Mystiek en Prediking1
In de verbinding met de christelijke prediking ligt voor de vraag naar het wezen der mystiek een sterke begrenzing opgesloten. Tal van verschijnselen, die wij onder die naam samenvatten, kunnen daardoor buiten beschouwing blijven. Verreweg de meeste komen nu niet in aanmerking. Wij mogen dus niet beginnen met een algemene bepaling van mystiek te geven, om daarna te vragen of zij in de prediking een plaats kan vinden. Veeleer dienen wij uit te gaan van de aard der bijbelse verkondiging, om ons er daarna rekenschap van te geven of daarin elementen kunnen voorkomen, die als mystisch kunnen worden aangeduid. Het karakter van de christelijke prediking is zo duidelijk bepaald, dat daarin een strenge norm gelegen is voor alles wat zich aandient, om daarin te worden opgenomen.
Natuurlijk kunnen wij ons daarmee niet ontslagen rekenen van de plicht om het begrip mystiek enigermate te bepalen. Maar in dit geval zou het veel te omslachtig zijn, als wij daarmee zouden beginnen. Veel beter lijkt het mij, als wij sommige elementen uit de bedoelde prediking afzonderen en dan vragen of zij als mystisch kunnen of moeten worden betiteld. Op de zelfde wijze als men wel eens gevraagd heeft of Paulus een mysticus is geweest of dat sommige uitingen van zijn apostolische werkzaamheid ten onrechte aanleiding hebben gegeven, hem zo te noemen.2 De vraag, waarmee wij ons hier bezighouden, houdt dan voorlopig iets zwevends. Maar dat is veel verkieslijker dan dat wij voor een vooraf bepaald type van mystiek toelating vragen in de christelijke prediking. Wanneer het zou blijken, dat er mystieke kanten aan het Evangelie zijn, dan zullen dat zulke zijn, waardoor elke andere mystiek geweerd wordt. De prediking zelve behoort hier de norm te zijn.
Het Evangelie nu is een boodschap, die door een apostel wordt overgebracht. God is de Zender. Jezus wordt ook zelf de Apostel onzer belijdenis genoemd (Hebr. 3 : 1). Het apostolaat verschilt hierin van de profetie, dat het spreekt van datgene, wat op aarde gekomen is; wat mensen gezien hebben en waarvan zij getuigen zijn en blijven. Men behoeft nu voortaan niet in de hemel op te klimmen of in de afgrond neder te dalen. Het Woord is nabij (Rom. 10 : 7 en 8). De apostel brengt konde van een gedane zaak, die geen keer kan nemen. Zelf moet de hoorder van het Evangelie een keer nemen; hij moet zich bekeren. Het Evangelie laat aan bepaaldheid, aan scherpte van omtrekken niets te wensen over. Jezus is geboren uit de maagd Maria; Hij heeft geleden onder Pontius Pilatus; Hij is ten derden dage wederom opgestaan van de doden. En een ander Evangelie dan dat van de gekruiste wil de apostel niet brengen (1 Kor. 2 : 2).
Deze bepaaldheid van de apostolische boodschap wordt nog duidelijker, als wij er op letten, dat de vorm der prediking doorgaans niet bestaat uit een verhaal, maar zich oplost in een aantal scherp belijnde oordelen over de hoorder, waarin de boodschap pas recht als een Evangelie openbaar wordt. Ik zal er hier enkele aanhalen: Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede met God (Rom. 5 : 1). Zo is er dan nu geen verdoemenis voor hen, die in Christus Jezus zijn (Rom. 8: 1). Als God voor ons is, wie zal tegen ons zijn (Rom. 8 : 31). Zo zijt gij dan geen vreemdelingen en bijwoners meer, doch medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods (Ef. 2 : 19). Dit zijn oordelen Gods, die over zondaren worden geveld. Zij vormen de inhoud van het Evangelie. - Het is het werk des Heiligen Geestes ze in de harten der gelovigen waar te maken.
Zulke oordelen zijn voorlopig niet mystisch van aard te noemen. Zij gaan niet in de richting van een eenheid, maar in die van een veelheid. Zij bedoelen niet te impliceren, maar te expliceren. Zij hebben een kritische functie. Zij scheiden klaar en duidelijk het recht van de zonde, de hemel van de hel, het burgerschap van de vreemdelingschap. De klove, die er telkens tussen beide bestaat, wordt zo scherp mogelijk aangewezen. - Ofschoon het in de prediking mogelijk is er op te wijzen, dat zulke oordelen elkaar insluiten en men daarmee zover zou kunnen gaan, ze te identificeren, is dat niet het doel van de apostolische verkondiging. Dat zou leiden tot verarming van de boodschap. Niet de eenvoud, doch de veelvuldigheid (Ef. 3 : 10) is de roem van het Evangelie. Daarin komt uit, dat God is 'een overvloedige fontein aller goeden' (Ned. geloofsbelijdenis, art. 1). Paulus prijst telkens de rijkdom zijner prediking. - De kerk heeft deze rijkdom gehonoreerd door van de eenvoud Gods voort te gaan tot de drie-eenheid en in het Apostolicum wederom van de drie tot de Twaalf artikelen.
Zo wordt dan de aandacht onder de verkondiging van het Evangelie geboeid, niet allereerst door de verwantschap, die er tussen de goddelijke oordelen bestaat, maar omgekeerd door de kracht, waarmee zij elkaar afstoten. Deze verhouding is niet een vijandige; natuurlijk niet. Het is één Geest, die oordeelt. Het is een scheppende kracht, die de afstoting bewerkt. Daardoor wordt een wereld opgebouwd naar de orde des Geestes, waarbij de grenzen niet mogen verflauwen. Zulk een pantheïstisch-mystische 'vernauwing der grenzen' (Kuyper)3 is in de christelijke prediking een boos ding. Wij mogen de werken, die God door zijn almachtige kracht buiten zich zet met een zekere definitieve afstoting, niet weer in Hem terugvoeren. En hetzelfde geldt nu van de afstoting, die zijn werken onderling op elkaar uitoefenen. "Het kleed eens mans zal niet zijn aan een vrouw, en een man zal geen vrouwenkleed aantrekken; want al wie zulks doet, is de Here uwe God een gruwel" (Deut. 22 : 5). De procreatie, de creatie in het algemeen zou daarbij in gevaar komen. God heeft voor zijn werk allereerst de afstoting nodig. Zij is daarvoor nog meer primair dan de vormgeving.
Dit alles geldt nu in de hoogste zin voor de oordelen des Geestes, die de wereld van het Evangelie constitueren. Daarin moet ieder in het hem toegewezen kleed, in de hem toegelegde kwaliteit verschijnen. Elk moet aanzitten in het bruiloftskleed, dat voor hem bestemd is (Matth. 22 : 11-13). De zondaar, die om dat kleed vraagt, wordt voor een rechtvaardige gehouden. En de rechtvaardige, die het niet doet, geldt als zondaar (Luk. 18 : 914).
Deze verschillende 'staten', waarin men zich in het koninkrijk Gods kan bevinden, blijven streng gescheiden. De voorgaande is telkens nodig voor de creatie van de volgende. Zo is het bij Christus zelf. Dat zijn de trappen der vernedering en der verhoging volgens Filippenzen 2 : 4-11 en volgens de Twaalf artikelen. Omdat de Heer zich zelf vernedert, heeft God Hem ook uitermate verhoogd. - Niet anders gaat het bij de christen toe. Verordinering, roeping, rechtvaardiging, verheerlijking zijn scheppende oordelen Gods, die elkaar omhoogstoten en daarom niet vermengd mogen worden.
Dit alles is niet de weg der mystiek, maar de roep der prediking. Onze vraag is nu of daarbij nog plaats is voor mystiek. Ons antwoord moet zijn, dat de eigen functie van de Evangelieverkondiging de mystiek uitsluit. De apostel, die zich strekt naar hetgeen vóór is (Fil. 3 : 14), heeft andere dingen te bedenken. Hij jaagt naar de prijs der roeping Gods, en is verwikkeld in de creatieve oordelen des Geestes, waartussen de verhoudingen bestaan, die wij boven hebben aangewezen. - Mystiek kan er alleen zijn, wanneer de prediking de omgekeerde richting zou kiezen. Zij zou dan niet moeten voortgaan van het ene oordeel Gods tot het andere, waarbij telkens een andere, tevoren niet aanwezige wereld zichtbaar wordt. Zij zou de betrekkelijke eenheid, die er in de evangelische geschiedenis tussen die oordelen valt op te merken, omdat zij samen een verhaal uitmaken, moeten vasthouden en niet voortgaan tot de volledige gebrokenheid en de verscheidenheid, die de uitdeling des Geestes kenmerken. Zij zou het creatieve in het Evangelie moeten verwaarlozen, het afstoten en opstoten onderling van de verschillende delen der nieuwe schepping. En zij zou omgekeerd van daar moeten terugvallen op de gebondenheid van het Evangelie als verhaal, waardoor de gescheidenheid en onderscheidenheid van de werken van Christus ten dele worden gecamoufleerd. En zo zou zij geen eigenlijke boodschap meer zijn van gedane zaken, die elk voor zich scherp bepaald zijn, als de uitspraken van een rechter, maar een lering omtrent een instelling, waarin het Evangelie als een herhaalbare handeling zou worden gedacht; een oefening in de herhaling daarvan. Alleen dan zou de mystiek in de christelijke prediking een belangrijke plaats kunnen krijgen. De eenheid, die voor de mystiek zo wezenlijk is, zou macht over de verkondiging krijgen.
De eenheid, die daardoor in de prediking zou optreden, moet echter nader worden bepaald. Wanneer op de eenheid van de heilsfeiten uit de evangeliën bijzondere nadruk wordt gelegd en wanneer zij in deze eenheid, in een bepaalde mystieke zin, als herhaalbaar worden voorgesteld, dan hangt de mogelijkheid daarvan niet enkel hieraan, dat de hieros logos, als gebonden verhaal, te zeer prevaleert boven de grote momenten daaruit, waaraan in de raad Gods een afzonderlijke waarde moet worden toegekend. Wanneer dit slechts het geval was, zou men eerder van een humanisering van het Evangelie moeten spreken, dan van een mysterisering. Ieder weet hoe een bepaalde 'liberale theologie' met haar Jezusbeeld niet alleen de dogmatiek, maar ook de mystiek uit het Evangelie verdreven heeft. Wanneer er plaats zal blijven voor mystiek, moet de gebondenheid van het evangelisch verhaal, behalve een menselijke, ook een goddelijke grond hebben. Anders zou ieder karakter van prediking onverbiddelijk verloren gaan. Maar ook dit is nog niet voldoende. Zal de mystieke prediking het tegen de verkondiging als boodschap kunnen opnemen, dan moet zij het goddelijk element in de verbinding sterker benadrukken dan dit in de dogmatische of scholastieke prediking het geval behoeft te zijn. Bij die laatsten zijn het, zoals wij zagen, vooral de goddelijke oordelen, die aan de Christus worden vervuld. In de mystieke prediking, waarin deze afzonderlijke heilsmomenten, ten behoeve van de eenheid, aan betekenis verliezen, zal bovenal de goddelijke tegenwoordigheid in de Christus (en in de christen) moeten worden aangewezen. De openbaring zal daardoor meer het karakter van een verschijning dragen, terwijl de grote momenten in de hieros logos dan hun betekenis ontlenen aan de verschillende gestalten, die deze verschijning van God in het vlees aanneemt. Deze gestalten staan niet zelfstandig, in zekere zin elkaar negerend, naast en tegenover elkaar, zodat zij elk op zich zelf in een afzonderlijk geloofsartikel kunnen worden beleden, maar zij impliceren elkaar, waardoor er eigenlijk slechts één artikel van het Credo overblijft, nl. dat, waarin de tegenwoordigheid Gods in de mens Jezus Christus wordt uitgesproken. Waar wij er vroeger opmerkzaam op geworden zijn, dat de eenvoud Gods in de prediking uitgebouwd wordt tot de drievuldigheid en in het Apostolisch credo tot een twaalfvoud, daar trekt het hier onze aandacht, dat de mystieke prediking de tegenovergestelde weg bewandelt. De grondvorm dier verkondiging is de vleeswording des Woords, de incarnatie. Deze éne goddelijke handeling is het onderwerp der mystische prediking. Door haar worden alle gestalten, waarin de goddelijke presentie verder toonbaar wordt, omvat.
Ik moet er op wijzen, dat wij op deze wijze uitkomen bij een goddelijke handeling. Niet bij God de Vader of de Zoon of de Heilige Geest. Derhalve niet bij God zelf of bij één zijner afzonderlijke werken of oordelen. Ook niet bij het éne, eenvoudige Wezen uit artikel 1 van de Nederlandse geloofsbelijdenis. Evenmin bij de volbrachte incarnatie, als afgedane zaak, toen Cyrenius over Syrië stadhouder was (Luk. 2 : 2). De menswording wordt hier als duurzaam gepredikt. Zij gaat voort en de verschijning van God in het vlees houdt ook na de hemelvaart van Jezus niet op.
Door deze belangstelling voor de handeling Gods en voor de duur daarvan handhaaft de mystieke prediking zich als prediking. Zou zij de vleeswording van het Woord als een afgedane zaak beschouwen of, nog verder gaande, haar aandacht enkel richten op het Woord in de incarnatie, dan zou zij blote mystiek worden en daarmee tevens haar christelijk karakter inboeten.
Maar daarmee kan zij toch niet verhinderen, dat het echte merk der christelijke verkondiging haar ontgaat. Zij verliest door het inkeren tot de éne duurzame handeling Gods het gezicht op het creatieve van de werking des Heiligen Geestes in de herschepping. Dit leidt tot een zekere steriliteit in de prediking, natuurlijk in mindere mate, maar toch op overeenkomstige wijze, als dat het geval is bij de naturalistische en de humanistische Evangelieverkondiging. Wij hebben in de gemeente de veelkleurige rijkdom nodig, waarbij elk stuk van de werken Gods, elk oordeel, waarmee Hij een nieuwe wereld schept, in zijn eigen licht mag stralen en in vele talen mag worden geprezen. Anders ontstaat er in de prediking een zekere eentonigheid, die recht evenredig is met de mate van de mystieke vereenvoudiging. Iedere prediker kan dat aan zijn eigen ervaring toetsen.
De mystieke prediking, zoals ik die hierboven heb trachten te kenschetsen, heeft haar zelfstandigheid verloren. Zij wordt dienstbaar aan een herkenningsproces, waarin zij de rol van een impressario moet vervullen. Zij moet de verschijningen, die in de gemeente plaatsvinden, duiden. Zij bazuint niet langer een apostolische boodschap uit. Zij is niet meer suo iure, maar is horig geworden.
Hiermee heb ik een verbinding van mystiek en prediking aangeduid, die onder ons niet onbekend is. Ik heb namen en citaten vermeden om scherper de tegenstelling tussen een apostolische prediking en dit sacramentele herkenningsproces te kunnen tekenen.
Ons rest nog de vraag of de apostolische prediking, die niet tot de oorsprongen inkeert, maar de creatieve expansie der goddelijke oordelen met haar aandacht volgt, ook zelve geen weet heeft van de mystiek, zij het dan een van andere aard en misschien beter onder een andere naam. Dit meen ik te moeten bevestigen.
De mystiek, die hier dan zo genoemd moge worden, is er echter niet een, waar de prediking van uitgaat. Zij is, wat ik zou willen noemen, een mystiek-van-gedane-zaken. Een mystiek der ruste. Het zijn de randen der wereld, die in de prediking wordt uitgedragen, welke het oog van de zittende apostel door hun glans somtijds geboeid houden. Het zijn ook soms de donkere schaduwen, waaruit God zijn werelden roept, die hem biologeren door haar ondoorgrondelijke vreemdheid. Hebben ze een eigen bestaan? Of zijn het blote, door God verworpen mogelijkheden? Heeft de mens er iets mee te maken? Zijn ze ook nog binnen in hem? Heeft God ook achtergronden? Heeft de wereld ze? Omvat Gods liefde ook de hel?
Deze randvragen zijn het, die optreden in het mystieke 'licht en donker' rondom de wereld der oordelen Gods, die de apostel ambtelijk uitbazuint. Paulus wijst naar zulk een rand, als hij schrijft, dat ook de Zoon zelf onderworpen (zal) worden dien, die hem alle dingen onderworpen heeft (1 Kor. 15 : 28). - Hij is daarvan eveneens onder de indruk, als hij, aan het slot van zijn theodicee in Romeinen 9-11, de ondoorzoekelijkheid van Gods oordelen prijst en de onnaspeurlijkheid van zijn wegen. God is zijn eigen raadsman geweest. Uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. - Die mystiek is er ook, wanneer de apostel in 1 Kor. 13 schrijft: Hetzij profetieën, zij zullen te niet gedaan worden; hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij zal te niet gedaan worden. En als hij daaraan laat voorafgaan: De liefde vergaat nimmermeer.
Deze mystiek maakt de prediking niet krachteloos. Zij maakt haar niet horig. Zij verhindert de apostel niet in zijn gaan naar de einden der aarde, zijn brengen van de boodschap aan alle creaturen. Het otium staat hier het negotium niet in de weg.4
Er is echter nog een ander element in de prediking, dat nog eerder als mystiek kan worden betiteld. De oordelen Gods, die de Geest onderzoekt, en die God door die Geest aan de apostelen openbaart (1 Kor. 2 : 10), betekenen een werkelijkheid en zullen ook verschijnen; zij zullen ook een gestalteaannemen. Maar het is nog niet geopenbaard hoe die zijn zal (1 Joh. 3:2). Wel reinigt een ieder, die deze hoop op hem heeft, zichzelf (1 Joh. 3:3). De reiniging is ook aan deze mystiek eigen, zoals aan iedere andere. Maar de gestalte grijpt hier niet op de verschijning vooruit en de verschijning niet op de presentie. Het is een mystiek in hope, de enige die met de christelijke prediking bestaanbaar is.
Deze eschatologische mystiek is dan echter ook onmisbaar voor de prediking. Zij vuurt haar aan, zoals omgekeerd de mystiek-van-het-midden, die vooruitloopt op de verschijning en de presentie, haar doet uitdoven. De prediker moet weten dat er waarheid achter de waarheid is en dat, naarmate hij zich daarin waagt, de werkelijkheid hem te hulp komt. Men merkt het, als de Evangelieverkondiging dit contact mist. Als zij - zoals prof. Aalders het ergens noemde - van haar voorwerp is afgestorven, geborneerd en zielloos.5 Dat voorwerp is Christus zelf, die de Waarheid zelve is.
Er is dikwijls veel kritiek geweest op een prediking, die zich toelegt op wat juist haar taak is: het uitroepen van de oordelen Gods, als daar zijn: dat God het dwaze, het zwakke en onedele heeft uitverkoren (1 Kor. 1 : 27); dat Jezus niet gekomen is om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekering (Luk. 5 : 32); dat de mens gerechtvaardigd wordt zonder werken (Rom. 4 : 6); dat niet de Rijke Man, maar de Arme Lazarus verheerlijkt wordt (Luk. 16 : 22-23). Men vindt zulk een verkondiging te juridisch, te weinig vragend naar een werkelijkheid, waarop de uitspraak kan rusten. Men zoekt dit gebrek aan te vullen door een sacramentele of mystische heiligingsleer, die eist dat de ontbrekende gronden zullen worden aangebracht. Newman zegt dat niet de zondaar, maar de heilige wordt gerechtvaardigd.6
Dat deze oordelen, die samen het Evangelie vormen, zo kunnen worden gepredikt, dat men terecht iets mist, moet worden toegegeven. Dat dit samenhangt met een tekort aan werkelijkheidsbesef is eveneens juist. En eindelijk is ook niet tegen te spreken, dat het contact met die werkelijkheid op mystieke wijze moet worden gelegd. Maar het tasten naar deze werkelijkheid mag niet uit de prediking zelve worden weggenomen en overgebracht naar een instelling daarnaast, zodat de prediking haar vleugels kwijtraakt. De werkelijkheid die men zoekt en die men zo gaarne als tegenwoordigheid van het heil zou beleven, is verderaf en de mystiek, die in de prediking aanwezig moet zijn, om daarmee in verbinding te kunnen treden, is spiritueler, meer door de werking en de bemiddeling des Heiligen Geestes beademd, dan die welke zich om een reële presentie van Christus bemoeit. Haar werkelijkheidsgehalte is echter hoger. Deze mystiek, die het in de prediking waagt met de schijnbaar ijle, onwerkelijke oordelen Gods, weet dat zij het met een wereld te doen heeft, die geschapen wordt juist door de spanningen, die in en rondom die oordelen optreden. Deze prediking vraagt minder naar aanwijsbare gestalten en aperte verschijningen, maar is in ruil daarvoor ook niet belast met het conjecturale, dat deze gestalten en verschijningen aan zich hebben. Zij kan spreken met de zekerheid, zonder welke geen verkondiging zin heeft. Haar werkelijkheidsbesef is een ander dan dat van de sacramentele mystiek, maar zij weet beter rekenschap te geven van de verbinding tussen waarheid en werkelijkheid. Zij weet daarvan op mystieke wijze, maar haar uitspraak in de waarheid levert haar bij elke wending een hoog gehalte aan werkelijkheid op: Zij verkrijgt die echter niet op magische wijze, zoals bij de sacramentele mystiek, maar nuchter, geestelijk, naar de aard van de apostolische ruimte, waarin zij zich beweegt, en in overeenstemming met het karakter van een tijding, die het Evangelie is.
De wereld, waarmee deze mystiek der prediking te doen heeft, is wijd. Daarin zal alles tot één vergaderd worden in Christus (Ef. 1 : 10). Daarvan weet de rechte prediking en met deze omtrekken, deze laatste en definitieve werkelijkheden staat zij mystisch in verbinding. Dat is haar macht, die dwingend en onweerstaanbaar kan inwerken. De eschata staan haar ten dienste. Op de schaal der overtuiging van de hoorder legt zij ten slotte de hele wereld. En om de contouren van die wereld speelt in de prediking de heiligheid Gods.