O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Memorie betreffende de eedInhoudJudas en Goliath →

Verzamelde Werken, deel 6 · p. 576

Over Judas en Jezus1

De Speelman van dit blad gaf in nr. 30 een 'niemendalletje' over de schoolkwestie.2 De redactie staat reacties niet alleen toe, maar heet ze ook welkom. Welnu, laat mij een paar gladde stenen uit de beek mogen zoeken. Voor de buitenkerkelijken voeg ik er bij, dat dit laatste een toespeling is op 1 Samuël 17 : 40.

Het niemendalletje was een bezadigd stukje, waarin, naar een oud recept, het venijn alleen in de staart zat. Maar het was dan ook een zwaar vergif, die toespeling op Judas. Het was in de apotheek der kerk gekocht of liever in die van het Evangelie zelve. Zulke sterke middelen zijn nergens elders te krijgen. Daarom geloof ik ook niet, dat wij in deze rubriek met een echt-buitenkerkelijke te doen hebben. Administratief moge dat zo zijn, geestelijk niet. Hij is blijkbaar alleen maar onkerkelijk. - Misschien heeft zijn stamhouder op de kleuterschool in de toekomst een kans op buitenkerkelijkheid. Als deze trouw zijn versjes-zonder-God blijft zingen en ze hem dan later naar Judas vragen, zal hij niet antwoorden: "Met hem ben ik ... niet naar de kleuterschool geweest", maar: "Wie was Judas?" Inderdaad is het een tragisch geval, dat de wegen van deze knapen moesten scheiden. Er bestaat echter in ons land - nu afgezien van de kleuters - wel onderscheid tussen een openbare en een christelijke school. Ik ken ze beide. Zelf bezocht ik de laatste; mijn kinderen de eerste. Ik meen dus het recht te hebben tot een vergelijking. - Wat mijn eigen geval betreft, ben ik gewoon te zeggen, dat ik er, na de lagere school, niet veel meer heb bij geleerd. Wij kregen een overzicht van het hele veld der kennis, God incluis. - Op de openbare school heeft de lesrooster de neiging te gaan inkrimpen tot een harde, voor kinderen geestelijk onverteerbare kern van een paar exacte vakken. Daarbuiten is God te hinderlijk voor het onderwijs. Ik hoor nog de klacht van een zesjarige jongen over die liedjes zonder God. "Zingen is van Jezus", zo meende hij. Inderdaad! Zingen zonder het onverstaanbare er in, is een minderwaardig surrogaat. - Mijn kinderen hebben er na de lagere school wel veel bij moeten leren.

Eindnoten

  1. 1

    N. publiceerde Over Judas en Jezus in IdW. 7 (9 mei 1952) nr. 32, p. 6.↩

  2. 2

    N. zinspeelt op de rubriek Speelse bespiegelingen in IdW. 7 (25 april 1952) nr. 30, p. 3.

    Over deze rubriek merkt de redactie van IdW. het volgende op: "In deze rubriek laten wij een buitenkerkelijke aan het woord, die in literaire niemendalletjes weergeeft, welke impressies de aanraking met allerlei gestalte van christendom bij hem oproept. Men neme deze stukjes, zoals ze gegeven worden. Eventuele reactie uit de kring van onze lezers zullen welkom zijn." De tekst van de bedoelde 'speelse bespiegeling' luidt als volgt: "De grote teleurstelling van onze stamhouder op de eerste dag van zijn bezoek aan de kleuterschool bleek te zijn het feit, dat vriendje Arnold die vóór die dag altijd trouw meehielp het speelgoed te vernielen, er niet bij was. Het inwinnen van nadere informaties brachten hem thuis met de mededeling dat Arnold ook naar school ging, maar naar de christelijke kleuterschool.

    Op de eerste vrije middag wisselden zij versjes uit. Mijn zoon zong van spelen in de kring en Arnold iets onverstaanbaars met God erin; beide liederen waren zowel litterair als muzikaal licht vergif voor de kinderziel, maar dat doet niet ter zake.

    Nu ga ik niet verder in de stijl van "Onverdeeld naar de Openbare School"; ik weet te goed dat die slagzin door het simplisme geen argument is, en bovendien geloof ik dat eerlijke en waardevolle mensen in de schoolstrijd - van beide kanten - betere opmerkingen hierover gemaakt hebben, dan ik ooit zou kunnen maken. Het incident met Arnold bracht mij alleen slechts even aan het denken over het effect van de christelijke opvoeding. Want ik neem aan dat de voorstanders hiervan het toch vooral om het effect te doen is. Want het feit op zichzelf: dat er christelijke en buitenkerkelijke kleuters zijn, lijkt mij nauwelijks iets om wild voor te worden.

    De meest actieve libertijnen in mijn kennissenkring hebben allemaal zo'n christelijke opvoeding gehad, die hen ook allemaal blijkt dwars te zitten. Hiermee is de christelijke opvoeding natuurlijk niet veroordeeld, maar misschien wel de manier waarop deze wordt uitgewerkt.

    Het meest frappante is wel dat juist deze mensen zich op de een of andere manier geroepen voelen aan hun wijze van denken uiting te geven. En dat doen zij dan ook, te pas en te onpas. Misschien is het niet toevallig dat een groot deel van de laatste generatie litteratoren - van Marsman tot en met Sierksma - voor een groot deel uit zulke afgedwaalden bestaat, zodat het soms lijkt of ons christelijk volksdeel met zorg adders kweekt in eigen boezem. Of is de kerk daartoe gedoemd, omdat er nu eenmaal onder de apostelen een Judas zijn móét.

    Ik weet weinig van de begaafdheden van Arnold, maar áls hij een van de toekomstige sterren is aan het litteraire firmament, dan zal mijn zoon kunnen zeggen: met hem ben ik ... niet naar de kleuterschool geweest."↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Memorie betreffende de eedInhoudJudas en Goliath →