O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Concept-Herderlijk Schrijven over de genotzuchtInhoudRust of Bezigheid →

Verzamelde Werken, deel 6 · p. 513–516

Monnik en Puritein1

De beide verschijningen, die in de titel genoemd zijn, mogen wel zijn - wat de Fransen noemen - "bien étonnés de se trouver ensemble". Dat ze hier vreedzaam naast elkaar staan, houdt verband met het feit, dat hier aandacht gevraagd wordt voor de ascese.

De monnik is een asceet, een onthouden; de Puritein is het ook, al is het op heel andere wijze. De bedoeling is daarom hen onder dit gezichtspunt te vergelijken. - Dit gebeurt natuurlijk niet alleen maar voor de aardigheid. De nood van onze tijd stelt het vraagstuk der ascese aan de orde. En tevens worden wij ook op dit punt tot bezinning tegenover Rome gedrongen.

Evenals mystiek is ascese een zeer wijd begrip, waar allerlei onder kan vallen. Hele stukken van dit veld laten wij nu echter buiten beschouwing. De monnik waaraan ik hier denk, is die van de Westerse kerk en de Puritein natuurlijk ook. Zij zijn familie van elkaar, of zij willen of niet. Zij staan ook in tegenstelling met de oosterse asceten, heiden of christen, bij wie de ontkenning en de afkeer van de wereld meer absoluut is, zodat zij haar met alle middelen trachten te ontvluchten.

Zulk een volstrekte ascese is in de Westerse kerk maar heel zeldzaam geweest en dan kon die kerk haar niet gebruiken en soms niet dulden. In de Roomse Kerk hebben de orden een taak. Deze kerk heeft de concurrentie, die in het oorspronkelijke monnikendom kon liggen, in zoverre het een eigen weg zocht naar de zaligheid, zoveel mogelijk uitgeschakeld en het gemaakt tot een orgaan der kerk. Zo hebben zij in de vroege middeleeuwen opvoedend en cultureel werk verricht; later ook aan de herderlijke arbeid deelgenomen; met zulk een ijver zelfs, dat zij nu concurrenten werden van de priesters binnen de kerk. Zij vormden daarbij het staande leger van de pausen, waarmee dezen soms optraden tegen hun leenmannen, de bisschoppen. Er moesten regelingen worden getroffen ten einde te voorkomen, dat de leiding der gemeenten aan de wereldlijke geestelijken uit handen werd genomen. - Andere orden, vooral ten tijde van en na de Hervorming, dienden veelal ter behartiging van speciale geestelijke en kerkelijke doeleinden.

Uit dit alles blijkt, dat de westerse monnik niet bepaald een van deze wereld afgekeerd wezen behoeft te zijn. Hij accentueert slechts die zijde der kerk, waarmee deze ook zelve van deze wereld is afgekeerd. De kerk heeft een bovennatuurlijke doelstelling en deze laatste wordt bemiddeld door de genade, die in de sacramenten wordt medegedeeld. Door deze sacramentele genade krijgt de christen dan deel aan een hogere natuur dan die, welke hem als mens-zonder-meer eigen is; nl. aan een zekere gelijkheid met de goddelijke natuur (Thomas).2 Dat is bij de roomse ascese het beslissende. Zij is geen afkeer van de natuur, maar een inkeer tot de goddelijke natuur. Daarom is ook de wereldlijke geestelijkheid reeds asceet door de ongehuwde staat. - Op deze naar God gekeerde, en daarom van de wereld afgekeerde staat der kerk legt nu de monnik nog eens bijzondere nadruk. En hij doet dat door de geloften van kuisheid, armoede en gehoorzaamheid en welke strengere of mildere regels de orde hem meer voorschrijft. "Zowel celibaat als ordewezen... berusten niet op een abnormale ascese, die 'met de natuur in strijd is', ze berusten op genade en zijn in volkomen overeenstemming met het wezen van de bovennatuurlijke staat van genade" (dr. W. H. van de Pol).3

In zoverre kan men zeggen, dat de monnik in de Westerse kerk een volkomen normale figuur is. Hij is een rooms christen of ook een rooms geestelijke met een accent. De stijl van het rooms-katholieke leven, met zijn getrapte bouw, geeft gelegenheid hem daarin een wettige plaats te verzekeren.

Maar dat accent houdt toch ook iets meer in dan een zekere nadruk op de bovennatuurlijkheid der kerk. Het bewaart ook binnen de kerk de rechten der persoonlijkheid. Rome spreidt haar verscheidenheid ten toon in de orden. En zo is het dan geen wonder, dat Luther een monnik was en dat het wereld-historisch protest tegen Rome binnen een orde is uitgebroken. Het is ook begrijpelijk, dat de hiërarchie niet op kon tegen dit protest, maar dat voor de Contrareformatie de stichting van Loyola nodig was. Het grondbeginsel dezer orde is er een van 'superieur individualisme' (Barrès)4 en als de Jezuïet zich oriënteert aan het bovennatuurlijke, dan doet hij dat naar zijn eigen smaak en volgens een eigen methode. De roomse ascese doet hiermee de beslissende schrede naar de moderne wereld en wordt middel tot beheersing daarvan. Met haar methode staat deze orde in de historie als model voor bepaalde machten, ook in onze tijd, die sommige kerkelijke scrupules achter zich hebben gelaten en die kenbaar zijn aan exercitiën en kadavergehoorzaamheid.

Wij zijn hiermee wel buiten de lijn geraakt van wat men meestal allereerst onder ascese verstaat. Ik wil ook niet zeggen, dat een groot percent van de verschijnselen die daaronder vallen, vroeger en nu, niet een ander karakter vertoont. Maar de westerse ascese, de actieve, en de monniken, voorzoverre zij het staande leger van de paus uitmaken, dat op beslissende punten en ogenblikken wordt ingezet, vragen deze beschouwing.

In het begin heb ik gezegd, dat de monnik en de Puritein verwant zijn.

Sedert Troeltsch, die een kleine veertig jaar geleden een belangrijk werk schreef over de sociale opvattingen der christelijke kerken, onderscheidt men een ascese buiten en een andere binnen de wereld.5 Deze onderscheiding heeft voor onze beschouwing hier wel iets van haar betekenis ingeboet. Ook wanneer de monnik grotere stukken van het mensenleven ongebruikt laat liggen dan de Puritein, de strenge oefenaar in het gewone leven, dan wordt dit verschil toch weer voor een deel in de schaduw gesteld door zijn bemoeienis met de wereld. Bij de Jezuïeten is die zo sterk, dat een goed-roomse - Anton van Duinkerken - wel eens de indruk kreeg, dat de wereld te klein voor hen was.6 Ook de kerk scheen soms te klein voor hen en de paus moest zich tegen zijn eigen pretoriaanse benden verdedigen. Iets dergelijks kan men van de Puritein zeggen. Hij heeft van het begin af aan, met lijden en doen, een spankracht in zich gedragen, die een nieuwe wereld uit de schoot der tijden omhoog droeg. Ook de Puritein oefende sterke druk op de wanden der kerk. Daarmee bedoel ik niet iedere nonconformist of later elke piëtist. Daarvan is er een hoog percent, dat met het hier bedoelde niets heeft uit te staan. Ik heb het oog op de wereldhistorische Puritein, de geestelijke en geografische kolonist der Westerse kerk. Ons land heeft ze gekend in de zestiende en in het begin van de zeventiende eeuw: Engeland onder Cromwell; en in Amerika kwamen zij met de Mayflower.7 Mensen, die om de liturgie hun land verlieten, omdat zij zich niet met symbolen, maar met de werkelijkheid wilden bezighouden. Die ware gebeden wilden uitstorten en geen formulieren. - Deze Puriteinen zijn het, die de stuwkracht hebben gevormd in de nieuwe geschiedenis en wier erfenis Rome thans tracht op te kopen.

Er bestaat dus een zekere gelijkenis tussen de monnik en de Puritein. Niet tussen iedere monnik en iedere Puritein, maar tussen de echt-westerse monnik en de nog meer westerse Puritein. - Daardoor wordt ook pas een vergelijking mogelijk. Wij moeten ons daarom afvragen, waarin de ascese van de eerste verschilt van die van de laatste.

Ik meen, dat wij dat niet in het bovennatuurlijk karakter van de genade moeten zoeken, dat de monnik zou belijden en de Puritein niet. Daarmee staat het wel in verband, maar dat is niet beslissend. Het accent dat de monnik daarop legt, krijgt bij de roomse stoottroepen een zelfstandige betekenis. De monnik moet arm en ongehuwd zijn om beter te kunnen dienen en - om beter te kunnen heersen. Dat was ook reeds het geval bij het celibaat van de bisschop, maar deze werd, als middelpunt van de gemeente, toch weer een aartsvaderlijke en familiale figuur. Bij de losse soldaat der kerk is dat echter anders. Ook het pastorale kan hem vreemd blijven. Hij wordt ergens ingezet met een soort militaire opdracht. Hoogstens kan hij cellen vormen. Er is in deze inzet iets onmenselijks. Een vertechnisering en vermilitarisering van het geestelijk en kerkelijk leven, dat op vele punten gelijkenis vertoont met wat de staatkundige wereld van heden ten dage te zien heeft gegeven.

Bij de Puritein liggen de dingen anders. In ijver en strijdvaardigheid is hij de wereldhistorische rivaal van de actieve asceet. Maar hij is menselijk beschermd door zijn gehuwde staat en de mensen zijn daardoor tegen hem beschermd. Dat houdt hem vast in een door God omtuinde natuurlijkheid en houdt hem terug van de vlucht in een bovennatuurlijkheid, die, als zij op de wereld terugslaat, gemakkelijk in een demonische dwingelandij kan verkeren. In verband met zijn familieleven kan de Puritein ook de armoede niet als een van God gewilde staat verkiezen. En ten slotte zet deze gebondenheid grenzen aan zijn gehoorzaamheid tot ver buiten zijn eigen persoonlijkheid. Dat deze dingen van ontzaglijke betekenis zijn voor de toekomst der mensheid weten en wisten de totalitaire staten heel goed. Zij hebben een sterke neiging de macht van het familieleven, de betekenis van het persoonlijk bezit en de weerstand van de persoonlijke verantwoordelijkheid te breken. Tussen Rome en ons is de vraag der ascese daardoor weer opnieuw aan de orde gesteld. De vraag of niet de natuurlijke ascese van de Puritein, gezien in het licht van de huidige wereldhistorie, gebleken is een betere oplossing te zijn dan de bovennatuurlijke van de monnik.

Eindnoten

  1. 1

    N. publiceerde Monnik en Puritein in Zl., p. 163-167 (pag.). Daarvoor was het onder dezelfde titel verschenen in 1dW. 3 (23 juli 1948) nr. 43, p. 1 en 8. Ter toelichting schreef de redactie van IdW.: "Twee artikelen van dit nummer zijn gewijd aan het vraagstuk van de ascese in deze tijd en de protestantse visie daarop, nl. het hoofdartikel van dr. O. Noordmans en de bijdrage van ds. A. F. L. van Dijk." De titel van laatstgenoemde bijdrage luidt Disciplitie. Over de ordening van het innerlijk leven; vgl. IdW., p. 2. De tekst van het opstel in Zl. bevat enkele wijzigingen (zie de Tekstwijzigingen achter in deze uitgave). Voor het Ter Inleiding in Zl. zie VW., dl. 2, p. 26 v., noot 1.↩

  2. 2

    Vgl. STh. III, qu. 62, art. l; tevens 1/2, qu. 1 10, art. 3-4 en qu. 112, art. 1.↩

  3. 3

    W. H. van de Pol, Het christelijk dilemma. Katholieke Kerk - Reformatie, Roermond-Maaseik 1948, p. 219. Zie over Van de Pol p. 141, noot 16.↩

  4. 4

    Aldus de weergave van de Franse schrijver Maurice Barrès (1862-1923) bij Anton van Duinkerken, Verscheurde Christenheid, Hilversum 1937, p. 123. Zie voor Noordmans' bespreking van het boek van Van Duinkerken p. 393-396.↩

  5. 5

    Vgl. E. Troeltsch, Die Soziallehren der christlichen Kirchen und Gruppen, in Gesammelte Schriften, dl. 1, Tübingen 1912. In verband met de ijking van de begrippen 'innerweltiiche' en 'ausserweltliche Askese' zij ook gewezen op het werk van Max Weber.↩

  6. 6

    Vgl. Van Duinkerken, Verscheurde Christenheid, p. 116.↩

  7. 7

    Zie p. 140, noot 6.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Concept-Herderlijk Schrijven over de genotzuchtInhoudRust of Bezigheid →