De jaarwisseling
De preek op de oudjaarsavond en de nieuwjaarsmorgen draagt een uitzonderlijk karakter. Op bid- en dankdagen voor het gewas kan men nog aanknopen bij de Heidelbergse catechismus, waarin van vruchtbare en onvruchtbare jaren, van loof en gras, regen en droogte gesproken wordt. Maar op St. Sylvester en de kerstoctaaf is het verband met de gewone Evangelieprediking nog losser. Het dagelijks brood wordt ook in het Onze Vader genoemd. Maar het kerkelijk jaar schenkt weinig aandacht aan de kringloop der planeten. Het heeft de zonnewende verdrongen door het Kerstfeest en is ietwat huiverig voor de folklore op St. Steven en St. Sylvester. Kerk en heidendom zijn in deze tijd van het jaar vaak concurrenten. De eerste legde al vroeg beslag op nieuwjaar, toen zij er de dag van de naamgeving des Heren van maakte, en daarvoor als vaste tekst Lukas 2 : 21 gaf, terwijl omgekeerd het heidendom nog nooit heeft opgehouden bij de jaarwisseling hevig en luid te spoken.
Wel kan men trachten deze verhouding te harmoniseren, als men opmerkt, dat het kerkelijk jaar op het klavier van het burgerlijke wordt gespeeld. De intervallen tussen Kerstmis en Pasen en Pinksteren worden bepaald door de schijngestalten van de maan, en het ene jaar is zo lang als het andere, al zet Kerstmis iets te vroeg in. Zulk een harmonisatie is nu ook mogelijk in de prediking bij de jaarwisseling. Men kan zich daarbij naar de ene of de andere zijde overbuigen. Daarbij moeten bepaalde grenzen in acht genomen worden tussen de kalender van de Schepper en de Herschepper. Maar oud- en nieuwjaar geven gelegenheid de aandachten naar de kanten van de bijbel te leiden. Men kan dit ook beslist weigeren en Kerstmis met een vol octaaf op het nieuwe jaar laten overgrijpen.
Bij de eerste mogelijkheid denk ik aan Schleiermachers Monologen, die hij op de nieuwjaarsmorgen van het jaar 1800 aan de negentiende eeuw overhandigde. Ik weet niet of ze nog vaak gelezen worden. Men doe het gerust, ook in de twintigste eeuw. De schrijver handhaaft daarin de persoonlijkheid tegen de vergankelijkheid, tegen ouderdom en dood in. Dat is een voor ons tegenwoordig christelijk besef wat overmoedig ondernemen. De prediker van nu zal zover niet willen gaan. Hij zal zijn meditatie willen overbrengen in de toon van Psalm 90, die hij misschien heeft voorgelezen of laten voorlezen. En toch kan het zijn dat hij op meer lijdzame wijze zich van het kerkelijk jaar, van de heilsgeschiedenis losmaakt. Hij gaat luisteren en doen luisteren naar het vlieden van de uren, dagen, maanden, jaren, met gezang 160. Hij verplaatst zich in de kalender van Julius Caesar en buiten die van Jezus Christus. Hij bepaalt zijn gehoor bij het suizen van de kille wind des doods in de bladeren der afvallende geslachten. Hij stort en doet storten enkele tranen in de stille vliet van de voorbijstromende tijd, wekt stille weemoed over dat wat voorbijging en nimmer terugkeert, wordt weker dan op een der zondagen van het afgelopen jaar, om tenslotte met een scherpe bocht in het kerkelijk jaar terug te zwenken, aan de hand van een of andere krachtige tekst, bijvoorbeeld uit Paulus' brieven. Hier zijn wij aan de grenzen der christelijke prediking en het is nodig dat wij dat weten. Men kan daarvoor een tekst kiezen uit het boek Prediker, dat ook aan de grens van de canon staat of uit het boek Job; in 't algemeen uit de boeken der Wijsheid, niet uit de Wet of de Profeten.
Het is zeer verleidelijk om de geconcentreerde Christusprediking, waarbij de gedachten van alle einders worden teruggeroepen tot het kruis, op de oudjaarsavond vooral, te ontspannen, het berouw voor weemoed in te ruilen. Men weet dat velen in de kerk gekomen zijn om deze tonen te horen aanslaan en men is zelf ook geneigd nu eens stemming te wekken en sfeer in de kerk te brengen, om dan verder in de huiselijke kring naar gelang van de omstandigheden daarop voort te borduren. Ik wil niet zeggen dat deze oudjaarsavondpreken ongeoorloofd zijn. De boeken van Wijsheid staan ook in de bijbel. Toch kent dat boek geen eigenlijke weemoed en vooral geen sentimentaliteit. Ook wanneer er sprake is van natuurlijke Godskennis, dan weet deze toch van Gods eeuwige kracht en goddelijkheid (Rom. 1 : 20). En het blijft de vraag of het einde van de Juliaanse kalender toch niet naar Christus' toekomst moet wijzen. Het Romeinse rijk is ondergegaan, het Koninkrijk der hemelen niet. De Bruidegom komt.
Ik geef hierbij een paar kleine schetsen, die de beide mogelijkheden kunnen illustreren.
Preekschets over Job 14 : 1-3
De oudjaarsavond laat ons op een heel bijzondere wijze voelen, dat wij mensen zijn. Iedere avond doet dat een beetje; hij brengt stemming mee. Maar zeer in het bijzonder gebeurt dat op een ogenblik als dit, wanneer wij ons gereed maken een heel jaar te zien eindigen. Mens-zijn betekent in de tijd te leven. Wij kunnen van de dag van heden niet naar gisteren terug.
"Al het heden wordt verleden, schoon 't ons toegerekend blijft!"
En dat is nu met een heel levensjaar het geval. Het is geen wonder dat gij behoefte gevoelt neder te zitten en te peinzen over uw staat, over uw lot en ook over uw God.
Gij gevoelt u klein tegenover Hem. Hij is de Eeuwige, die als een springbron zichzelf ieder ogenblik vernieuwt. Gij zijt maar een mens. En wat dat betekent, hebt gij alle driehonderdvijfenzestig dagen van dit jaar kunnen merken. Uw leven ging van de ene dag in de andere. Nu gaat het van het ene jaar in het andere. Het is een vlieden, een vluchten, haastig, snel, zoals een schaduw, die over de velden strijkt. Zo is de mens, zo is zijn leven.
Van een vrouw geboren, zegt de oudtestamentische wijze (vs. 1). Job weet wat dat inhoudt. Hij vervloekte eenmaal zijn geboortedag (Job 3 : 1). De dagen zijn kort, de onrust lang. Zoals de bloem bloeit om te worden afgesneden, zo schijnt de mens geboren te worden om te sterven. Nu een blad in uw levensboek wordt omgeslagen merkt gij hoe sterk de storm des Geestes is, de adem der eeuwigheid die daarover gaat.
Wij, mensen van na de oorlog, kunnen zo licht niet denken over de macht des doods, het jagen van de onrust, als misschien soms een geslacht dat vroeger heeft kunnen doen. Wij verstaan meer de klacht van Job; kort van dagen, zat van onrust (vs. 1). Welke stemming is het, die zich van ons meester maakt, als wij aan het einde van 1947 peinzen over het mensenlot, ook over uw lot? Zullen wij het weemoed noemen? Dat is het niet. Gij wenst uzelf niet in de oorlogsdagen terug. Het is iets anders, iets sterkers. Gij voelt dat de hand Gods op u is. Dat zijn oordelen zich daarheen wentelen als de wateren (Am. 5 : 24).
Gij, die een mens zijt, uit een vrouw geboren, kort van dagen, zat van onrust. Toch laat God u niet toe te veel te mijmeren, weemoedig herinneringen te plegen, ook niet in 1947. Hij blijft God tegenover u en over u; Hij blijft vreselijk wakker in de nacht der tijden, waarin gij liefst wat zoudt insluimeren en u op uw vergankelijkheid en zwakheid en onrust zoudt willen neerleggen. Hij houdt zijn ogen wijd open en betrekt u ook nog in het gericht (vs. 3).
Wat wil God toch van ons; wat wil Hij met ons? Is Hij opgestaan om ons te vernietigen? Weet Hij niet dat wij van een vrouw geboren zijn, Hij, die zijn eigen Zoon deed geboren worden uit een maagd? En heeft deze aan 't kruis voor ons de dood zijn macht niet ontnomen? Is Christus tevergeefs voor ons gestorven? Zal er nog een overblijfsel op aarde overblijven? Zal er een kerk blijven om Christus tegemoet te gaan, als Hij komt? En zijn wij nog mensen, van een vrouw geboren? Berouwt het de Here, dat Hij de mens geschapen heeft (vgl. Gen. 6 : 6)?
Kom Here Jezus!
Preekschets over Mattheüs 28 : 19
De jongeren moesten afscheid nemen van Jezus. Drie jaren had Hij met hen rondgewandeld en nu is het einde gekomen. Het lijkt ons een weemoedige ure te moeten zijn, en toch is het dat niet. Want Jezus zegt het hun: Ziet, Ik ben met ulieden alle de dagen tot de voleinding der wereld (Mt. 28 : 20).
Dan brengt scheiden geen weemoed, maar blijde verwachting. Dit is de boodschap die ons op de oudjaarsavond het meeste deugd zal doen. Wij zijn geneigd in een ure als deze een weinig zwak te zijn; wij zijn toegeeflijk voor onszelf, misschien een beetje hard voor een ander. Er is zoveel gebeurd. God schijnt aanstalten te maken ons ook nog te verlaten. De overgang van 1947 op 1948 is wat angstig. Nooit zag men deze wereld zo redeloos, zo radeloos, men zou zeggen zo reddeloos. Schrik van alle kanten, zoals in Jesaja's dagen, en veel en veel erger. En nu gaan wij dit jaar besluiten. Hoe zullen wij dat doen?
Wij hebben de belofte van de Heer, dat Hij bij ons blijven zal. Daarin ligt alles besloten. Daar mogen wij van uitgaan. Jezus is met ons. Hij blijft bij ons. Hij is van God tot Koning over zijn rijk gezalfd. Hem is gegeven alle macht in de hemel en op aarde (Mt. 28 : 18). Wanneer wij daarop zien hebben wij vaste grond onder onze voeten. Het Evangelie is een getrouw woord en alle aanneming waardig (1 Tim. 1 : 15).
De wisselingen van het leven mogen nog zo groot zijn, de overgangen zo groot dat wij ze niet durven passeren, dan moeten wij vertrouwen dat aan de andere zijde Hij ook zal zijn en blijven. Wij moeten toch ook sterven. Die kloof zullen wij ook moeten passeren. Dat moeten wij in de geschiedenis ook leren durven. Deze oudjaarsavond is een vooroefening of wij daartoe bereid zijn. Zij is niet alleen een ure in het rijk der vergankelijkheid, maar ook een moment in Christus' koninkrijk.
Dan zal de oudjaarsavond geen exercitie in zwakheid zijn, maar in kracht en geloof. Want Gods is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid (Mt. 6 : 13). Laten wij dan niet hangen en kleven aan het voorbijgegane jaar, maar laten wij in de zekerheid dat Jezus met ons blijft, standvastig afscheid nemen. Dan zal de hoop ons leiden, zijn toekomst tegemoet. En die toekomst is niet verre. Morgen is Hij bij ons!