in de prediking en de kerk. Het eerbiedigen van de afstand is daarvoor de voorwaarde. Alle existentiële en sacramentele kortsluitingen met de heilsfeiten doen de werkingen daarvan schade. Het blijft ook in de kerk: dopen niet met water, maar met de Heilige Geest en met vuur. En dat behoudt ook buiten de praesentia realis des Geestes, zoals de Handelingen die te zien gaven, een zekere onmiddellijkheid, die wij niet werktuiglijk mogen kanaliseren. Wie gelooft in de Heilige Geest zal zijn straling ervaren.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← De jaarwisselingPreekstudiesLezingen over preken →