Rust of Bezigheid1
In mijn eerste artikel heb ik mij beziggehouden met wat de Engelsen noemen 'clearing the ground'. Ik heb mij de weg trachten vrij te maken of te houden om theologisch te schrijven over de grootste theoloog der christelijke kerk, Augustinus, zoals ik dat ook heb gedaan in mijn boek.2 Maar dan niet theologisch in engere zin, alleen voor dominees, doch zo, dat ieder christen voelt, dat hij tot de parochie van deze grote bisschop behoort en dat zijn raadgevingen algemeen praktische betekenis hebben.
De gedachte, die aan het hoofdwerk van Augustinus3 ten grondslag ligt is deze, dat geloof en ongeloof geen rustige beschouwingen zijn, maar dat ze de geschiedenis in beweging brengen. Ze zijn als de warme en de koude golfstroom in de Oceaan, die elk een eigen klimaat meebrengen. Van de schepping der wereld vervolgen ze hun loop naast en boven elkaar. Het zijn geen twee wereldbeschouwingen, die beide op de wereld passen, al naarmate het gezichtspunt dat men inneemt, zodat men veel vrije tijd moet hebben om er wijs uit te worden maar het zijn twee rijken, elk met een lange en bewogen geschiedenis en men komt er vanzelf mee in aanraking. Ieder wordt er door zijn werk in betrokken. Hoe drukker men het heeft, hoe meer men met het verschil tussen geloof en ongeloof in aanraking komt en hoe dringender de noodzakelijkheid van een beslissing is.
In alle boeken van Augustinus merkt men, dat hij 't liefst een peinzend christen was geweest, met veel vrije tijd. Maar God liet het hem niet toe. Hoe veel moeite het deze beschouwende geest gekost heeft om uit de hoogten van platonische bespiegeling af te dalen in het kerkelijk strijdperk, dat is niet te zeggen. Maar het is gebeurd en daarvoor moeten wij heel dankbaar zijn. Want daardoor heeft hij zulk een grote invloed op de geschiedenis der christenheid gekregen. Had hij gelegenheid gehad met een boekje in een hoekje te blijven mediteren in een kring van kloosterbroeders, zoals aanvankelijk zijn begeerte en zijn plan was, dan zou de stroom der wereldgebeurtenissen aan hen voorbijgegaan zijn. Maar nu stond hij er, als bisschop van een gemeente in Afrika, midden in. Zijn ambt bracht mee dat zijn leven gekenmerkt werd door kerkelijke en politieke stormen. Het waren dingen van ontzaglijk grote betekenis, die zich rondom hem voltrokken. De christelijke kerk van Europa was bezig haar vormen te zoeken voor eeuwen lang en intussen maakte het Westers-Romeinse keizerrijk zich gereed onder te gaan. Een geestelijke hernieuwing van ongekende strekking en een staatkundige afbraak, zoals de wereld nooit te voren had aanschouwd, gingen zich gelijktijdig voltrekken. En met wat dat meebracht, kwam de kerkvader in zijn gemeente dagelijks in aanraking. Ketterijen, die het wezen van het christelijk geloof aantastten, en die haar kracht aan de oude heidense moraal ontleenden, moest hij met inspanning van alle krachten bestrijden. En hij moest zich te weer stellen tegen de gedachte, dat de kerk zich dienstbaar mag maken aan de nationale gedachte; hij moest vechten voor haar katholiciteit.
In de meest verschrikkelijke maatschappelijke crisis moest hij de moed er in houden en de mensen troosten met de hoop des eeuwigen levens, waarvoor men een christen geworden was. En eindelijk moest hij midden in de politieke debâcle lijdzaamheid prediken door er op te wijzen, hoe goed het is, dat gelovigen en ongelovigen samen in zulke dingen betrokken zijn. Want nu kan de christen laten zien dat hij het anders draagt dan de heiden.
Wij merken dat het geen studeerkamer-geleerdheid was; geen vrucht van eenzame overpeinzing alleen, als de kerkvader geloof en ongeloof, het hemelse en het aardse burgerschap, in de vorm van twee geweldige geschiedenissen beschrijft.
Het boek waarin hij dat doet, is ontstaan in aansluiting aan zijn dagelijkse bezigheden.
Dat het geloof en de kerk met de wereldgeschiedenis te maken hebben, merken wij in onze tijd weer heel duidelijk. Misschien zuchten wij daaronder. Wij zouden graag evenals Augustinus, beschouwende christenen zijn, die over het geloof filosoferen, er een hemelse bespiegeling van maken, desnoods debatteren, maar verder niet - of, als wij wel inzien dat zulks niet gaat, en dat ons geloof een sociaal ding moet zijn, dan zouden we de kerk en haar geschiedenis toch graag apart willen houden. Wij willen de christelijke zaak, de hemelse republiek, afzonderlijk, met elkaar, regelen.
Als het aardse en het hemelse burgerschap dooreengestrengeld worden tot een onontwarbare knoop, zoals dat heden ten dage gebeurt, dan maakt ons dat helemaal van de wijs. Moeten wij de strijd der eerste drie eeuwen, toen de kerk zich aan de staat ontworstelde, nog eens weer overdoen? Moet Augustinus' boek, waarin beide uiteengehouden worden en waarin de wens der eerste drie eeuwen geborgen wordt, nog eens weer geschreven worden en dan op heel andere manier? Moet de kerk eerst weer bange eeuwen van worsteling doormaken? Of is dit het eind van de kerk of misschien van de wereld?
Dat zijn bange vragen, die onze tijd meebrengt. Maar een ding is zeker. Het is goed dat wij weer merken, dat het geloof met de wereldgeschiedenis te maken heeft.
Het werkelijkheidsbesef van de christen wordt op krachtige wijze wakker geroepen. Al gaat het dan "er op of er onder", het gaat toch om de zaak Gods en ieder staat met zijn hele leven weer in de grote crisis, die tenslotte toch de normale vorm van deze zondige wereld is. Ieder draagt zijn kruis, om er aan herinnerd te worden, dat de koning van het Godsrijk een gekruiste is.
Dat is tenslotte het onderscheid tussen heidendom en christendom. Plato had ook een kerk klaar, een staat waarin de gerechtigheid zou heersen evenals in 't Evangelie.
Maar deze dingen bleven in ruste, een kerk op 't papier. De oude geschiedenis vermeldt niet, dat ze in de geschiedenis is opgetreden. Pas de christelijke kerk, die het geheim van de goddelijke bezigheid kent, de Heilige Geest, heeft dingen tot stand gebracht, die sterk aan Plato's staat herinneren.
Het geloof krijgt in onze dagen weer een gedaante van bezigheid, die Jezus' leven ook had. Het wordt in zijn beschouwingen gestoord. De theologie wordt dialectisch, bewegelijk. Zij is met de wereldproblemen niet klaar. Het geloof krijgt de hardste noten nog te kraken. De vragen van heidendom en christendom, kerk en staat staan weer op de dagorde der kerk. De spanning is groter dan ooit te voren. Zijn wij nog heidenen? Worden wij weer heidenen? Is er een Godsrijk?
Is er een kerk? Tegen zulke vragen in moet het Evangelie gepredikt worden.