De zon, de liturgie en de preek1
door mr. K. Vonk
't Is op een zondagmorgen. Een stralende zon in een blauwe hemel. Door de hoge ramen van de Grote Kerk stroomt het licht naar binnen en tekent krachtige plekken op de grijze stenen. De hoge ruimten van schip en beuken zijn koel en voornaam en vervuld van een feestelijk schijnen. De kerkdienst is juist geëindigd, de schare stroomt naar buiten. In sonore klanken dragen de pedaalstemmen van het orgel een overvloed van harmonieën. Aan de hand van zijn grootvader loopt een jochie. Ze gaan onder de orgelgalerij door en daar leest hij: Soli Deo gloriam. Op zijn vraag vertelt de grootvader hem de betekenis: Den enigen God de eer. In zijn pril besef is dat één, overweldigend geheel: het zonnelicht, de voorname wijde kerkruimte met de forse pilaren, de machtige feestelijke orgeltoon en de eer van God. Wellicht heeft hij onder de preek als andere malen in stille verwondering zich afgevraagd, hoe vreselijk knap je wel moet wezen, om zoveel woorden achter elkaar te zeggen, maar nooit in zijn verder leven heeft het hem sedertdien losgelaten, dat de eer Gods een feestelijk gebeuren van onbegrijpelijke grootheid is, en dat daarbij hoort een machtig orgel en een wijde kerkruimte met licht en een schare.
De schrijver van deze regels is dat jochie van toen. Bij het nadenken over de bezorgde uiting van de domini Den Hertog en Lekkerkerker aangaande liturgie en dienst des Woords,2 kwam bij hem het boven beschreven voorval weer voor de geest. Want al lezende had hij het gevoel: er klopt iets niet aan dat betoog, het is zo niet, maar wat klopt er niet?
Het is niet zo, dat de preekdiensten in vroeger tijden alleen maar bloedarm zijn geweest, zeker niet in de zestiende en een gedeelte der zeventiende eeuw. De gestaafde feiten zijn er om te bewijzen, hoezeer de schare er voortijds door werd aangesproken.
Maar het is ook niet zo, dat de 'dienst des Woords' een in deze tijd eenvoudig hanteerbaar begrip is, alsof met het bezigen van deze term het vraagstuk is opgelost, alsof de Evangelieverkondiging bereikt is, indien slechts enige handelingen gepleegd worden, die als 'dienst des Woords' worden aangeduid, te weten: het lezen van een of meer gedeelten uit de bijbel en het houden van een oratie, in enger of wijder verband met die bijbelgedeelten. Het houden van zulk een oratie schept formeel en materieel geen enkele waarborg van Evangelieverkondiging, zo'n oratie kan integendeel evenzeer een aanzienlijke hoeveelheid onzin bevatten en voor de rest zijn geconstrueerd uit stichtelijke en dogmatische gemeenplaatsen. ⚑De onzin loopt op den duur in de gaten, maar de gemeenplaatsen nemen de schijn-gestalten aan van de objectieve verkondiging des Woords. Dan is er de beeldendienst, waarheen eenvoudigen en niet-eenvoudigen opgaan om te aanbidden.
Laten we elkaar niets wijs maken: het preken is mensenwoord, met al de aankleve van dien. Hoezeer het mensenwoord is, ontsnapt uiteraard aan de waarneming van hen, die zelf, veelal in volmaakt eerlijke overtuiging, zondag aan zondag preken. Anderzijds voltrekt zich het wonder, in ontroering ontvangen, dat toch daarin God zich toont. Hier kom ik tot de liturgie. Zij geeft het vast bestek van het gebouw van Gods gunstbewijzen.3 Wij kunnen gerust zijn. Het staat er. De preek gaat daarin rond en toondt enkele van de geheimenissen, van de schatten, van de constructies. Soms meer, soms minder ter zake. Maar dat is niet erg. Het verwonderend oog waart rond binnen de vaste contouren van Gods heilsplan. Een al te menselijk woord in de rondleidende preek stoort niet, want elke gids faalt wel eens. Maar elke doorgaande lijn, elk detail, door de preek ontdekt, wordt gretig aanvaard. De litugie schept de ruimte voor de preek, ontneemt er het pretentieuze karakter aan. Het oproepen van een tegenstelling evangelisch-katholiek met reformatorisch-protestants is in dit verband prematuur.
Een dienst des Woords, waarin de grenzen van het gesproken mensenwoord uit het oog worden verloren, is echter een vervloekte afgoderij en een, soms zelfs komieke, vertoning beide. Bij de grote waardering voor de vaderen der zestiende en zeventiende eeuw mogen we overigens niet uit het oog verliezen, dat zij leefden in een tijd, die ernstig geloofde in een 'ratio scripta'4 van het romeinse recht, die de voedingsbodem opleverde voor een Descartes, een tijd, gevangen in de ban van de macht, ja de almacht van woord en rede als middel ter omvatting van alle zienlijke en onzienlijke dingen. Hoe hebben we sedertdien het verband tussen woord en werkelijkheid anders leren zien, van het 'open systeem van het Recht'5 af tot de existentiefilosofieën in haar schakeringen en de theologie van Barth toe.
De bezinning van het ogenblik op de liturgie is dan ook wel op de laatste plaats kinderspel. Zij houdt onmiddellijk verband met de niet te meten werkelijkheid der Duitse ruïnes, de wilde verwarring der hedendaagse economische en politieke situatie, het verlies van grenzen in de natuurwetenschappen. Daarbij vergeleken zouden de zestiende en zegentiende eeuw wel eens kinderspel kunnen blijken.
Laten we daarom ons vermeien in de ruimte der kerk, waar de zon binnenvalt, ook als er buiten geen zon is, waar het loflied getuigt van Gods onzegbare werkelijkheid, die alle andere werkelijkheden overtreft, waar de schare in- en uitgaat en weide vindt, bij liturgie en preek. Als't God belieft, kan deze schare zo ook nog een kern in deze woelende wereld zijn.