O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Offer en LiturgieInhoudDe zon, het orgel en de preek →

Verzamelde Werken, deel 6 · p. 297–298

De zon, de liturgie en de preek1

door mr. K. Vonk

't Is op een zondagmorgen. Een stralende zon in een blauwe hemel. Door de hoge ramen van de Grote Kerk stroomt het licht naar binnen en tekent krachtige plekken op de grijze stenen. De hoge ruimten van schip en beuken zijn koel en voornaam en vervuld van een feestelijk schijnen. De kerkdienst is juist geëindigd, de schare stroomt naar buiten. In sonore klanken dragen de pedaalstemmen van het orgel een overvloed van harmonieën. Aan de hand van zijn grootvader loopt een jochie. Ze gaan onder de orgelgalerij door en daar leest hij: Soli Deo gloriam. Op zijn vraag vertelt de grootvader hem de betekenis: Den enigen God de eer. In zijn pril besef is dat één, overweldigend geheel: het zonnelicht, de voorname wijde kerkruimte met de forse pilaren, de machtige feestelijke orgeltoon en de eer van God. Wellicht heeft hij onder de preek als andere malen in stille verwondering zich afgevraagd, hoe vreselijk knap je wel moet wezen, om zoveel woorden achter elkaar te zeggen, maar nooit in zijn verder leven heeft het hem sedertdien losgelaten, dat de eer Gods een feestelijk gebeuren van onbegrijpelijke grootheid is, en dat daarbij hoort een machtig orgel en een wijde kerkruimte met licht en een schare.

De schrijver van deze regels is dat jochie van toen. Bij het nadenken over de bezorgde uiting van de domini Den Hertog en Lekkerkerker aangaande liturgie en dienst des Woords,2 kwam bij hem het boven beschreven voorval weer voor de geest. Want al lezende had hij het gevoel: er klopt iets niet aan dat betoog, het is zo niet, maar wat klopt er niet?

Het is niet zo, dat de preekdiensten in vroeger tijden alleen maar bloedarm zijn geweest, zeker niet in de zestiende en een gedeelte der zeventiende eeuw. De gestaafde feiten zijn er om te bewijzen, hoezeer de schare er voortijds door werd aangesproken.

Maar het is ook niet zo, dat de 'dienst des Woords' een in deze tijd eenvoudig hanteerbaar begrip is, alsof met het bezigen van deze term het vraagstuk is opgelost, alsof de Evangelieverkondiging bereikt is, indien slechts enige handelingen gepleegd worden, die als 'dienst des Woords' worden aangeduid, te weten: het lezen van een of meer gedeelten uit de bijbel en het houden van een oratie, in enger of wijder verband met die bijbelgedeelten. Het houden van zulk een oratie schept formeel en materieel geen enkele waarborg van Evangelieverkondiging, zo'n oratie kan integendeel evenzeer een aanzienlijke hoeveelheid onzin bevatten en voor de rest zijn geconstrueerd uit stichtelijke en dogmatische gemeenplaatsen. ⚑De onzin loopt op den duur in de gaten, maar de gemeenplaatsen nemen de schijn-gestalten aan van de objectieve verkondiging des Woords. Dan is er de beeldendienst, waarheen eenvoudigen en niet-eenvoudigen opgaan om te aanbidden.

Laten we elkaar niets wijs maken: het preken is mensenwoord, met al de aankleve van dien. Hoezeer het mensenwoord is, ontsnapt uiteraard aan de waarneming van hen, die zelf, veelal in volmaakt eerlijke overtuiging, zondag aan zondag preken. Anderzijds voltrekt zich het wonder, in ontroering ontvangen, dat toch daarin God zich toont. Hier kom ik tot de liturgie. Zij geeft het vast bestek van het gebouw van Gods gunstbewijzen.3 Wij kunnen gerust zijn. Het staat er. De preek gaat daarin rond en toondt enkele van de geheimenissen, van de schatten, van de constructies. Soms meer, soms minder ter zake. Maar dat is niet erg. Het verwonderend oog waart rond binnen de vaste contouren van Gods heilsplan. Een al te menselijk woord in de rondleidende preek stoort niet, want elke gids faalt wel eens. Maar elke doorgaande lijn, elk detail, door de preek ontdekt, wordt gretig aanvaard. De litugie schept de ruimte voor de preek, ontneemt er het pretentieuze karakter aan. Het oproepen van een tegenstelling evangelisch-katholiek met reformatorisch-protestants is in dit verband prematuur.

Een dienst des Woords, waarin de grenzen van het gesproken mensenwoord uit het oog worden verloren, is echter een vervloekte afgoderij en een, soms zelfs komieke, vertoning beide. Bij de grote waardering voor de vaderen der zestiende en zeventiende eeuw mogen we overigens niet uit het oog verliezen, dat zij leefden in een tijd, die ernstig geloofde in een 'ratio scripta'4 van het romeinse recht, die de voedingsbodem opleverde voor een Descartes, een tijd, gevangen in de ban van de macht, ja de almacht van woord en rede als middel ter omvatting van alle zienlijke en onzienlijke dingen. Hoe hebben we sedertdien het verband tussen woord en werkelijkheid anders leren zien, van het 'open systeem van het Recht'5 af tot de existentiefilosofieën in haar schakeringen en de theologie van Barth toe.

De bezinning van het ogenblik op de liturgie is dan ook wel op de laatste plaats kinderspel. Zij houdt onmiddellijk verband met de niet te meten werkelijkheid der Duitse ruïnes, de wilde verwarring der hedendaagse economische en politieke situatie, het verlies van grenzen in de natuurwetenschappen. Daarbij vergeleken zouden de zestiende en zegentiende eeuw wel eens kinderspel kunnen blijken.

Laten we daarom ons vermeien in de ruimte der kerk, waar de zon binnenvalt, ook als er buiten geen zon is, waar het loflied getuigt van Gods onzegbare werkelijkheid, die alle andere werkelijkheden overtreft, waar de schare in- en uitgaat en weide vindt, bij liturgie en preek. Als't God belieft, kan deze schare zo ook nog een kern in deze woelende wereld zijn.

Eindnoten

  1. 1

    K. Vonk publiceerde De zon, de liturgie en de preek in WNHK. 30 (21 dec. 1946) nr. 51, ongepagineerd. Het artikel is een van de reacties op het artikel Liturgische opvoeding van ds. A. Braakman, hervormd predikant te Amersfoort, verschenen in Kerk en Eeredienst. Nederlandsch Hervormd Tijdschrift voor Liturgie 1 (1946), p. 232-237, en overgenomen door het WNHK. 30 (14 sept. 1946) nr. 37. In WNHK. 30 (9 nov. 1946) nr. 45 volgde onder de titel Liturgie òf Dienst des Woords eerst een reactie van ds. W. E. den Hertog en ds. A. F. N. Lekkerkerker, beiden hervormd predikant te Loosduinen; vervolgens een van ds. H. Miskotte te Wesepe onder de titel 'Evangelisch-Katholiek' of 'Gereformeerd-Protetantsch', in WNHK. 30 (23 nov. 1946) nr. 47; en tenslotte de voornoemde van Vonk. De reacties op het artikel van Braakman werden overgenomen door Kerk en Eeredienst 2 (1947), p. 37-43. Na de publikatie van het artikel van Vonk kwam tussen Vonk en Noordmans een discussie op gang in de vorm van een drietal artikelen, die hierna zijn opgenomen.

    K. Vonk (1906-1983), lid van de N.H. Kerk, werd in 1933 als jurist aangesteld aan het ministerie van Economische Zaken. Hij was secretaris in de Raad van Beroep voor bevrachtingszaken en, na overgang naar het ministerie van Waterstaat, belast met de voorbereiding van de coördinatiewetgeving voor het vervoer. Na 1945 lagen zijn werkzaamheden voornamelijk op het gebied van de internationale vraagstukken van verkeer en vervoer. Sedert 1959 trad hij op als raadsadviseur in algemene dienst bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat. Van 1959-1976 was mr. Vonk buitengewoon hoogleraar in verkeers- en vervoerseconomie aan de Universiteit van Amsterdam.↩

  2. 2

    In hun voornoemde artikel Liturgie òf Dienst des Woords schrijven Den Hertog en Lekkerkerker: "Wanneer collega Braakman schrijft over de 'bloedarme preekdienst', waarin onze vaderen zich eeuwenlang hebben geschikt, wanneer hij de afgelopen eeuwen onzer kerkgeschiedenis in liturgisch opzicht als een 'erbarmelijke verschrompeling' beoordeelt, als een moedwillige of onbewuste verminking van onze eredienst', wanneer hij vraagt om een 'preek, kort, modern in de goede zin des woords en toch in stijl, die niet vloekt met de gedragen toon der liturgie', kunnen wij ons protest niet voor ons houden. Wanneer wij zouden moeten kiezen tussen de 'bloedarme preekdienst' en de zgn. 'liturgische dienst', waarin alle heilsfeiten genoemd worden en waarvan de preek 'een onderdeel mag zijn' (coll. Fagel), zou onze keus onmiddellijk naar de eerste gaan"; vgl. Kerk en Eeredienst 2 (1947), p. 32. Zich beroepend op O. Noordmans en J. Koopmans spreken Den Hertog en Lekkerkerker over 'dienst des Woords' in plaats van over 'eredienst'. Aan het slot van hun artikel (p. 39) staat: "Collega Braakman vraagt om opvoeding der gemeente. Uitstekend. Maar dan geen liturgische opvoeding met responsoria enz. De opvoeding der gemeente tot waarachtig horen in prediking, catechismusdienst en catechisatie, opdat de gemeente lere kennen 'de enige troost in leven en in sterven'. Alleen zulk een opvoeding tot de 'dienst des Woords' is gehoorzaam aan het Woord van God en de belijdenis der kerk. Want, zoals Ursinus het schrijft in zijn Schatboek: de enige versiering der kerk is 'de zuivere leer, het wettig gebruik der sacramenten en de ware aanroeping en dienst van God, overeenkomende met zijn Woord'."↩

  3. 3

    Zie p. 31, noot 2.↩

  4. 4

    De humanistenterm 'ratio scripta' betekent'op schrift gestelde/schriftelijk vastgelegde redelijkheid'. - Men gaf de (redelijke) voorkeur aan het gecodificeerde Romeinse recht boven het vigerende inheemse recht, dat plaatselijk sterk verschillend en verbrokkeld was.↩

  5. 5

    Vgl. voor deze term van prof.mr. P. Schoften diens Algemeen Deel, Zwolle 19743 (19311,19342) § 17 (Het open systeem van het recht), p. 75-77. Op p. 76 stelt S.: het recht vormt "ongetwijfeld een systeem, een geheel van logisch passende regelingen. Maar een syssteem dat niet, omdat het gebrekkig mensenwerk is, hier en daar hiaten vertoont, maar dat uit zijn aard niet af is en niet af zijn kan, omdat het grondslag is van beslissingen, die aan het systeem zelf iets nieuws toevoegen. Ik meen, dat dit het beste uitkomt, indien we van een open svsteem spreken." Zie over S. p. 302, noot 4.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Offer en LiturgieInhoudDe zon, het orgel en de preek →