O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← EredienstInhoudDe zon, de liturgie en de preek →

Verzamelde Werken, deel 6 · p. 283–295

Offer en Liturgie1

Onder liturgie versta ik hier allereerst de hele loop van de eredienst. Dat is eigenlijk niet in overeenstemming met het spraakgebruik in onze Hervormde Kerk. Als daar door schrijvers als Mensinga en Gobius du Sart2 gehandeld wordt over liturgie, dan bedoelt men daarmee de liturgische geschriften: onze formulieren. Of anders, als het op de gewone kerkdienst betrekking heeft, de vaste bestanddelen van de eredienst: Votum, Tien geboden, Twaalf artikelen. - Bij de samenvoeging van offer en liturgie moeten wij het woord echter wel in een ruimere zin nemen, althans wij moeten daarmee beginnen. Dat het woord op liturgische geschriften kan worden toegepast of op de vaste bestanddelen van de eredienst vindt immers daarin zijn oorzaak, dat het offer uit de eredienst werd weggenomen. Wat wij, hervormden, liturgie noemen, bestaat of uit enkele resten van de complete offerdienst of het zijn brede uiteenzettingen, formulieren, die oorspronkelijk met de eredienst niets te maken hadden. In de kerkdienst voor de Hervorming was de offerande van Christus het middelpunt van de dienst waarom de liturgie zich bewoog. De reformatoren hebben, door het offer uit de eredienst weg te nemen, het hart uit de liturgie weggesneden en daardoor de liturgie in eigenlijke zin om hals gebracht. Rondom het vacuüm dat door het wegnemen van de offerande ontstaan is, kunnen de verweesde stukken van de liturgie zich nog blijven bewegen, maar dan nog slechts volgens de wet der traagheid. Zij blijven in de banen, waarin zij zich bevonden, zonder dat zij van het centrum uit worden vastgehouden.

Dit is, uit een liturgisch oogpunt, een zeer onbevredigende toestand. De reformatoren hebben dan ook, Luther en Calvijn elk op zijn manier, in het tekort trachten te voorzien. Luther was conservatiever dan Calvijn in uitwendige dingen. Als men er maar niet te veel betekenis aan toeschreef, vond hij wat ceremoniën niet zo erg. Calvijn was in dit opzicht strenger. Hij liet niet alleen het offer, maar ook het altaar vervallen. Maar aan de andere kant was hij ook strenger in positieve zin. Hij werkte met ernst aan de opbouw van de gereformeerde eredienst, zoals hij ook zijn best deed om een nieuwe kerkorde te scheppen.

Maar hoe dan ook, beiden, Luther en Calvijn, was het bittere ernst met de verwijdering van alles, wat - zoals Luther het noemt - oblationem sonat: wat riekt naar een offerande.3 Ook de Engelse Reformatie, die vooral omstreeks 1552 onder calvinistische invloed kwam, was op dit punt volkomen beslist dat de transsubstantiatie4 moest worden ontkend. Christus' offerande moest in de hemel worden opgedragen, niet meer op aarde. Geen tempel meer maar een kerk. Daarmeekwam men nu voor de taak te staan om een kerkdienst op te bouwen zonder offer als middelpunt. Deze moeilijkheid is op verschillende manieren opgelost.

Het moeilijkst is om zich er rekenschap van te geven wat Calvijn voor de geest heeft gestaan. Genève staat, ook in het gereformeerd protestantisme, zonder regelrechte voortzetting. Calvijn is er in geslaagd te Genève een theocratie te vestigen, die wij later zo niet meer tegenkomen. Knox,5 de Schotse hervormer, herinnert er nog het meest aan. In Frankrijk werd de Hugenoten-kerk een kerk onder het kruis. In ons land de Hervormde Kerk aanvankelijk ook. De theocratie van Genève, de katholieke kerk zonder paus, is geen werkelijkheid geworden. Heeft Calvijn ten opzichte van de eredienst ook zoiets voorgezweefd als in zijn kerkelijke politiek? Heeft hij gehoopt een katholieke eredienst te kunnen opbouwen zonder offer? Een tegenhanger van zijn theocratie?

Sommigen menen dat de eredienst van de Anglicaanse Kerk de legitieme voortzetting is van het oorspronkelijke calvinisme. De liturgische hervormingen aldaar zouden in de lijn van Calvijns pogingen gelegen hebben. Dit is echter moeilijk vol te houden. Tegelijk met de herziening van het Book of Common Prayer in 1552 begint de ontwikkeling van de liturgie in de Londense vluchtelingengemeente, geïnspireerd van Straatsburg uit en onder leiding van a Lasco.6 Een liturgie van een eenvoudiger type dan de Engelse, dat door onze martelaarskerken is gevolgd.

De idee echter, dat Calvijn een rijke en tegelijk strenger bouw van de samenkomsten der gemeente zou hebben gewild of gezocht, die meer evenknie van de mis zou hebben moeten zijn, zoals zijn theocratie te Genève een vergeestelijkte gedaante wilde zijn van het pausdom, deze gedachte dringt zich soms aan ons op.

In beide opzichten heeft Calvijn dan schipbreuk geleden. De theocratie van Genève bleef een paradigma, waarvan invloed uitging op het gereformeerde leven, maar dat geen bepaalde navolging vond. En ook de godsdienstoefening paste zich nauw aan bij het huiselijke en persoonlijke leven. Een eigenlijke eredienst (zonder offer) werd het niet. Het werd iets anders, dichter bij het gewone leven. Nauwelijks te onderscheiden van de huiselijke godsdienstoefening. Het enige onderscheid, leerde Da Costa, lag in de sacramenten.7

Heden ten dage krijgen vele mensen heimwee naar een eigenlijke eredienst en daarmee komt natuurlijk in allerlei vorm de offeridee weer naar voren. Want het probleem der liturgie in eigenlijke zin, is, voor zover het de eredienst betreft, de vraag naar het offer. Voor de liturgische beweging is dit het cruciale punt. Op de een of andere wijze wordt men daar voor de vraag gesteld of men achter de Hervorming terug wil of niet. Is een Eredienst en is een Liturgie, beide nu met een hoofdletter geschreven, mogelijk, zonder dat er een offer in het middelpunt staat? Sommigen beantwoorden deze vraag met hun leven, door tot de Roomse Kerk terug te keren. Anderen, zoals wijlen prof. Wensinck,8 gaan minder ver, maar beklagen zich toch ernstig over de vernieuwing van de eredienst door het calvinisme. "De gehele christenheid", aldus prof. Wensinck,9 "had vanouds haar hoofddiensten zien gebouwd op het offer van Christus. De normale diensten der gemeente ... groepeerden zich om deze steen van énige waarde, waarnaast iedere omvatting, hoe hoog ook opgevoerd, hoe rijk ook uitgewerkt, schamel kon lijken." Deze vorm van eredienst is voor Wensinck tot de Hervorming de uitdrukking van het cultueel leven der gemeente geweest. "Het calvinisme", zo klaagt hij, "vaagde deze eeuwenoude eredienst weg." "Voortaan binnen de gotische kathedralen, die het calvinisme overnam, geen gemeente meer, die in de eredienst het Agnus Dei zou zingen en die het Credo der eeuwen zou belijden." Hij noemt het "een huiveringwekkende verantwoordelijkheid die men in zijn ijver op zich geladen heeft". Prof. Wensinck bedoelt hier niet een herstel van de mis, van het zich herhalend wonder, maar wel een eerherstel van het Heilig Avondmaal, van het offer van Christus als liturgisch centrum, dat de hele dienst beweegt.

Prof. Van der Leeuw in zijn Liturgiek gaat weer iets minder ver.10 Hij meent dat met het wegnemen van de opdracht van Christus' offer, zoals dat door Luther geschiedt, niet het middelpunt van de eredienst werd weggenomen, maar alleen het centrum van de cultus, zoals de middeleeuwen dat hadden gezien. Hij leert dat de christelijke Oudheid het daar niet had gezocht. Hij wil dat de liturgie zich oriëntere aan de oud-christelijke eredienst. Niet bij wijze van monumentenzorga, maar op de wijze zoals een levend organisme zich ontwikkelt: organisch. Hij wil daarbij aansluiten aan de sacramentstheologie van Luther, waarbij de lichamelijke tegenwoordigheid van Christus op de een of andere wijze wordt gehandhaafd. Zo trekt Van der Leeuw zich van de offeranden meer op de vleeswording terug. De vleeswording des Woords is voor hem de grondvorm der liturgie. Daaraan moet zij voortdurend worden getoetst. God neemt menselijke gestalte aan. En daarop berust het dat ook ons verkeer met God vaste, liturgische vormen krijgt.b Pas daarna, in de tweede plaats valt er bij Van der Leeuw sprake van het kruis.11 In de vleeswording ontledigt Christus zich. Hij vernedert en vernietigt zich. Hij wordt gekruisigd. Daarom heeft alle liturgie niet alleen gestalte, vorm, maar meer bijzonder kruisvorm. ⚑Ik kan hier nu niet verder in deze richting gaan. Wij moeten even stilstaan. Wij hebben gezien dat de Hervorming het offer, de herhaling van Christus' offer, de oblatio12 op het altaar uit de liturgie wegdeed. Onze Catechismus noemt het een vervloekte afgoderij.13 De luthersen en de anglicanen lieten het altaar staan en behielden ook veel van het liturgische gebeuren rondom de offerande. Calvijn echter nam ook het altaar weg en de bij het offer behorende ceremoniën. Hij werd daardoor echter voor de taak gesteld om een eigen liturgie, niet meer rondom het offer, maar naar een ander vormbeginsel in te stellen.

Wij moeten nu allereerst vragen naar de eredienst in de Oude kerk. Wanneer wij naar een regel zoeken voor onze liturgie dan moeten wij weten waar die te vinden is en van welke aard de aansluiting is, die wij hebben in acht te nemen. Moet onze stijl werkelijk min of meer spontaan, organisch, biologisch uitgroeien, of hebben wij meer juridische wetten, regels in acht te nemen? Moeten wij het leven van de Oude kerk in ons opnemen of hebben wij de bijbel te raadplegen? Is de incarnatie het vormbeginsel, of is het de bijbel zelve, het dictaat van de Heilige Geest? In welke vorm heeft de liturgie met het offer van Christus te rekenen, als het niet is in de middeleeuwse zin, als herhaling?

Dit zijn principiële vragen, die bij elke bezinning over liturgische vragen van doorslaggevende betekenis zijn. En dan moeten wij beginnen met te zeggen, dat historisch onderzoek op dit punt te kort moet schieten. Prof. Van der Leeuw geeft dit ook toe. Geen monumentenzorg. Een archaïserende methode brengt ons nooit waar wij zijn moeten. Het gaat er slechts om op welke wijze dit archa:istische kan worden vermeden en hoe wij in geestelijk levend contact kunnen komen met de Oude kerk. Wij moeten tenslotte niet terug maar vooruit. Ook de Reformatie is tot het verleden teruggegaan om verder te komen.

Wanneer wij dan zoeken naar wat ons in de bijbel en de Oude kerk kan dienen, dan zijn het niet in de eerste plaats de vormen die wij daar vinden en waarbi wij ons zouden moeten aansluiten. Het moet ons veeleer te doen zijn om het kritisch makend beginsel in het werk des Heiligen Geestes.

Bij Jezus, bij Stefanus, bij Paulus gaat het tenslotte tegen tempel en wet. Tegenover de tempel komt de kerk; tegenover de wet, de genade. Daarom is Jezus gekruisigd, Stefanus gestenigd. De kritische betekenis van deze tegenstellingen moet het beginsel zijn, waaraan onze bezinning zich heeft te scherpen. Ook al konden wij in de Vroege of - wil men - de Oude kerk vormen aanwijzen, die aan continuïteit doen denken; ook al lijken deze vormen op wat vroeger in de tempel plaats had, dan mogen wij toch nooit de kritieke scheidslijn uit het oog verliezen, die Christus en de apostelen tussen Wet en Evangelie, Tempel en Kerk getrokken hebben. Slechts als wij die vormen onder het licht van de kritiek des Heiligen Geestes bezien, kunnen wij ontdekken, waar het punt ligt voor aansluiting.

De vroegste christenheid is begonnen met zoals Petrus en Johannes in Handelingen 3 op te gaan naar de tempel. Zij is er niet dadelijk met volle bewustheid van uitgegaan, dat er een énige offerande was geschied, die alle andere overbodig maakte. De consequentie van de tegenstelling tussen tempel en kerk is pas getrokken toen de heidenen christen werden en het offer een afgodenoffer werd. Zoals de Joodse wet ook pas werd terzijde gesteld, toen Paulus er in de gemeenten uit de heidenen moeite mee kreeg. Zo verstaan wij, wat Burckhardt ergens opmerkt, dat het in de eerste christentijd bijna ondenkbaar was, zich een eredienst voor te stellen zonder offer.14 Geen stad was zonder tempel en geen tempel zonder offer.15 Het zou bijna ondenkbaar geweest zijn, als het offer zich in de jonge kerk niet had geopenbaard in de ene of de andere vorm. Wanneer dan echter zulke vormen zijn aan te wijzen dan wil dat niet zeggen dat hierin aanknopingspunten liggen voor liturgische opbouw. Die liggen alleen in de negatieve zijden van die vormen, die kanten welke ontkennend staan tegenover het tempeloffer. Zoals Jakobus als hij het begrip wet mee invoert, spreekt van de wet der vrijheid,16 zo doet Paulus als hij in Romeinen 12 : 1 spreekt van de levende Gode welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke eredienst. Door zulk een woordkeuze wordt het offer niet weer ingevoerd, maar uitgesloten; het wordt door iets anders vervangen dat hier wel die naam draagt, maar om de zaak daardoor te weren. Zoals de kerk over de hele lijn getracht heeft het heidendom te weren door het te vervangen. Het wordt alleen gevaarlijk als men de kritiek in het nieuwe niet meer hoort en de vorm zakelijk laat gelden.

Zo heeft ook in het Avondmaal de offergedachte zich reeds heel vroeg doen gelden. Het is niet geheel onmogelijk dat in Romeinen 12 : 1 een zinspeling ligt op het lichaam waarvan de gelovigen leden zijn, als zij aan de avondmaalstafel één worden met Christus; immers vers 3-8 lijkt sprekend op een beschrijving van een oud-christelijke samenkomst. De kritiek staat echter in het midden in vers 1 en 2: En gelijkt niet op deze eeuw; het moet zijn een lokigw latreia, een redelijke eredienst (het is geen tempeldienst); de zinnen moeten niet opgeschroefd, maar tot bezinning gebracht worden.

Dit is een voorbeeld heel uit het begin van de christelijke eredienst. Maar toen reeds, bij Paulus, zal er reeds een zekere ontwikkeling geweest zijn ten opzichte van de 'allereerste bijeenkomsten der christenen. Paulus' opvatting van het Avondmaal geeft groter plaats aan Jezus' dood dan bij de breking des broods uit het eerste hoofdstuk der Handelingen het geval was. Daar was het nog bijna een voortzetting van de verschijningen, nu in pinkstervorm, als uitstorting des Geestes. Bij Paulus begint de kerk zich te vormen en krijgt het Avondmaal reeds sacramentele betekenis. Des te meer komt het er op aan om te letten op Paulus' kritische houding tegenover de offergedachte.

Hieraan moet men zich blijven oriënteren, ook als het offer in de eredienst meer massieve vormen aanneemt of duidelijker genoemd wordt. Bijvoorbeeld wanneer Ignatius de kerk offerplaats noemt en het Avondmaal dankoffer, eucharistie.17 De gemeente wordt dan een tempel Gods, als zij het lichaam en bloed des Heren geniet. Daarbij mogen wij niet vergeten, dat deze betitelingen en opvattingen stammen uit een kritische houding tegenover de tempeldienst, het offer en de daarbij behorende liturgie. Het zijn oorspronkelijk vervangingsmiddelen. Maar tegelijk is het een herinnering daaraan hoe voorzichtig men met woorden moet zijn. Zij buigen het denken in een richting, die men niet bedoeld heeft.

Er is een andere lijn, die niet direct haar oorsprong vindt in de kritiek op de tempeldienst, bij wijze van vervanging, maar die regelrecht het verleden voortzet. Ik bedoel de ontwikkeling van de synagoge uit. De synagoge was van het begin af een kerk, geboren uit de praktische behoeften van het Jodendom. Van offerande was hier natuurlijk geen sprake, tenzij dan weer bij wijze van vervanging, bijvoorbeeld wanneer bij Hosea (14 : 3)18 sprake is van de varren der lippen. Uit de aard der zaak is de aansluiting der kerk aan de synagoge het sterkst geweest in kringen, waar tempelbezoek uitzondering was, dus in de diaspora, onder de Griekse Joden, de hellenisten. Stefanus is er een voorbeeld van, die tegen de tempel sprak, en de Schrift gebruikte, zoals dat in de synagoge gewoonte was.

Een ander heel duidelijk voorbeeld van de invloed van de synagoge geeft ons de eerste brief van Clemens, ± 100 n.Chr. uit Rome aan Korinthe geschreven. Daaruit blijkt dat de Romeinse liturgie hoofdzakelijk aan de synagoge was ontleend.

In de synagoge kwamen de Israëlieten bijeen om gezamenlijk te bidden en de Schriften te horen lezen, de wet (de vijf boeken van Mozes) en de profeten. Men zong er psalmen en er werd een toespraak gehouden om het gelezene te verklaren. Schriftlezingen dus, gezangen, gebeden en prediking. Daaraan voegde dan de christelijke gemeente de avondmaalsviering toe.

De Griekse christenen, waaruit vrij zeker de gemeente te Rome is ontstaan, noemden de zondagse dienst liturgie. Te Rome was die in hoofdzaak aan de synagoge ontleend.

Een tweede vroege beschrijving van de eredienst vinden wij in de Apologie van Justinus Martyr, ± 150 n. Chr. Volgens dr. Terlaak Poot komt deze in hoofdzaak overeen met een hedendaagse avondmaalsdienst in de hervormde kerken.19

Men leest, zo schreef Justinus, de gedenkschriften der apostelen of de geschriften der profeten zolang de tijd reikt. Wanneer de lezer uitgescheiden is, neemt de voorzitter het woord, om te vermanen en tot naleving van deze mooie lezingen aan te wakkeren. Dan staan wij allen op en zenden onze gebeden op. Dan volgt de vredeskus en volgt de avondmaalsviering gevuld door een lofprijzing en een lang dankgebed, waarna de uitreiking der tekenen plaatsvindt.

Wij kunnen er natuurlijk niet aan denken de verdere ontwikkeling na te gaan. Zij leidt tot de uitbouw van de rooms-katholieke mis. Ons is het er hier voornamelijk om te doen de verhouding van Avondmaal en liturgie te belichten. En dan blijkt ons dat het Avondmaal voorafgegaan werd door Schriftlezingen, gebeden, gezangen, toespraken, die hoofdzakelijk aan de synagoge waren ontleend. Dat het Avondmaal heel spoedig werd genoemd met namen, die aan de offerdienst in de tempel herinnerden. Maar dat daarbij tegenover het tempeloffer een tegenstelling bedoeld was. De houding was kritisch. Niet bij de vorm, maar bij die kritiek had de volgende ontwikkeling zich moeten aansluiten.

Dit is niet geschied. De cultische namen en vormen hebben de kritiek die daarin aanwezig was, steeds meer buiten werking gesteld en het offer als middelpunt van de eredienst heeft in de middeleeuwse kerk geleid tot een volledige uitbouw van de paapse mis.

Het karakter van de christelijke eredienst is daardoor geheel gewijzigd. De lezingen namen af; zo ook de gebeden der gelovigen en het psalmgezang der gemeente en de prediking. De mis werd een cultische handeling van priesters in een tempel en die bestanddelen die aan de synagoge ontleend waren, werden besnoeid en kwamen in sommige gevallen slechts als rudimenten voor. (Flectamus genua, laat ons bidden.)

Op één punt moet nog nadrukkelijk gewezen worden. Het betreft de zgn. epiclese. Oorspronkelijk werd bij de viering van het Heilig Avondmaal de Heilige Geest aangeroepen en gesmeekt om in het midden te komen. De ontmoeting met God werd dus afgebeden. Christus verschijnt door de Trooster, zoals dat na Pinksteren alleen mogelijk is. Deze verschijning is in de mis vervangen door de praesentia realis, de lichamelijke tegenwoordigheid van Christus, die door de priester wordt bewerkt en waarbij de offerande van Christus op het altaar hier op aarde wordt herhaald. De epiclese komt ook nog alleen als rudiment in de mis voor.

Wij keren nu terug tot onze probleemstelling hoe wij aan de Schrift en de Oude kerk moeten aanknopen. Dat was voor de reformatoren, niet alleen wat de leer betreft, maar ook wat de eredienst aangaat, een kapitale aangelegenheid. De hervormers hebben zich niet empirisch en historisch bij de Oude kerk aangesloten, maar zij hebben zich door de regel des geloofs laten leiden, dwz. zij zijn kritisch te werk gegaan. A Lasco, de vader van onze hervormde liturgie, schrijft daarover met niets te wensen overlatende duidelijkheid.20 Hij acht het een geluk dat wij uit de eerste tijd na de apostelen geen kerkorde hebben, die voor allen met zekerheid vaststaat. Want als wij nu al zoveel te stellen hebben met de kerkvaders, wat zou het dan geweest zijn met de apostolische vaders. Wij moeten volgens hem voor de liturgie niet uit een andere bron putten dan voor de leer. De riten noemt hij aanhangsels van het gepredikte Woord. Wij volgen de Oude kerk niet om haar gewoonten maar om de waarheid daarin.

Ik geloof dat wij hier vlak in de buurt van Paulus' 'redelijke eredienst' zijn. Het is altijd moeilijk van de ene vorm op de andere over te gaan. In zulke dingen kan de kerk een beslissing niet vermijden. Historisch onderzoek kan haar nooit ontslaan van de toepassing van de geloofsregel. De geschiedenis van de mis laat wel een mooie vormontwikkeling zien, maar de prijs die daarvoor betaald wordt is te hoog. De Heilige Geest wordt uitgeschakeld, de gemeente wordt uitgeschakeld, de prediking komt in verval, Schriftlezing en gemeentezang worden besnoeid. Dit alles om een geheel te maken van de eredienst en offerdienst, die plechtig geopend wordt met een introïtus, voortgezet door de litanie en het gloria. Dan komt het plechtig openingsgebed. Dit alles was er voor de derde eeuw en nog later niet. Dat is er pas ± 600 n.Chr. En zo is er allerlei meer.

Wanneer nu de Hervorming teruggegaan is op een vroegere eredienst, dan betekent dat eigenlijk niet dat zij heeft teruggegrepen op een eenvoudiger vorm. Zij heeft de vorm verbroken en de elementen, die daarin gebonden waren weer vrijgemaakt. De liturgie is niet een levend organisme, dat zich volgens eigen wet ontwikkelt. Liturgie als één geheel is tempeldienst. De handelingen in de eredienst hebben elk een eigen macht en zij mogen niet gebonden worden. Dat zij elkaar in de bijeenkomsten der gemeente ontmoeten is betrekkelijk toevallig.

Daar is het Woord Gods. Dit Woord kan in de liturgie niet gevangen worden, evenmin als een walvis in een net. Het wordt gehoord in de samenkomsten der gemeente, maar ook daarbuiten. Daar is de Doop, die het Evangelie vergezelt, als het gepredikt wordt aan alle creaturen tot aan de einden der aarde. Hij wordt bediend in de kerk, maar laat zich niet inspinnen in de liturgie. Woord en Doop zijn handelingen, zoals bij Johannes de Doper in het vrije veld. En God woont niet in tempelen met handen gemaakt.21 - Het Heilig Avondmaal is verschijning van Jezus naar de Geest van Pinksteren, die herhaald wordt totdat Jezus verschijnt op de wolken des hemels. Het mag in de liturgie niet worden tot een geheimzinnige tegenwoordigheid. Wat de gemeente kan doen, dat is roepen om de Geest in de duistere wereldnacht. Het gebed, in de vorm van vragen of danken of psalmzingen is een gave des Geestes, een charisma, en geen ornament van de eredienst. De Geest Gods bidt in ons met onuitsprekelijke zuchtingen. Deze goddelijke machten ontmoeten elkaar in de eredienst, maar kunnen daarin niet verenigd worden tot een goed gesloten vorm.

Wat moet men denken van een samenkomst van de gemeente, waarin het Woord Gods een aanhangsel wordt van de riten, in plaats van andersom. Een steeds meer inkrimpend sermoentje, zoals het bi, Rome werd en bij ons gevaar loopt te worden. Wat wordt er van de gemeentelijke samenkomsten, als wij van de liturgie, de vorm van de dienst een vraag-en-antwoordspelletje maken.

Een vergelijking van de vormen van eredienst, zoals die in het Westen gebruikelijk waren in de derde en de zesde eeuw toont ons dat de westerse liturgie hoe langer hoe meer een gesloten geheel is geworden. De mis is een offerdienst geworden en alles is daaraan ondergeschikt gemaakt. Het is een indrukwekkende plechtigheid geworden, waarbij de andere bestanddelen een ondergeschikte betekenis hebben gekregen. Voor de Schriftlezingen en de preek komt een introïtus, een litanie, het gloria, het openingsgebed, en de hele dienst wordt beheerst door het komende offer. De dienst des Woords komt daardoor in verdrukking. In de middeleeuwen werd de prediking soms met moeite gehandhaafd. Zij had soms plaats vanaf de trappen van het koor. Bij de Kerkhervorming bestond de grote moeilijkheid hierin, te voorzien in de prediking, omdat ook de priesters die meegingen hiertoe meestal niet bekwaam waren. Daarom moest de school naast de kerk de grote zorg der reformatoren zijn. Melanchton en Calvijn hebben in dat opzicht baanbrekend werk gedaan. Wij hebben er voor te waken dat wij nu niet dezelfde weg in omgekeerde richting gaan en er een generatie of generaties knappe liturgen maar slechte theologen opkomt .22 De Roomse Kerk van tegenwoordig zou wel bereid zijn in dat opzicht met ons te ruilen. Zij is bezig zich van een gedachteloze liturgie af te wenden en haar schade op theologisch gebied in te halen. De liturgie wordt op allerlei manieren voor de leken verstaanbaar gemaakt. Moderne roomse liturgen willen dat de gedachte de vroomheid zal steunen. De tijd van domme pastoors is voorbij. Waar deze achterstand niet wordt ingehaald, is de Roomse Kerk bestemd om onder te gaan.

De kerk heeft op de tempel een culturele voorsprong. Dit mag dienen om ons waakzaam te houden. Paulus heeft niet geheel toevallig gesproken van een 'redelijke godsdienst', een 'redelijke eredienst', die de kerk van de tempel zou onderscheiden. De tempeldienst heeft tot taak de sacra van een stad of staat in stand te houden. Met deze sacra, met het offer, vervalt ook de stad of de staat. De riten mogen gedachteloos volbracht worden, als zij maar plaats hebben.

Zo zou het Jodendom ondergegaan zijn, als het naast zijn tempel geen synagoge gehad had: geen Joodse kerk, geen Joodse theologie. Het christendom zou geen passende eredienst gevonden hebben, als het daarmee de tempeldienst met het offer had moeten vervangen. Het kon zich echter aansluiten bij de redelijke, onbloedige eredienst van de synagoge, waarin Jezus en Paulus hun prediking begonnen.

Evenzo zou de Grieks-Romeinse beschaving geheel zijn ondergegaan, als, bij de ondergang van de antieke tempeldienst, de christelijke kerk met haar redelijke godsdienst het barbarendom niet had opgevangen en met haar doctrina christiana, haar christelijke prediking, de jonge volkeren niet had opgevoed.23

Bij de Reformatie, die samenvalt met een weeropleving van de antieke beschaving en die aan de ingang van de moderne geschiedenis staat, vindt tegelijk weer een merkwaardige vereenvoudiging van de eredienst plaats en een besliste verwerping van de offergedachte. De prediking komt sterk op de voorgrond en daarnaast een ijverige zorg voor het onderwijs.

Met het oog op dit alles lijkt het mij een vlucht in de liturgie, als men in het tijdsgewricht dat wij thans beleven, de offergedachte weer centraal zou gaan stellen voor onze kerkdiensten. Wij hebben geen gesloten eredienst van node, maar moeten de christelijke handelingen, die van het begin af het bestand en de uitbreiding der kerk hebben gediend, in haar wezen laten. De Schriftlezing, de prediking, het gebed, de sacramenten moeten - elk naar zijn eigen aard - zich kunnen uitleven in de dienst, zonder dat de ene aan de andere wordt dienstbaar gemaakt. De ongelijksoortigheid van deze handelingen moet worden geëerbiedigd. Zij kunnen ook elk afzonderlijk worden verricht. Zij werden en worden ook afzonderlijk verricht.

De profeten, Johannes de Doper, Jezus, de apostelen hebben gepredikt buiten verband met een eredienst. In de woestijn, op een berg, in het vrije veld, op een scheepje, op de markt, in een zaal. Wanneer zij in een eredienst, in de synagoge gingen, werden zij er meestal uitgeworpen. Het Woord Gods is een machtig wapen. Het verschijnt ook in de kerkdienst. Men noemt die thans graag eredienst en wil daarmee de aanbidding of de offerande op de voorgrond plaatsen. Maar deze kerkdienst droeg onder ons steeds een andere naam, nl. dienst des Woords, naar de voornaamste handeling in de dienst. Ook Gerretsen,24 die men gaarne als de vader van de liturgische beweging ten onzent eert, stelde nog de preek in het middelpunt. De prediking is een bij uitstek publieke handeling. Zij heeft niets geheims, zoals een leer dat in de Oudheid vaak had. Deze leer, zegt Jezus, wordt van de daken verkondigd.25

Zulk een handeling kan zich niet vergenoegen met een bescheiden hoekje ergens terzijde van het altaar, maar vraagt om een centrale plaats. Zij kan zich ook niet vergenoegen met een verloren ogenblik, waarin de liturgie even tot rust komt. Zij wil, als zij haar karakter niet zal verliezen, een overwegend aandeel in de tijd.

Het gebed is een gans andere handeling in de dienst. Het stamt uit de binnenkamer, volgens Jezus' eigen woorden.26 Hij oefende het op een bergtop, alleen, in de woestijn, in een hof. Zijn eigenlijk karakter is niet publiek, maar bestemd voor de verborgenheid. In de kerkdienst krijgt het, zoals reeds in het gezin aan de Schriftlezing, deel aan de publiciteit der verkondiging. Het neemt daarom ook ten dele het karakter aan van een psalm, een gezang . Maar naar z'n aard blijft het een eigen macht behouden, die het niet aan de prediking ontleent. Er zijn ook psalmen in de nacht. Het gebed wisselt met de prediking. Zij ontmoeten elkaar in de dienst, maar respecteren elkaars aard. Dit is ook met de sacramenten het geval. Men is thans vaak gewoon Doop en Avondmaal nauw te verbinden en de weg van de Doop, het begin, naar het Avondmaal als weg van het catechumenaat te beschouwen. Van den beginne is dit echter zo niet geweest. De Doop werd bediend na de Geloofsbelijdenis. En al is, door de verbondsgedachte, de kinderdoop gewettigd, toch mogen wij niet vergeten, dat de Doop oorspronkelijk meer op de prediking, dan op het Avondmaal betrokken was. Predikt het Evangelie, sprak Jezus, aan alle creaturen, dezelve dopende.27 De Doop, zoals Johannes die bediende in de woestijn, en zoals Jezus die instelde, is van geheel andere aard dan het Avondmaal. Hij blijft ook in de dienst zijn onafhankelijkheid bewaren en wordt niet geheel één met de andere handelingen, en allerminst met het Avondmaal, zoals wij nog zullen zien.

En nu eindelijk het Avondmaal zelf. Het was oorspronkelijk letterlijk een Avondmaal. In de nacht in welke Hij verraden werd brak Jezus het brood. Het was oorspronkelijk verbonden met de agapè, de liefdemaaltijd; niet met de prediking. Dat is al spoedig anders geworden, omdat deze liefdemaaltijden aanleiding gaven tot misbruik. Toen is het Avondmaal overgebracht naar de dienst des Woords. Het heeft daar, om zo te zeggen, een toevlucht gezocht.

Dit was niet zonder gevaar. En als men het karakter van de kerkdienst wil bepalen op grond van archaïstisch, historisch onderzoek, dan kan dat ook gevaarlijke consequenties meebrengen. Men kan daaruit dan de gevolgtrekking maken, dat het Avondmaal als de meer plechtige, meer mysterieuze handeling een belangrijker handeling was dan de prediking, die toch de vertolker is van het gehele Evangelie. Zo komt men dan tot de opvatting dat de, kerkdienst naar zijn wezen eigenlijk een eredienst, een tempeldienst, een offerdienst is en dat het niet in de eerste plaats een predikdienst is. Dat dit een gevaar is, geeft prof. Van der Leeuw in zijn Liturgiek ook toe, als bij schrijft dat de kerk een tijd lang op het punt gestaan heeft een mysteriegodsdienst te worden, naar het model van de gemeenschappen der oosters-hellenistische syncretistische religies, omdat de missa fidelitim, dat gedeelte van de dienst, waarin het Avondmaal gevierd werd, geheim was.28 Hij spreekt daarbij de gedachte uit dat de invoering van de kinderdoop dit verhinderd heeft. Dit is een treffend gezichtspunt. Immers, de Doop is in zoverre een tegenwicht tegen het mysterie in het Avondmaal, dat het een openbare handeling is, die de prediking vergezelt. En wanneer nu de kinderdoop wordt ingevoerd, dan betekent dit een versterking van het publiek karakter van de gemeentelijke samenkomsten. Tegenover de missa fidelium staat de missa catechumenorum, die het karakter draagt van een Evangelieprediking met Schriftlezing en gebed.

De liturgische beweging, die, zoals wij zagen, de invloed van de invoering van de kinderdoop bij monde van Van der Leeuw wel heeft opgemerkt, heeft daarmee echter niet voldoende rekening gehouden. Zij heeft zich te veel historisch-archaïstisch georiënteerd aan oud-christelijke vormen, zonder voldoende te letten op het kritisch karakter van het offerbegrip bij Paulus en zonder naar behoren zich te laten waarschuwen door het gevaar voor de Oude kerk om tot mysteriegodsdienst te vervallen. Immers, wanneer Van der Leeuw de alternatieven stelt.29 Is de dienst een getijdedienst of een sacramentsdienst; 2. Is de dienst die van een christelijke synagoge of die van de tempel; 3. Is de dienst een dienst van Schriftlezing, gebed, dan wel een offerdienst, dan beslist hij voor een sacramentsdienst en een offerdienst.30 De hoofddienst der gemeente mag volgens hem niet zonder sacrament zijn.

Deze beslissing houdt niet voldoende rekening met wat boven werd opgemerkt, en met wat Van der Leeuw zelf toegeeft.

Het Avondmaal vond aanvankelijk plaats bij de agapè, de liefdemaaltijd. - Pas toen dit bezwaar opleverde kwam het in de morgengodsdienstoefening. De morgengodsdienstoefening droeg aanvankelijk een publiek karakter en dit is ook voor Augustinus de eer der christelijke prediking, tegenover de geheimleer der heidense leraren.31 - De kinderdoop bevestigt dit publiek karakter inzoverre het een dienst noodzakelijk maakt, waarin iemand, zoals Timotheüs, van kindsbeen af in de Schriften wordt onderwezen.32 Onze kerkdiensten zijn in dat opzicht steeds ook jeugddiensten; diensten van de morgen, publiek en niet mysterieus.

Met deze dingen heeft de liturgische beweging te weinig rekening gehouden. Zij brengt steeds driester het offer in de dienst weer naar voren. Zij kan er natuurlijk niet bij blijven staan, dit offer als het offer bij de collecteschaal in te voeren. Het offer wil in het centrum zijn en dringt zich, eenmaal ingevoerd, daar naar toe. Luther heeft echter de dienst ontmysteriseerd. Wanneer hij liturgie en riten uit de Roomse Kerk behoudt, zoals ook het altaar, dan is het merkwaardig dat dit bij hem niet zozeer gebeurt voor de missa fidelium, maar voor de missa catechumenorum. Luther vindt schellen, luiten en pijpen goed om de jeugd er mee te trekken.33 't Is dus meer voor de preekdienst dan voor de avondmaalsdienst. Voor de ingeleide gemeente wil Luther een aanbidding in geest en in waarheid, al is 'lij ook hier tenslotte tot een meer vormelijke liturgische verantwoording gekomen. Zo wordt de liturgie een opvoedingsmiddel in de openbare godsdienstoefening.

Dit is de meest onschuldige vorm voor een uitbreiding der liturgie. Zij blijft dan het karakter van Woordverkondiging houden. Wanneer de liturgie een grote uitbreiding ondergaat in verband met de missa fidelium, dan krijgt zij in de protestantse gemeente een eigen heerlijkheid, omdat het ware offer daar toch niet erkend wordt. Er ontstaat dan een zelfstandige liturgische geest, die gevaarlijk wordt voor onze redelijke eredienst. liturgie is er dan om zich zelfs wille. Haar vormgevingen zijn dan voortzettingen van de vleeswording des Woords. De praesentia realis is dan niet meer een zakelijke tegenwoordigheid, een kerkelijke herhaling van wat eenmaal plaatsvond, maar een soort magisch realisme en ritualisme, dat zich aan de hele dienst mededeelt en dat de betrekkelijke soberheid van de roomse eredienst mist. Liturgie wordt dan in plaats van een aardse dienst, een hemels spel, dat ons van de realiteit vervreemdt. Zij krijgt dan het karakter van een mysterie.

Wanneer het offer van Christus recht tot ons gebracht zal worden, dan moet het gepredikt worden. In de prediking komt het offer uit de hemel naar ons toe in onze aardse werkelijkheid. Dat is het werk van de Heilige Geest, de Pinkstergeest. Het is duidelijk dat hiermee tegelijk het liturgisch beginsel wordt omgekeerd. Het ontbreken van het altaar in de kerk is het vormbeginsel van de gereformeerde eredienst. Niet de incarnatie, zoals Van der Leeuw wil, maar de uitstorting van de Heilige Geest, waarbij verzoening aan ons wordt aangeboden. Deze twee, het oude offerbegrip, waarbij aan God gaven worden gebracht en de uitstorting des Geestes, waarbij God gaven, charismata, aan de gemeente schenkt, zijn niet te verbinden. Men moet het ook niet proberen.

Voetnoten

  1. a

    G. van der Leeuw, Liturgiek, Nijkerk 1940 (19461), p. 30.↩

  2. b

    A. w., p. 15.↩

Eindnoten

  1. 1

    Blijkens een aantekening op het manuscript hield N. een lezing over Offer en Liturgie: "Ik meen te Utrecht voor Excelsior 1946." Bedoeld is het theologisch studentengezeischap 'Excelsior Deo luvante'.↩

  2. 2

    Zie p. 148, noot 73.↩

  3. 3

    Zie p. 157, noot 189.↩

  4. 4

    Zie p. 152, noot 130.↩

  5. 5

    Zie p. 240, noot 76.↩

  6. 6

    Zie p. 140, noot 10.↩

  7. 7

    Vindplaats bij I. da Costa onbekend. Deze opvatting is wel te vinden bij J. H. Gunning Jr. in zijn Openbare brief aan de ouderlingen der Vrije Evangelische gemeente te Amsterdam, Utrecht 1860. Vgl. VW., dl. 5, p. 217.↩

  8. 8

    A. J. Wensinck (1882-1939), vanaf 1912 hoogleraar Hebreeuws, vanaf 1927 hoogleraar Arabisch te Leiden↩

  9. 9

    Vgl. voor de herkomst der citaten A. J. Wensinck, De Nederlandsch-Hervormde Kerk en de Gemeente van Christus. Gedachten naar aanleiding van de Reorganisatiebeweging, Rotterdam 1939, p. 9 vv.; curs. in tekst is van N.↩

  10. 10

    Vgl. voor de volgende twee zinnen G. van der Leeuw, Liturgiek, Nijkerk 1940 (19462) p. 26.↩

  11. 11

    Van der Leeuw, a. w., p. 16.↩

  12. 12

    Zie p. 123.↩

  13. 13

    Heidelbergse catechismus, zondag 30.↩

  14. 14

    Zie p. 251, noot 6.↩

  15. 15

    Zie p. 251, noot 7.↩

  16. 16

    Vgl. Jak. 1 : 25.↩

  17. 17

    Vgl. de brief van Ignatius (t vóór 118 n.Chr., bisschop van Antiochië, een der apostolische vaders) aan de Philadelphiërs, hoofdstuk 4.↩

  18. 18

    Terzijde: Hebreeuwse tekst.↩

  19. 19

    Zie p. 98.↩

  20. 20

    Zie p. 98.↩

  21. 21

    Vgl. Hand. 7 : 48 en 17 : 24 (St.V.).↩

  22. 22

    Terzijde: Herhalen = protestants.↩

  23. 23

    Terzijde: De nieuwe liturgie?↩

  24. 24

    Zie p. 237, noot 9.↩

  25. 25

    Vgl. Luk. 12 3.↩

  26. 26

    Vgl. Luk. 12 3.↩

  27. 27

    Vgl. Mark. 16 : 15 en Matth. 28 : 19 (St.V.).↩

  28. 28

    Van der Leeuw, a. w., p. 134.↩

  29. 29

    Van der Leeuw, a. w., p. 132.↩

  30. 30

    Terzijde: Positieve opbouw bij gereformeerden.↩

  31. 31

    Vgl. Augustinus, De vera religione3,5. MPL. 34,125; CSEL. 77,7 v.; CChrSL. 32,191 v.↩

  32. 32

    Vgl. 2 Tim. 3 15.↩

  33. 33

    Zie p. 59.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← EredienstInhoudDe zon, de liturgie en de preek →