O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Het Oude Testament en de kerkInhoudDe achtergrond van de bergrede →

Verzamelde Werken, deel 2 · p. 28–34

Oud en Nieuw Testament1

1. De godsdienstwetenschap zou hier de godsdienst van Israël en het christendom tegenover elkaar plaatsen. Op een bijbelkring en in de theologie doet men dat niet; men vraagt dan naar het verschil in Gods openbaringswijze.

2. De beide Testamenten zijn goddelijke wilsbeschikkingen of verbonden, waarbij de verhouding tussen God en mens geregeld wordt. Het zijn geen perioden, die aflopen; van de vorige beschikking kan in de volgende iets, veel of alles overblijven. - De wisseling van oud en nieuw verbond gaat in de bijbel reeds enige malen aan Christus vooraf. Zo bij Adam, Noach, Abraham, Mozes.

3. Voor ons is nu de vraag, welke verandering zich bij de overgang van Oud in Nieuw Testament voltrekt en hoe die in onze tijd in de prediking moet worden gebracht. Is het Oude Testament afgedaan? En kan het Nieuwe ook verouderen? Dat zijn tijdvragen.

4. Om ons te oriënteren, onderzoeken wij drie recente publikaties: ⚑a. Prof. Ph. Kohnstamm: De Heilige.a2

b. Prof. W. J. Aalders: De incarnatiesb3 ⚑c. Dr. K. H. Miskotte: Het wezen der joodse religie.c4

Prof. Kohnstamm leert een christelijk personalisme.
Prof. Aalders spreekt van incarnationalisme.
Dr. Miskotte legt de nadruk op de predestinatie.

Kohnstamm zet voorop, dat de Schepper in het Nieuwe Testament voor ons Persoon wordt;

Aalders, dat God onze bestaanswijze aanneemt;
Miskotte, dat Hij ook in het Nieuwe Testament Schepper blijft.

5. A. Prof. Kohnstamm ziet Gods openbaring in het Oude Testament hoe langer hoe persoonlijker worden, tot Hij in het Nieuwe Testament in Christus volkomen Persoon voor ons wordt.d

Reeds bij de val blijkt de majestueuze Schepper, die met de dood gedreigd heeft, een Vader te zijn: de mens blijft leven.e

Deze Vader is een opvoeder van het menselijk geslacht. Wel blijft Hij Schepper, blijkens zijn predestinatie. De opvoeding heeft niet voor allen hetzelfde effect. Maar de opvoeding omvat de predestinatie.

Het Nieuwe Testament spreekt zuiverder dan het Oude; weer blijft God daarbij Schepper. De afstand neemt zelfs toe. De zedelijke afstand tegenover de Vader is groter dan de natuurlijke tot de Schepper. Maar de distantie komt daarbij binnen de grenzen van het zedelijke te liggen.

In die richting ligt reeds, dat, bij de aartsvaders, het horen naar God in de plaats komt van het zien van God.

Ook de verhouding van wet en profeten wordt personalistisch beschouwd.

a. De enkeling.f

In de wet openbaart God zich voor de massa. De profeten spreken op de man af, zoals David tot Nathan. Openbaring blijkt dus te doelen op gewetensvorming = opvoeding = vorming der persoonlijkheid.

Het massaal geweten vormt telkens de klankbodem voor het woord der profeten. De grens daartussen ligt niet vast, maar schuift op. De profetie kan wet worden en zo weer grond voor nieuwe profetie.

In dat opzicht is er geen scherpe grens tussen Israël en de volkeren; tussen bijzondere en algemene gratie (genade). De zending doet ook een beroep op het geweten.

Bij het wonder evenzo. Ook hier loopt de openbaring in de richting van het persoonlijke. Het bewijs, dat de profeet van God gezonden is, wordt steeds minder op zakelijke wijze, in het mirakel, gezocht en steeds meer in de lijdensgestalte van de profeet.

b. De kerk.g

Er is geen principieel verschil tussen wet en genade. Ook in de oudtestamentische kerk is men kind en geen knecht. De wet is geen plagerij. Zij is gemeenschapsgenade. Het verbond wordt niet met de enkeling gesloten. De sociale gedachte is een kernstuk van de bijbel. Zij is daarbuiten ook niet onbekend, maar, ten eerste, ziet de bijbel de mens als het persoonlijk hoofd der schepping en, ten tweede, is de wereld er onontbeerlijk voor de verhouding tot de naaste. In Indië liggen die beide dingen anders.

De eenheid der mensheid moet men niet biologisch, maar essentieel opvatten. In dat opzicht is de bijbel optimist. De wereld heeft er een ware geschiedenis, aansluitend aan schepping en val. Het Piëtisme is voorbij, n'en déplaise de dialectische theologie. Door het lijden heen zal de mensheid één worden. Haar weg is persoonlijk. Uitverkozen zijn is: voor anderen boete doen.

c. Individu en gemeenschap.h

Hoe ontwikkelt zich de verhouding tussen beide. Een echte tijdvraag!!

De verhouding wordt in de bijbel steeds gedifferentieerder. Pastorale toestanden wijken voor meer culturele. Dit kan voorbereiding zijn voor het Evangelie of aanleiding tot afval. De noodzakelijkheid van een individuele beslissing leidt in de richting van het Evangelie. Houdt men zich bij het massale geweten, dan moet men bij gecompliceerde cultuur asceet worden of er samen een eigen moraal op na gaan houden. De Joden deden dat. De profeten wezen in andere richting. In de erkenning van de Messias, in Jezus Christus, in het buigen voor de Persoon Gods, valt de tegenstelling van individu en gemeenschap weg.

d. Jezus Christus.i

Zo loopt de dialectische openbaringswijze van het Oude Testament, waar wet en profeten een polaire tegenstelling vormen, uit op de volmaakt persoonlijke van het Nieuwe, waarin beide 'vervuld' worden en samenvallen. Prof. Kohnstamm vindt het niet goed, om, met de dialectische theologie, Jezus' leven terug te brengen tot de dialectiek van kruis en opstanding. Dat acht hij mysteriën-godsdienst. De koning van het Godsrijk is Persoon, die werkt door de inhoud van zijn historisch leven. De Heilige Geest blijft ondergeschikt als plaatsvervanger van Christus. Hij leidt ons terug naar de evangeliën, waar de Koning in zijn schoonheid te aanschouwen is. Onze in de negentiende eeuw verkregen historische toerusting kan ons daarbij dienen. In de persoonlijke verhouding tot Jezus valt de spanning tussen gezag en overtuiging weg.

B. Prof. Aalders ziet het verband tussen Oud en Nieuw Testament in de vleeswording des Woords, de menswording van Christus. Daarin ligt een mysterie bestaande in een blijvende relatie tussen God en mens. Het is teveel een dubbelheid om als persoonlijkheid te kunnen worden aangeduid. Men spreekt beter van wezen. Het is een realiteit, die meer voor aanbidding dan voor aanschouwing geëigend is.

De verhouding van Heer en knecht is hier blijvend, en lost zich niet op in die van Vader en kind. Er wordt nadruk op gelegd, dat het God is, die de verhouding, het verbond, het Testament, instelt. Het dubbele en duurzame van de relatie sluit het eenzijdige van de instelling niet uit.

In de verhouding wordt ook het enkele, het principium individuationis, niet gezocht. Tegenover Gods heiligheid zijn wij stof en as. De correlatie, de wederzijdse verhouding mag de predestinatie, de eenzijdige beschikking van God over het verbond, niet verdringen. Er wordt zelfs ten opzichte van de onbezielde schepping van verbond gesproken, waaruit het eenzijdige duidelijk blijkt.

Maar de mysterieuze verhouding is er; reeds in het Oude Testament. De schepping is er op aangelegd. Er bestaat een zekere analogie tussen God en mens. Anders was de incarnatie, de vleeswording niet mogelijk. Anders kon de zonde ook niet zo ernstig zijn. Gods toorn bewijst, hoe nauw de betrekking is.

Verder wordt de betrekking tussen God en mens in het Oude Testament in duurzame instellingen belichaamd. Er zijn profeten, priesters, koningen. In die instellingen is de relatie niet meer alleen rustend, als in de analogie het beeld Gods in de mens - maar ook bewogen. Daarin komt God op de een of andere wijze dichter bij de mens. Het mysterie groeit. Als het Verbond geheel met inhoud gevuld is, dan is het Woord vlees geworden: het grote mysterie.

In het Oude Testament wordt daardoor alles transparant. De messiaanse lijn rijst er enerzijds tot God omhoog; de Messias is geen mens meer. Anderzijds daalt zij heilbrengend tot de mens af. Het goddelijke komt dichtbij, maar heft de schepping niet op. De incarnatie doet ons zien, wie God en wie de mens is, en wat de wereld waard is. In Christus wordt alles samengevat. De vleeswording betekent een realisme van hoger orde, waarin geest en stof beide betrokken zijn. De mens is in de incarnatie toch niet alleen stof en as. In de vaste en duurzame verhouding tot God is hij waarlijk mens, met lichaam en geest.

Zo komt en blijft en groeit er een zekere vastheid en duurzaamheid tussen God en mens, een constant-zijn, waardoor de predestinatie gebonden wordt. Zoals deze bij prof. Kohnstamm binnen de omtrek van het pedagogische en het persoonlijke ligt, zo ligt ze bij prof. Aalders binnen de incarnatie5

Van het mysterie der incarnatie weten wij door de prediking. Maar die wordt niet geboren uit nadenken daarover. De vleeswording duurt voort in de prediking. Zij preekt zichzelf. De apostelen zijn slechts mede-getuigen. De incarnatie zet zichzelf voort tot de hele wereld onder het hoofd Jezus Christus is samengevat en alles in het mysterie van de vaste relatie tot God is opgenomen. Het Nieuwe Testament is propaganda. Pinksteren is orgaan van Pasen. De Heilige Geest blijft, evenals bij prof. Kohnstamm enigszins ondergeschikt. Hij leidt echter niet, zoals bij de laatstgenoemde, in de evangeliën tot de persoon van Christus terug, maar van het mysterie in de bijbel, de incarnatie, voorwaarts tot het nog grotere mysterie van de recapitulatie (Ef. 1 : 10): het brengen van alle dingen onder een Hoofd. De gemeente kan het niet beschrijven. Ze kan er alleen met tact over spreken. Dat leert haar de Heilige Geest. Intussen groeit het mysterie en men weet zelf niet hoe.

De verhouding tussen God en mens wordt door prof. Aalders ook wel pedagogisch genoemd. De mens wordt tot een vaste, duurzame verhouding tot God, op mysterieuze wijze, opgevoed. Maar dit is oneigenlijke pedagogiek. Zij betreft niet zozeer de mens als wel het menszijn. Het groeit alles in het verborgen. Aanbidding, meer dan gewetensvorming is hier spil en spits van Oude en Nieuwe Testament.

C.a. Dr. Miskotte vindt het grondthema van het Oude Testament in de heiligheid Gods. Hij verstaat daaronder de vervaarlijke nabijheid Gods. Heiligheid is geen afzondering en gaat ook niet op in zedelijkheid. Gods heiligheid correspondeert met ons gevoel van geschapen-zijn. Ze is synoniem met naijver Gods (derde gebod). Er blijft in het Oude Testament nauwelijks plaats over [voor] de leer van de mens. De aandacht van de mens wordt door het gevoel van Gods nabijheid verteerd. De mens is waarlijk stof en as in het Oude Testament. De verhalen der aartsvaders brengen er de sfeer in.

Ook de heiligheid aan de personen en dingen in het Oude Testament is nooit constant of duurzaam. De ambtsdragers zijn charismatisch toegerust. Dat wil zeggen: de gaven, die hun geschonken worden, blijven Gods eigendom en tot zijn beschikking. De Geest, die op profeten, priesters en koningen [rust], blijft God toebehoren. Er zijn geen heiligen in het Oude Testament; alleen rechtvaardigen.

Zelfs het geloof aan de schepping, aan de kosmos, de vaste ordeningen, het natuurverbond, is niet oorspronkelijk voor het Oude Testament, maar aanvulling voor Gods catastrofale openbaringswijze, waarbij God telkens plotseling anders werkt en zich openbaart.

Ook het verbond, het testament, is niet constitutioneel. De koning in de theocratie, de man in het mystieke huwelijk, de Vader van zijn volk, zij blijven autocratisch. Achter het verbond hangt het demonische. De duur der dingen ligt alleen in God. Wie tot God 'Gij' zegt, blijft intussen toch stof en as.

Ook de wet is toepassing van het vrijmachtig verbond, geen constitutie. Zij kan door de mens slechts met vreze en beving worden vervuld, omdat haar toespitsing op bepaalde gevallen bij God verblijft. Als de Joden later de wet gaan vastleggen, dan begint de verharding van het volk.6

Hier wordt - in deze beschouwing van dr. Miskotte - de predestinatie dus niet gebonden door het verbond. Een vaste, duurzame verhouding tussen God en mens ligt niet ten grondslag en wil ook niet ontstaan. Anders dan bij prof. Aalders: er vormt zich geen mysterie. Het Oude Testament kan op die wijze het Nieuwe Testament niet in zich bergen, niet transparant zijn.

Eer schijnt hier verwantschap met prof. Kohnstamm, in zoverre bij deze de gewetensvorming op de voorgrond staat en de verhouding meer beweeglijk en los blijft; vooral ook minder mysterieus. Maar werkelijke overeenkomst is er niet. Het geweten wordt in de beschouwing van dr. Miskotte incidenteel, van tijd tot tijd, toegesproken. Er heeft geen persoonsvorming plaats. De mens blijft schepsel, stof en as, en de predestinatie regeert vrijmachtig. Alles blijft weer aan Gods kant liggen. De verhouding is niet personalistisch; niet zedelijk in engere zin; zij blijft theocratisch.

b. Dr. Miskotte wijst erop, dat de crisis in het humanisme oudtestamentische gedachten thans weer naar voren brengt. Zo: de onbekendheid Gods; het demonische; het dienen; dat de wet een genade-gave is; dat de ernst van het leven tijd-bepaald is en niet ergens vast ligt; dat wetenschappelijke en politieke orde, deze heilige huisjes van Grieken en Romeinen, minder worden ontzien; dat de religie weer gezien wordt als een volksschat, als samenhangend met de reële en niet met de mystieke mens; dat het Godsrijk weer realistisch wordt opgevat.7

c. Waarin ligt nu de vervulling in het nieuwe, waarmede de Jood niet mee kan gaan? Waarin ligt dus het wezen van het Oude Testament? Want de christen beaamt het Oude Testament méér dan de jood. Hij schrijft het bindend gezag toe, wat de jood niet doet. De christen erkent de theocratie van het Oude Testament. Die wordt juist in het Nieuwe in oorspronkelijke en uiteindelijke kracht geopenbaard. De christen weet, dat het verbond de predestinatie niet bindt. Dat de verhouding niet vastligt, nóch in een mysterie, nóch persoonlijk. Dat God anders kan en in de Messias op oude en tevens nieuwe wijze weer theocratisch regeert en een Nieuw Testament maakt.

Zo is het Nieuwe Testament geen aanvulling of vulling van het Oude; het is vervulling, in deze zin, dat het werkelijk nieuw is, zoals het Oude eens nieuw was. Maar nu komt God voor goed als de vrijmachtige achter de wet vandaan. Nu is Hij het helemaal zelf. Dit is de laatste beslissende interpretatie van de wet en de voltooide theofanie, de ware theocratie.

Terugvluchten in de wet is nu vlucht voor God. De vaste bindingen in het mens-zijn, de persoonlijkheid en de binding in zijn werk, het scheppende ideaal, leiden tot ondergang. Het Evangelie wordt gepredikt aan de naaste, arme mens. Alleen de actieve vorm blijft in het Nieuwe Testament bewaard. Er is geen lijdelijkheid, wel armoede. De heiligen wandelen in Christus.

Zo doorbreekt de predestinatie in het Nieuwe Testament het verbond en relativeert het. Het gebod neemt er een grote plaats in, maar het is geen grondwet en ook geen ideaal. Zulke vaste complexen zijn onbruikbaar. Het Oude Testament was volgens Stefanus (Hand. 7) consequente ongehoorzaamheid en daarom komt God nu zelf doen, wat zijn volk naliet. In de bergrede wordt de wet opgevoerd tot de hoogste ernst, omdat God haar zelf gaat volbrengen in de armen van geest, die Hij komt bezoeken.

6. Wanneer wij de opvattingen van deze drie schrijvers vergelijken, dan vallen ons grote verschillen op. Wij resumeren even.

Bij prof. Kohnstamm staat de persoon van Christus uit het Nieuwe Testament in het middelpunt. Het Oude Testament voedt tot Hem op. De tegenstelling van Wet en Evangelie houdt nauw verband met die van individu en gemeenschap, die in Christus worden verzoend.

Prof. Aalders ziet in de gang van Oud en Nieuw Testament de groei van een vaste verhouding tussen God en mens, éénzijdig door God ingesteld en doorgevoerd en die ook nu nog op voor ons onverklaarbare wijze doorwerkt. Het is een aanbiddelijk mysterie. Op de tegenstelling van Wet en Evangelie valt daarbij geen bijzondere nadruk.

Bij dr. Miskotte gaat het Nieuwe Testament nog sterker dan het Oude eenzijdig op God terug. De predestinatie doorbreekt het verbond. Er is veel minder vaste wederkerigheid dan bij Aalders, minder relatie, minder mysterie. Maar er is ook niet de losse, persoonlijke wederkerigheid van prof. Kohnstamm. Het Evangelie is een verrassing, een blijde verschijning van God, onder de armen van geest.

De gang van Oud naar Nieuw kan men bij de drie schrijvers als volgt aanduiden:

1. Van massa tot gemeente.
2. Van creatie tot incarnatie.
3. Van verbond tot Testament.

Voetnoten

  1. a

    Ph. Kohnstamm, De Heilige. Proeve van een christelijke geloofsleer voor deze tijd, Haarlem 1931. (Deel 3 van dez., Schepper en Schepping. Een stelsel van personalistische wijsbegeerte op bijbelschen grondslag, Haarlem 1926-193 l.)↩

  2. b

    W. J. Aalders, De incarnatie, Groningen 1933.↩

  3. c

    K. H. Miskotte, Het wezen der joodse religie. Bijdrage tot de kennis van het joodse geestesleven, Haarlem, 1e dr. 1932, 2e fotomech. dr. 1964.↩

  4. d

    Vgl.Kohnstamm,a.w.,p.121.↩

  5. e

    Voor het verdere onder A. (tot a.): vgl. Kohnstamm, a. w., p. 89-115, en voor K.s uiteenzetting over de predestinatie p. 367-403.↩

  6. f

    Kohnstamm, a.w., p. 96-108.↩

  7. g

    A.w., p. 109-118.↩

  8. h

    A. w., p. 118-122↩

  9. i

    A. w., p. 240-252↩

Eindnoten

  1. 1

    Lezing, getypt voorhanden, gehouden op 1 november 1934; plaats en gelegenheid onbekend.↩

  2. 2

    Voor Ph. A. Kohnstamm, zie dl. 1, p. 377, noot 6 en beneden, p. 194, noot 7.↩

  3. 3

    W. J. Aalders (1870-1945) was vanaf 1915 tot 1942 hoogleraar te Groningen, tot 1923 vanwege de N.H. Kerk, daarna voor de ethiek en de godsdienstwijsbegeerte. Hij was veelzijdig werkzaam, op wetenschappelijk, kerkelijk en sociaal terrein. Men kan zijn denken en streven op zijn kortst aanduiden met het woord 'synthese'; synthese streefde hij na in de kerk (oecumene, vanuit een grote voorliefde voor de Anglicaanse positie), in de eredienst, in de cultuur. Aalders was in 1935 Noordmans' promotor bij diens erepromotie.↩

  4. 4

    K. H. Miskotte (1894-1976) gaf met zijn dissertatie een beslissende impuls aan de nieuwere visie op de verhouding van Kerk en Israël, met name in de N.H. Kerk en aan de naoorlogse kerkordelijke en organisatorische vormgeving daarvan.↩

  5. 5

    De weergave van de hoofdgedachten van het boek van Aalders is uitgesproken vrij en doorspekt met eigen formuleringen en inzichten. De passage over persoonlijkheid of wezen staat op p. 114 v., de hoofdzaak van het daarop volgende treft men op p. 89-95; het realisme van hoger orde komt op p. 101 ter sprake; voor de vaste en duurzame verhouding, zie hoofdstuk 10: De duurzame plaats der incarnatie, en passim.

    Voor de duidelijkheid geven wij het citaat, waar over de Messias, meer-dan-mens, gesproken wordt, p. 93 v.: "Men kan ... twee lijnen onderscheiden, die der wezensverheffing en die der ethische verdieping van de figuur van de Messias. Met het eerste is bedoeld, dat, terwijl het Israëlitische besef van de afstand tussen God en mens zo sterk is, ten aanzien van de Messias deze afstand wordt opgeheven. Hij is anders, meer-dan-mens. Zijn wezen is niet, zoals dat van de mens, stof en as, d.i. zwakheid, afhankelijkheid, betrekkelijkheid ... Als stichter van het Godsrijk beschikt Hij over een macht, die de gehele schepping aan zich dienstbaar maakt. De zó gekwalificeerde figuur gaat de grenzen der eindigheid te buiten. Zij is geen mens meer. Zij vormt op een of andere wijze de openbaring van God in het mens-zijn."↩

  6. 6

    Vgl. voor het hier volgende: Miskotte, a.w., p. 494-507.↩

  7. 7

    A. w., p. 5 1 5 vv.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Het Oude Testament en de kerkInhoudDe achtergrond van de bergrede →