O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Memorie betreffende de vrijstelling van militaire dienstplicht voor de theologenInhoudOver Judas en Jezus →

Verzamelde Werken, deel 6 · p. 569–574

Memorie betreffende de eed1

Naar aanleiding van het rapport van het Humanistisch Verbond 'Eed en Belofte'

Bovengenoemd rapport blijft wel zeer op de oppervlakte van de hier in aanmerking komende vragen. Terwijl het uitgaat van wetsartikelen, waarin de eed ten dele reeds bezig is geliquideerd te worden, tracht het de banden, die daarin nog overgebleven zijn, verder te rekken, zonder er naar te vragen wat de zin is van deze gehele ontwikkeling en waarheen zij leidt. Het rapport zoekt de huidige situatie in het vraagstuk van de eed uit te buiten ten bate van het Humanistisch Verbond, zonder zich verder te bekommeren om de veranderingen die dit zou kunnen meebrengen voor de structurele verhoudingen in onze samenleving. Het rapport houdt zich geheel op het juridisch vlak en doet dat bovendien in zeer abstracte en formele zin. Het vergeet dat het recht van de eed een integrerend deel is van het staatsrecht; daarachter van het kerkrecht en ... van het recht Gods. In plaats van tussen de ruïnes, die men om zich heen ziet ontstaan door de ontkenning van dat recht Gods, een beetje meer ruimte te vragen voor zichzelf, had men moeten overwegen, waartoe een consequent humanisme leidt en of het geraden is af te breken wat nog staat.

Daarbij ga ik uit van de gedachte, dat het Humanistisch Verbond naar zijn bedoelingen positief is en opbouwend werk wil verrichten. Maar dan had het zich er in zijn rapport ook niet mee mogen vergenoegen op zo negatieve wijze enkele wettelijke bepalingen op hun toevallige burgerlijke of academische juistheid te beproeven. Het Verbond had uit deze, inderdaad bijna of geheel onoplosbare moeilijkheden aanleiding moeten nemen om zich af te vragen, waar de zaak vastzit. Want wij raken op dit punt in een impasse. Men moet de atheïst dwingen om te zweren òf men ondergraaft de rechtsorde door de hoofdpijler daaruit weg te nemen. Deze impasse ontstaat niet enkel bij het recht van de eed, maar overal elders, zij het dan op andere wijze. Zij is er in het huwelijksrecht en zij ontstaat ook in het kerkrecht. Want het humanisme wil, krachtens zijn positieve bedoelingen, ook een soort kerk zijn. Het wil samenwerken of concurreren met het christendom en met elke andere religie. Het wil een kerk zijn zonder God. En zo zal het, bij iedere instelling of functie, aan de religie een zekere concurrentie aandoen. Het zal zweren, doch zonder eed. Het zal trouwen, doch zonder zegen. Het zal, naast de zending der kerk, eigen propaganda stellen. En zo op eik ander terrein.

Deze dingen had het rapport naar voren moeten brengen; althans op de achtergrond moeten laten zien. Dan kon ieder weten dat het niet gaat om een juristische vondst, maar om kapitale verschuivingen in het leven.

Het Verbond zal deze vragen toch niet kunnen ontlopen. Want na de eed komt ook de belofte in geding. De huidige ontwikkeling, die God in de waagschaal stelt, zal zeker niet nalaten het ook de mens te doen. Zij doet het reeds in die mate, dat God in Christus nog als het enige richtpunt overblijft. Als men in het recht God terzijde schuift, omdat men zijn aanwezigheid daarin als iets formeels beschouwt, zal men merken dat anderen de vrijheid zullen nemen het menselijke ja of neen op hun beurt weer als formeel op te vatten. Als materieel en ter zake doende zal men de macht en het doel beschouwen, die zich enkel in een ja of neen kleden, naarmate het de machthebber of doelstelier gelegen komt. De eed zal ondergaan in de reservatio mentalis.2

Het Humanistisch Verbond had niet mogen nalaten zich van deze zijde met het vraagstuk van de eed bezig te houden. Het had de eed als een macht moeten bezien en had de trekken daarvan ook fenomenologisch moeten opzoeken op godsdienstig, kerkelijk en staatkundig terrein. Daarbij zou dan gebleken zijn, dat een eed nimmer gelijkgesteld kan worden met een belofte. Dat kan alleen op schraal-juristische, zuiver formele gronden. "De rechterlijke verhoudingen der mensen onder elkaar hangen helemaal af van hun verhouding tot de macht."a Het gaat er maar om welke macht dat zal zijn.

Daarom moet hier iets gezegd worden van de dingen die in het 'rapport' zijn veronachtzaamd. Eerst moet er echter nog op gewezen worden, dat een vervanging van de eed door een belofte op godsdienstige gronden, bijv. bij de mennonieten, een heel andere betekenis heeft dan wanneer dat gebeurt met het oog op ongodsdienstigen. De mennonieten is het er niet om te doen de bijzondere tegenwoordigheid Gods in rechten te ontgaan, maar zij voelen zich in de belofte evenzeer voor Hem geplaatst, als de andere christenen bij de eed. Zij menen alleen dat hun ja en neen in het gewone leven daarmee op hetzelfde plan staan. Het is bekend, dat dit hun leer was. Zij trokken de verklaring onder ede niet neer op het niveau van hun dagelijkse waarachtigheid, maar zij bedoelden het omgekeerde te doen.

Thans moeten wij dan nagaan, waarin het gehalte van een verklaring onder ede zich van die der gewone menselijke waarachtigheid onderscheidt. Wij kunnen daarbij aanknopen bij de eedsformule: "Zo waarlijk helpe mij God almachtig". Hier is sprake van macht en van helpen. En dat zijn de oorspronkelijke begrippen, die met de eed verbonden zijn. Wanneer men in het Duitse rijk de alwetendheid Gods daarmede verbond, dan is die toevoeging meer secundair. Primitief staan de almacht en het helpen vooraan. De eed hoort oorspronkelijk in de religie thuis, eerder dan in het recht. Het ging er om de macht, voor dat de waarheid het doel werd. Van der Leeuw schreef in zijn Phänomenologie der Religion,b dat de uitspraakonder-ede niet noodwendig waar behoefde te zijn. In de eed werd het recht gesproken. Dit wilde zeggen, dat het woord machtiger was dan de werkelijkheid en dat een zaak door de eed waar gemaakt werd. De eed was een krachtig woord. De uitspraak onder ede beslist over schuld of onschuld. En men kon de kracht van de eed versterken door middelen of helpers, eedhelpers.

Wanneer men van deze dingen kennis neemt, is men geneigd om op te merken, dat de fenomenologen, zoals Van der Leeuw er een was, een voorliefde hebben voor primitieve instellingen en begrippen en dat wij daarmee niet meer kunnen rekenen. Wij kunnen echter de kracht aan de termen van onze eedsformule niet aanvoelen, als wij er nooit in dit verband over hebben nagedacht. En als wij dat wel doen, zullen wij minder geneigd zijn toe te geven, dat een eed en een belofte gelijk kunnen staan.

Trouwens, dat de eed in rechten niet alleen een openbaring van waarachtigheid is, maar dat hij een macht is, is niet enkel een primitieve godsdienstig e voorstelling, maar dat geldt nog in het moderne recht. Kuyper wees er op in een verklaring van zondag 36, als hij schrijft:4 "De eed in rechten is alzo een geducht wapen. Een wapen, dat u redden kan, zo valse getuigen tegen u opstonden, die ge door de eed ontwapent; maar ook een wapen, dat u, hoewel ge onschuldig zijt, dodelijk treffen kan. " En: "De eed is bewijs in rechten. Zodra iets in rechten onder ede betuigd is, geldt dit in rechten." En verder: "De eed is alzo een macht in de vierschaar."

Ook hier brengt de eed iets in het spel van een tweekamp tussen God en de duivel. Wat Kuyper hier oproept moge iets anders zijn dan wat de primitieven zich bij de eed voorstelden, het is toch van dezelfde orde. De eed is een instituut, zoals de echt. Hij schept een toneel en op dat toneel treden machten op en wordt een zaak beslecht. In rechten gaat het om heilige dingen. Zulk een beeld is ook veel meer in overeenstemming met een rechtsgeding van enig belang uit onze ervaring, dan de voorstelling die wij krijgen, als wij geheel blijven op het niveau van menselijke waarachtigheid. In het eerste is een dimensie die in de laatste ontbreekt. In de eed worden wij uit ons dagelijks doen geroepen.

Wel is onder dit gezichtspunt, de eed in het strafrecht beperkt geworden. Vroeger gold de reinigingseed. Men moest zich ontzweren, waarbij in zware gevallen elf eedhelpers te pas moesten komen; zulk een eed was een soort godsgericht. Hier is later de procedure gedempt tot de hoogte van de civiele, waarin getuigen en documenten gebruikt werden. In die laatste procedure wordt daarentegen de eed ook nog aan partijen opgelegd, zodat deze in zeker opzicht thans de meest primitieve is.

Wij moeten nu nagaan hoe de toestand wordt, als in deze ongetwijfeld numineuze sfeer de godloochening storing komt brengen en de eis gehoord wordt om op grond van die loochening, van de eed ontheven te worden, met vervanging door een belofte. De schok wordt ten dele opgevangen, maar ook ten dele gecamoufleerd door de omstandigheid, dat de eed in de christelijke kerk reeds een rechtelijke bewerking had ondergaan en deze leer omtrent de eed door de burgerlijke rechtspleging werd overgenomen. Daardoor werd de eed geleidelijk van zijn numinositeit ontladen en zo kan het Humanistisch Verbond dan menen in zijn rapport de zaak te kunnen bespreken, zonder dat men veel van de hoogspanning merkt. Het kan schijnen, alsof het enkel gaat om een beetje inschikkelijkheid tegenover medeburgers, met wie de meerderheid verschilt ten opzichte van die ondergeschikte kwestie van God.

Wij moeten dus nu vragen naar de behandeling, die de eed in het canonieke recht heeft ondergaan. Hij werd behandeld in het bekende Decretum Gratiani,5 causa XXII. Zou de eed rechtskracht hebben en werkelijk het eind zijn van alle tegenspraak, dan moest hij begeleid zijn door drie metgezellen (comites): veritas (in mente), iudicium (in iurante) en iustitia (in obiecto). Deze drie zijn ontleend aan Jer. 1 : 4 volgens de Vulgaat. Dit zijn dus niet drie bestanddelen van de eed, maar voorwaarden voor de gelding in rechten. De eed zelf kan een eigen macht behouden, maar zonder deze drie comites wordt hij niet als een bewijs in rechten toegelaten. Hij is dan geen 'macht in de vierschaar' zoals Kuyper het noemde.

In dit canonieke recht wijs ik op twee dingen. Ten eerste herinneren de comites aan de eedhelpers. Zij moeten, zoals deze laatsten, de omgeving van de eed zuiveren. Zij moeten 'helpen' in de numineuze zin, die dat helpen in onze eedsformule heeft. Niet enkel zoals het Woordenboek der Nederlandse Taal sub voce hier als betekenis voor de middelperiode der moderne talen schijnt aan te nemen, helpen om waarheid te spreken.6⌫ Dat is te modern gedacht. Maar om een macht te zijn en om als zodanig toegelaten te worden. In de tweede plaats wijs ik er op dat de invoering van deze comites aan de andere kant reeds een zekere rationalisering betekent. Dat heeft vooral plaats als men de tweede comes, nl. inzicht in de betekenis van de zaak en de derde, nl. rechtvaardigheid aan de zaak, die in geding is, ondergeschikt maakt aan de eerste, nl. waarheid in de bedoeling. Sommigenc maken deze onderscheiding. Maar daardoor wordt de eerste comes, de waarheid in de bedoeling gemakkelijk in de plaats geschoven van de eed zelf en de beide laatste worden dan de eedhelpers. Dit kan niet de betekenis zijn. Dan zouden wij met de eed ook op het niveau van de gewone waarachtigheid komen. In het canonieke recht is men dan ook daartoe niet gekomen. De nevenschikking van alle drie blijft. De veritas in mente betekent, zoals de schrijver van pas genoemd artikel ook wel weet, een afwijzing van de reservatio mentalis.7 Hiermee is niet de eed zelf, maar een comes, een helper in 't oog gevat. Ik heb er bovenal op gewezen, dat, als men van de waarheid in 't gemoed het een-en-alles maakt, zonder dat de eed een zelfstandige instelling blijft, dat dan de deur voor de reservatio mentalis openstaat. Menno Simons, die de dagelijkse waarachtigheid tot het plan van de eed wilde verhogen, is er reeds een voorbeeld van. In het moderne leven en vooral in de moderne politiek is het veel duidelijker.

De drie comites moeten begeleiders blijven. Zij staan in dat opzicht ook gelijk en de veritas in mente mag zich niet op de plaats van de eed dringen. Zij is niet zelve de macht van de eed, maar een helper. Die in de eed zelf helpt, is God en Hij is de almachtige.

De tweede comes, het iudicium in iurante is zeker niet minder belangrijk, want hier heeft de hele kwestie van eed en belofte haar plaats. Onder de redenen, die er toe kunnen leiden om iemand niet tot een eed toe te laten of later een eed ongeldig te verklaren, behoort onmondigheid, dronkenschap enz. Maar hieronder moet het ook ressorteren, als men bezwaar maakt tegen een eed van een godloochenaar en deze onbekwaam tot de eed verklaart. Kuyper wilde hen in zijn toelichting op het antirevolutionair program vroeger eedhelpers geven.8 Hij wilde hen echter niet tot een belofte toelaten. Hij zag de moeilijkheden wel, maar is er ook niet uitgekomen. In 1876 heeft men in Duitsland voorgesteld, de formule "Ik zweer" te gebruiken. Maar dit werd afgewezen. God moet genoemd worden. Anders dreigt de eerste comes afscheid te nemen en zweert ieder 'nach seiner eigenen Facon'. De reservatio mentalis krijgt dan zelfs een uitnodiging.

De overtuiging dat een godloochenaar niet tot de eed kan worden toegelaten, is vrij algemeen. Maar aan de andere kant is de overtuiging, dat God machtig is in het recht en dat Hij helpt, ook nog niet uitgestorven. Men wil dan die hulp niet ruilen voor een menselijke belofte. Zo kan men iemand de eed niet vragen, als hij er niet in gelooft en men kan hem de eed ook niet schenken. Het gaat om God en om de wereld en men kan de instellingen, waarin God de almachtige ons helpt, niet achter elkaar liquideren.

In dat opzicht staat de eed niet alleen. Dat is waarlijk geen kwestie van een paar organieke wetsartikelen of een beetje plooibaarheid van burgers onderling. Ik wees er al op en dr. Wagenaar deed het ook reeds, volgens de notulen, dat het Humanistisch Verbond meer pijlen op zijn boog heeft.9 Enkel met wat juridische adressen komen wij daar niet uit. Het Verbond zal andere overwegingen moeten onder ogen zien. Het lijkt een kleinigheid om God in een wetsartikel er uit te werken. Maar terwijl wij er mee bezig zijn, vallen om ons heen de grootste dingen zomaar - sponte sua, zeiden de oude Romeinen - om. Die dingen worden bewogen en men ziet niet waardoor.

Bij de bespreking van de eed zal men met de goddelijke macht, die daarin verborgen is, rekening moeten houden . De eed is veel te geladen, niettegenstaande het misbruik, dat men er in Jezus' dagen en ook onder ons van gemaakt heeft, dan dat hij in formaliteiten zou kunnen ondergaan.

Voetnoten

  1. a

    G. van der Leeuw, Phänomenologie der Religion, Tübingen 1933, p. 388.3↩

  2. b

    A.w., P. 387.↩

  3. c

    PRE.3 V, 244-249 (sub voce Eidesrecht).↩

Eindnoten

  1. 1

    N. schreef de Memorie betreffende de eed. Naar aanleiding van het rapport van het Humanistisch Verbond 'Eed en Belofte', dd. 29.1.1951, ten behoeve van de hervormde Werkgroep'Kerk en Overheid', waarvan hij enkele jaren lid was geweest. N. was op 22 juli 1946 door de synode der N.H. Kerk tot lid van deze Werkgroep benoemd; op 19 juni 1950 werd hij op eigen verzoek (wegens gezondheidsredenen) van het lidmaatschap ontheven. Uit de notulen van de Werkgroep (Archief N.H. Kerk) blijkt, dat op 13 december 1950 een bespreking gewijd is aan het rapport Eed en Belofte (zie bijlage 2). Op 8 februari 1951 werd de Memorie betreffende de eed van N. besproken ("De Werkgroep is dr. Noordmans zeer erkentelijk voor dit stuk"). "De Werkgroep acht het gewenst, dat de memorie van dr. Noordmans wordt aangevuld met een juridische nota, die zakelijk en psychologisch op de concrete démérites van het stuk van het Hum. Verbond ingaat." Nadat in 1951 de Werkgroep 'Kerk en Overheid' is overgegaan in de Raad voor de Zaken van Kerk en Overheid, wijdt deze Raad op 13 december 1951 een afsluitende bespreking aan de nota's van dr. Noordmans en de mrs. Hartsuiker en Nagel. Bij de formulering van de definitieve standpuntbepaling van de Raad ter zake is de Memorie van N. niet alszodanig benut.↩

  2. 2

    Vgl. in verband met de term 'reservatio mentalis' (innerlijk voorbehoud) Historisches Wörterbuch der Philosophie, Joachim Ritter t en Karlfried Gründer eds., dl. 5, Darmstadt 1980, kol. 1138-1145 (sub voce Mentalreservation).↩

  3. 3

    G. van der Leeuw, Phänomenologie der Religion, Tübingen 1933, p. 388: "Das rechtliche Verhältnis der Menschen unter sich hängt ganz und gar ab von ihrem Verhältnis zur Macht."↩

  4. 4

    A. Kuyper, E Voto Dordraceno. Toelichting op den Heidelbergschen Catechismus, dl. 3, Amsterdam 1894, p. 625.↩

  5. 5

    Het zogenoemde Decretum Gratiani is een omstreeks 1150 door de monnik Gratianus te Bologna voltooid overzicht van het r. -k. kerkelijk recht. Bindende kracht heeft het Decrerum als zodanig nooit gehad. Tot de invoering van de Codex iuris canonici (1918) heeft het Decretum bijna even veel gezag gehad als een formeel wetboek.↩

  6. 6

    Vgl. WNT., dl. 3/2, 's-Gravenhage-Leiden 1916, kol. 3794 (sub voce Eedhelper).↩

  7. 7

    Aldus de lutherse kerkrechtgeleerde E. Sehling (1860-1928), de auteur van het artikel Eidesrecht in PRE.3 V, 248.↩

  8. 8

    A. Kuyper, "Ons Program", Amsterdam 18802, p. 97 v. Noordmans bezat een exemplaar van de tweede druk; latere drukken zijn herzien.↩

  9. 9

    In de notulen van de vergadering van de Werkgroep 'Kerk en Overheid', gehouden op woensdag 13 december 1950 des namiddags te 2 uur in het gebouw van de Synode, Carnegielaan 9 te Den Haag, staat sub 5: "De heer Wagenaar brengt het streven van het Hum. Verbond ten aanzien van het afleggen van de belofte in verband met de pogingen van die zijde gelijkstelling te verkrijgen van de arbeid onder de niet-kerkelijken in de dienstplicht- en arbeiderskampen met de geestelijke verzorging aldaar. Tevens wijst bij er op, dat van de zijde van het Hum. Verbond een aparte wijze van huwelijksvoltrekking wordt gepropageerd." Mr. dr. H. M. J. Wagenaar (geb. 1901), van 1930-1967 directeur van de sinds 1951 zo genoemde Raad voor de predikantstraktementen van de N.H. Kerk (benaming in 1920: Raad van Beheer; 1921: Raad van Beheer voor de predikantstraktementen; 1943: Commissie voor de predikantstraktementen), was vanaf 13 juli 1949 lid van de Werkgroep'Kerk en Overheid'. De Werkgroep had de synode van de N.H. Kerk verzocht door de benoeming van W., lid van de hervormde delegatie in het Contact in overheidszaken van de Oecumenische Raad van Kerken in Nederland, een intensiever contact tussen beide organen mogelijk te maken.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Memorie betreffende de vrijstelling van militaire dienstplicht voor de theologenInhoudOver Judas en Jezus →